wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

hart en bloedvatenstelsel

Total questions: 81

Worksheet time: 52mins

Name
Class
Date
1.

In de afbeelding zie je een hart. Hoe heet onderdeel 1?

a)

Hart

b)

Kamer

c)

Klep

d)

Boezem

2.

In de afbeelding zie je een hart. Hoe heet onderdeel 2?

a)

Hart

b)

Kamer

c)

Halve maanvormige klep

d)

Boezem

3.

Hoe heet het bloedvat dat wegstroomt van je benen?

a)

Beenvaten

b)

Beenhaarvat

c)

Beenslagader

d)

Beenader

4.

'Bloed dat richting je longen stroomt is zuurstofrijk'

a)

Waar

b)

Niet waar

5.

Het menselijk hart bestaat uit ...

a)

2 kamers

b)

1 kamer

c)

2 boezems

d)

1 boezem

6.

In welk bloedvat pompt de rechterkamer het bloed?

a)

De longslagader

b)

De longader

c)

De aorta

d)

De onderste holle ader

7.

Waar pompt je linkerboezem het bloed heen?

a)

Je linker boezem heeft geen functie

b)

Naar de longader

c)

Naar de benen

d)

Naar de rechterboezem

8.

Wat is de functie van de rechterboezem?

a)

Die heeft geen functie

b)

Die pompt bloed naar de rechterkamer

c)

Die pompt bloed naar het lichaam

d)

Die pompt bloed naar de linkerkamer

9.

Wat is doet de kleine bloedsomloop?

a)

Die pompt bloed door ons hele lichaam

b)

Die zorgt ervoor dat ons bloed zuurstofrijk wordt

c)

Die bestaat niet

10.

Wat voor type bloedsomloop hebben mensen?

a)

Een kleine bloedsomloop

b)

Een grote bloedsomloop

c)

Beiden, een dubbele bloedsomloop

d)

Mensen hebben geen bloedsomloop

11.

Slagaders voeren bloed ..........

a)

naar het hart toe

b)

van het hart af

12.

Hoe komt het bloed bij de lever?

a)

leverslagader

b)

leverslagader en poortader

c)

poortader

13.

ALLE slagaders vervoeren zuurstofrijk bloed

a)

Juist

b)

Onjuist

14.

Hoe heet onderdeel 5?

a)

Longader

b)

Longslagader

c)

Aorta

d)

Holle ader

15.

Door welk onderdeel worden de linker- en rechterhelft van het hart gescheiden?

a)

door de hartkleppen

b)

Door de halvemaanvormige kleppen

c)

Door de harttussenwand

d)

Door de aorta

16.

Een slagader gaat van ... naar ...

a)

het hart naar een ander orgaan

b)

een orgaan naar het hart

17.

Welk type bloedvat kenmerkt zich door het hebben van veel kleppen?

(BS 2)

a)

Kransslagaders

b)

Haarvaten

c)

Slagaders

d)

Aders

18.

De bloedvaten met een rode kleur bevatten bloed met...?

(BS 2)

a)

veel zuurstof

b)

veel koolstofdioxide

c)

veel hormonen

d)

veel warmte

19.
Welke onderstaande bloedvaten is zuurstofarm
a)
Aorta
b)
Kransslagader
c)
Longslagader
d)
Longader
20.
Het hart heeft veel spierweefsel.
Welk deel van het hart is het meest gespierd?
a)
Linkerboezem
b)
Rechterboezem
c)
Linkerkamer
d)
Rechterkamer
21.

De juiste volgorde van de hartslag is:

1. Boezems trekken samen.

2. Kamers trekken samen.

3. Rust/pauze.

a)

Juist

b)

Onjuist

22.

Waaruit bestaat bloed? (BS 1)

a)

Witte bloedcellen, Rode bloedcellen, Bloedplaatjes en Bloedplasma

b)

Rode bloedcellen, Bloedplaatjes, Witte Bloedcellen en Water

c)

Opgeloste stoffen, Rode Bloedcellen en Witte Bloedcellen

d)

Rode bloedcellen, Witte bloedcellen en Bloedplaatjes

23.

