wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Ordening & Evolutie

Total questions: 72

Worksheet time: 40mins

Name
Class
Date
1.

Bekijk de afbeelding. Tot welk rijk behoort deze cel?

a)

Bacteriën

b)

Dieren

c)

Planten

d)

Schimmels

2.

Bekijk de afbeelding. Links zie je een Aziatische olifant en rechts zie je een Afrikaanse olifant. Ze leven in verschillende leefgebieden en kunnen geen nakomelingen krijgen. Ze hebben wel hetzelfde aantal chromosomen.

Behoren deze olifanten tot dezelfde soort?

a)

Ja, want ze hebben hetzelfde aantal chromosomen.

b)

Ja, want ze behoren ook tot dezelfde familie.

c)

Nee, want ze kunnen geen vruchtbare nakomelingen krijgen.

d)

Nee, want ze leven in verschillende leefgebieden.

3.

Welk van de volgende rijken organismen bevat als enige geen celkern?

a)

Bacteriën

b)

Dieren

c)

Planten

d)

Schimmels

4.

In een populatie komen evenveel slakken met lichtgekleurde huisjes als slakken met donkergekleurde huisjes voor. Door een verandering in de omgeving wordt de ondergrond lichter. Vogels eten nu meer slakken met donkere huisjes.

Wat gebeurt er met de verhouding van de kleuren van de slakkenhuisjes in de volgende generaties?

a)

Meer lichte slakkenhuisjes dan donkere slakkenhuisjes.

b)

Meer donkere slakkenhuisjes dan lichte slakkenhuisjes.

c)

De verhouding blijft hetzelfde.

5.

Juist/onjuist?

De stof DNA kan worden genoemd als argument voor de evolutie, omdat het bij verschillende organismen dezelfde samenstelling heeft.

a)

Juist

b)

Onjuist

6.

Bekijk de afbeelding. Welke soort is het meest verwant aan de bastaardschorpioenen?

a)

Schorpioenen

b)

Teken

c)

Rolspinnen

d)

Zweepstaartschorpioenen

7.

Benoem de celkenmerken van een schimmelcel (meerdere goed).

a)

Celkern

b)

Celmembraan

c)

Celwand

d)

Bladgroenkorrels

8.

Een schaap is (1) symmetrisch en heeft een (2) skelet.

a)

1: Tweezijdig, 2: Inwendig

b)

1: Tweezijdig, 2: Uitwendig

c)

1: Veelzijdig, 2: Inwendig

d)

1: Veelzijdig, 2: Uitwendig

9.

Bekijk de afbeelding. Tot welke stam van het dierenrijk behoort dit dier?

a)

Weekdieren

b)

Geleedpotigen

c)

Stekelhuidigen

d)

Gewervelden

10.

Bekijk de afbeelding. Tot welke stam behoort dit dier?

a)

Sponzen

b)

Holtedieren

c)

Weekdieren

d)

Stekelhuidigen

11.

Welk kenmerk van de reptielen klopt hier niet?

a)

Warmbloedig

b)

Ademt met longen

c)

Droge schubben

d)

Eieren met leerachtige schaal

12.

Eukaryoten hebben altijd een..

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Nooit een celkern

d)

Soms een celkern en soms niet

13.

Paarden en ezels kunnen samen nakomelingen krijgen die we muilezels noemen, muilezels zijn onvruchtbaar


Behoren een ezel en een paard tot één soort?

a)

Nee, want de nakomelingen zijn onvruchtbaar

b)

Ja, want ze komen uit hetzelfde geslacht

c)

Ja, want ze kunnen nakomelingen krijgen

14.

Zowel het ontstaan als het uitsterven van diersoorten zijn allebei onderdelen van evolutie.

a)

waar

b)

niet waar

15.

Welke uitspraak of uitspraken is/zijn juist over de afbeelding?

a)

Deze honden behoren niet tot dezelfde soort.

b)

Deze honden behoren tot dezelfde soort.

c)

Deze honden behoren niet tot hetzelfde ras.

d)

Deze honden behoren tot hetzelfde ras.

16.

Wat stellen de groene bolletjes in het vertakkingsschema voor?

a)

Gemeenschappelijke voorouder

b)

Tussensoorten

c)

Tijdsindicatie

d)

Kruising van soorten waardoor er twee nieuwe ontstaan.

17.

Welke organimsen zijn meer aan elkaar verwant?

a)

Reptielen en amfibieën

b)

Reptielen en vogels

c)

Reptielen en vissen

d)

Reptielen en zoogdieren

18.

Een ijsgrizzly is een kruising tussen een grizzlybeer en een ijsbeer. Een ijsgrizzly is vruchtbaar.


Zijn een grizzlybeer en een ijsbeer dezelfde soort?

a)

Ja, want ze kunnen nakomelingen krijgen.

b)

Nee, want ze kunnen geen vruchtbare nakomelingen krijgen.

c)

Nee, want ze kunnen geen nakomelingen krijgen.

d)

Ja, want ze kunnen vruchtbare nakomelingen krijgen.

19.

Juist of Onjuist:

Bacteriën zijn te klein om met het blote oog te zien.

a)

Juist

b)

Onjuist

20.

Is dit dier symmetrisch?

a)

Ja, veelzijdig symmetrisch

b)

Nee, asymmetrisch

c)

Ja, tweezijdig symmetrisch

d)

Ja, asymmetrisch.

21.

Wat zijn kenmerken van Geleedpotigen?

a)

Segmenten, uitwendig skelet, tweezijdig symmetrisch

b)

Segmenten, inwendig skelet, veelzijdig symmetrisch

c)

Geen skelet, segmenten en asymmetrisch

22.

Uit welke 4 organen kunnen planten bestaan?

a)

Wortels, stengels, takken & bladgroenkorrels

b)

Wortels, stengels, bladeren en bloemen

c)

Wortels, stengels, takken & knoppen

d)

Wortels, stengels, stampers en bladeren

23.

Wat is een functie van bacteriën en schimmels?

a)

Gebruik maken van producten (consumenten)

b)

Produceren van zuurstof (producenten)

c)

Dode resten opruimen in de natuur (reducenten)

24.
Het leven op het land was er eerder dan het leven in het water.
a)
Waar
b)
Niet waar
25.

Organismen behoren tot dezelfde soort als ze:

a)

Gemeenschappelijke kenmerken hebben.

b)

Met elkaar kunnen paren.

c)

Vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen.

d)

Als ze tot dezelfde familie behoren.

26.

Zijn een poedel en een rottweiler dezelfde soort?

En van het zelfde ras?

a)

ja - ja

b)

ja - nee

c)

nee - nee

d)

nee - ja

27.

Wat is de juiste volgorde, van hoog naar laag?

a)

Domein, stammen, rijken, klassen

b)

Domein, stammen, klassen, rijken

c)

Domein, rijken, stammen, klassen

28.

Een voorbeeld van natuurlijke selectie is:

a)

Dieren raken gescheiden (door zee, bergen etc)

b)

De beste wordt uitgekozen

c)

Slakken met een goede schutkleur.