Wat is etter of pus? (BS 1)

a)

Dode rode bloedcellen en kapotte bloedplaatjes

b)

Dode rode- en witte bloedcellen

c)

Dode witte bloedcellen en gedode bloedplaatjes

d)

Dode witte bloedcellen en gedode bacteriën

24.

Waar zijn witte bloedcellen voor nodig? (BS 1)

a)

Witte bloedcellen zijn om de afvalstoffen af te voeren

b)

Witte bloedcelen zijn nodig om ziekteverwekkers te bestrijden

c)

Witte bloedcellen zijn nodig om bloed te stollen

d)

Witte bloedcellen zijn nodig om zuurstof te vervoeren

25.

Waar bestaat bloedplasma voor uit?

(BS 1)

a)

Rode bloedcellen

b)

Eiwitten

c)

Bloedplaatjes

d)

Water

26.

Een teek voedt zich met bloed van dieren en mensen. Het speeksel van de teek zorgt ervoor dat het bloed niet stolt.

Welk bestanddeel van het bloed kan zijn normale functie dan niet meer uitvoeren? (BS 1)

a)

bloedplasma

b)

bloedplaatjes

c)

rode bloedcellen

d)

witte bloedcellen

27.

Welk(e) kenmerken horen bij slagaders?

Meerdere kenmerken kunnen kloppen.

(BS 2)

a)

Liggen diep in het lichaam

b)

Hoge bloed druk

c)

Dikke elastische wand

d)

Bevat veel kleppen

28.

Welk type bloedvat kenmerkt zich door het hebben van veel kleppen?

(BS 2)

a)

Kransslagaders

b)

Haarvaten

c)

Slagaders

d)

Aders

29.

Wanneer spreken we van een dubbele bloedsomloop? (BS 2)

a)

Als het hart meerdere kamers bevat.

b)

Als het hart meerdere boezems bevat.

c)

Als het bloed per omloop 2 keer door het hart stroomt.

d)

Als het bloed van zuurstofrijk naar zuurstofarm gaat.

30.

Hoe worden de grote en de kleine bloedsomloop genoemd? (BS 2)

a)

algemene bloedsomloop

b)

menselijke bloedsomloop

c)

dubbele bloedsomloop

31.

Waar gaat de kleine bloedsomloop naar toe?

(BS 2)

a)

de hersenen

b)

alle organen

c)

de longen

d)

de darmen

32.

Benoem onderdeel 2.

a)

Bloedplaatje

b)

Bloedplasma

c)

Rode bloedcel

d)

Witte bloedcel

33.

Benoem onderdeel 3.

a)

Bloedplaatje

b)

Bloedplasma

c)

Rode bloedcel

d)

Witte bloedcel

34.

Door welk bloedvat stroomt bloed met weinig zuurstof?

a)

Aorta

b)

Armslagader

c)

Onderste holle ader

d)

Longader

35.

Iemand heeft longontsteking en slikt hiervoor medicijnen. Die komen via de darmen in het bloed terecht. Via welke bloedsomloop komen de medicijnen bij de longen?

a)

Alleen de kleine bloedsomloop

b)

Alleen de grote bloedomloop

c)

Eerst de kleine en dan de grote bloedsomloop

d)

Eerst de grote en dan de kleine bloedsomloop

36.

Door welk bloedvat stroomt bloed met veel zuurstof?

a)

Kransslagader

b)

Longslagader

c)

Poortader

d)

Beenader

37.

Patiënten met de ziekte aids zijn gevoeliger voor ziekteverwekkers dan gezonde mensen. Ze krijgen bijvoorbeeld snel een longontsteking. Dat komt doordat bepaalde bloeddeeltjes door het aidsvirus (hiv) worden vernietigd.

Welke bloeddeeltjes worden door het aidsvirus vernietigd?

a)

Bloedplaatjes

b)

Rode bloedcellen

c)

Witte bloedcellen

d)

Eiwitten

38.

De bloedsomloop bij een hond is hetzelfde als de bloedsomloop bij een mens. De pijl geeft de stroomrichting van het bloed in bloedvat 1 aan.

Wat voor soort bloedvat is bloedvat 1?

a)

Slagader

b)

Ader

c)

Haarvat

39.

De bloedsomloop bij een hond is hetzelfde als de bloedsomloop bij een mens. De pijl geeft de stroomrichting van het bloed in bloedvat 1 aan.

Welke bloedvaten bevatten veel afvalstoffen?

a)

Bloedvat 1

b)

Bloedvat 2

c)

Bloedvat 3

d)

Bloedvat 4

40.

Een rode bloedcel bevindt zich in de bovenste holle ader en gaat richting het hart. Hoe vaak is de bloedcel (minimaal) door het hart gegaan als hij weer op dezelfde plek terugkeert?

a)

0 keer

b)

1 keer

c)

2 keer

d)

4 keer

41.

Wat voor type bloedvat is dit?

a)

Slagader

b)

Ader

c)

Haarvat

42.

Waar in het bloedvat bevindt zich de meeste zuurstof?

a)

Bij P

b)

Bij Q

c)

Bij R

d)

Bij alle plekken is er evenveel zuurstof

43.

Welke stof maakt bloedcellen rood?

a)

Hemoglobine

b)

Fibrinogeen

c)

Bloedplasma

d)

Bloedplaatjes

44.

Benoem bloedvat 12.

a)

leverader

b)

leverslagader

c)

aorta

d)

poortader

45.

Bij iemand komt een afwijking van de bloedplaatjes voor, waardoor deze hun inhoud niet kunnen afgegeven.


Wat kan daarvan het gevolg zijn?

a)

het bloed stolt te snel

b)

het bloed kan niet stollen

c)

het bloed kan geen zuurstof vervoeren

d)

het bloed kan een virus niet meer aanvallen

46.

Het bloed stroomt van een kuitspier via de longen weer terug naar dezelfde kuitspier. Het bloed gaat daarbij minstens tweemaal door het hart. De weg die het bloed hierbij door het hart aflegt is achtereenvolgens:

a)

linkerkamer - linkerboezem - rechterkamer - rechterboezem

b)

linkerboezem - linkerkamer - rechterboezem - rechterkamer

c)

rechterkamer - rechterboezem - linkerkamer - linkerboezem

d)

rechterboezem - rechterkamer - linkerboezem - linkerkamer

47.

Wat is de functie van deze bloedcel

a)

Ziekteverwekkers bestrijden

b)

Zuurstof vervoeren

c)

Bloed laten stollen

48.

Op deze afbeelding zie je

a)

Rode bloedcellen

b)

Witte bloedcellen

c)

Bloedplaatjes

d)

Bacteriën

49.

Welke soort cellen kunnen door de wand van het bloedvat heen?

(a)  

50.
Bij bloedarmoede heb je..
a)
een te kort aan witte bloedcellen
b)
een te kort aan bloedplaatjes
c)
een te kort aan rode bloedcellen
d)
een te kort aan bloedplasma
51.

Door welk deel van bloed wordt bloed vervoerd?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

A

52.

Welke stof in rode bloedcellen zorgt ervoor dat rode bloedcellen zuurstof kunnen vervoeren?

(a)  

53.
Welke kenmerk hoort niet bij slagaders?
a)
Liggen diep in het lichaam
b)
Hoge bloed druk
c)
Dikke elastische wand
d)
Bevat veel kleppen
54.

Kijk goed naar het plaatje. Nummer 14 is de (a)  

55.

De poortader loopt van je ..... naar je ......

a)

darmen naar je lever

b)

lever naar je darmen

c)

darmen naar je nieren

d)

nieren naar je darmen

e)

nieren naar je lever

56.

Een bloedvat dat naar het hart toe stroom noemen we een ....

a)

ader

b)

slagader

c)

haarvat

57.

Met welk nummer wordt de linker boezem aangegeven?

a)

4

b)

5

c)

9

d)

8

58.

Wat is de structuur die wordt aangegeven met nummer 11?

a)

Onderste holle ader

b)

Bovenste holle ader

c)

longslagader

d)

longaders

e)

aorta

59.

Welke hartkamer pompt het bloed richting de longen?

a)

4

b)

5

c)

9

d)

8

60.
Rode Bloedcellen hebben een celkern en vervoeren zuurstof
a)
Juist
b)
Onjuist
61.

Iemand heeft een ziekte waardoor zijn rode bloedcellen helemaal niet of niet goed hun werk meer kunnen doen. Waar kan deze persoon allemaal last van hebben?

a)

niet snel moe, veel energie om dingen te doen

b)

snel moe, maar wel genoeg energie om dingen te doen.

c)

snel moe en weinig energie om dingen te doen

d)

niet snel moe, maar ook niet genoeg energie om dingen te doen.

62.

Rode bloedcellen krijgen hun rode kleur door een bepaald stofje. Door deze stof worden de rode bloedcellen niet alleen rood, maar kunnen ze ook makkelijk zuurstof opnemen.

Hoe heet deze stof?

(a)  

63.

In de afbeelding zie je het hart met longen en een aantal bloedvaten. De weg die het bloed door het lichaam aflegt, noem je de bloedsomloop. Welke bloedsomloop zie je in deze afbeelding?

a)

Grote bloedomloop

b)

Kleine bloedsomloop

c)

Geen bloedsomloop

64.

Waar gaat de kleine bloedsomloop naar toe?

a)

de hersenen

b)

alle organen

c)

de longen

d)

de darmen

65.

Waar gaat de grote bloedsomloop naar toe?

a)

alle organen van het lichaam

b)

de longen

c)

de hersenen

66.

Wat is dit voor een bloedvat?

a)

slagader

b)

ader

c)

haarvat

67.

De poortader heeft niet de naam van

het orgaan waar het naar toe of vanaf

stroomt. Door de poortader stroomt

het bloed van het 1. …. naar de 2. ……

a)

1. lever 2. darmkanaal

b)

1. lever 2. maag

c)

1. darmkanaal 2. lever

68.

Welke weg legt urine af voordat de urine het lichaam verlaat?

a)

urinebuis - urineblaas - urineleider - nierbekken

b)

urineblaas - nierbekken - urineleider - urinebuis

c)

nierbekken - urineleider - urineblaas - urinebuis

69.

De urinebuis voert de urine uit het lichaam?

a)

waar

b)

niet waar

70.

Welk deel van het hart is het meest gespierd?

a)

Rechter kamer

b)

Rechter boezem

c)

Linker kamer

d)

Linker boezem

71.
Hoe heet nummer 2?
a)
nierbekken
b)
nierschors
c)
niermerg
d)
uirineleider
72.
Hoe heet nummer 1?
a)
nierbekken
b)
nierschors
c)
niermerg
d)
uirineleider
73.

Waar bestaat urine uit?

a)

water, schadelijke stoffen

b)

Schadelijke stoffen en overtollige zouten

c)

overtollige zouten, schadelijke stoffen en water

d)

Suikers, eiwitten, water en schadelijke stoffen

e)

Overtollige zouten en water

74.

Een kransslagader van de mens is een aftakking van

a)

de aorta

b)

de armslagader

c)

de halsslagader

d)

de longslagader

75.
De cellen die buiten een bloedvat bacteriën kunnen bestrijden zijn
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
76.

Welke wand is het dunst?

a)

slagader

b)

ader

c)

haarvat

77.

In welk bloedvat is de bloeddruk hoog?

a)

slagader

b)

ader

c)

haarvat

78.

Wat is dit voor een bloedvat?

a)

slagader

b)

ader

c)

haarvat

79.

Hoe noemen we deze kleppen?

a)

hartkleppen

b)

halvemaanvormige kleppen

80.

Waar zitten de halvemaansvormige kleppen?

a)

tussen boezem en kamer

b)

aan het begin van de aorta

c)

aan het begin van de longslagader

d)

aan het begin van de longader

81.

Wat is de functie van hartkleppen?

a)

zorgen ervoor dat het bloed sneller stroomt

b)

zorgen ervoor dat het bloed niet terug kan stromen

c)

zorgt ervoor dat het bloed niet kan klonteren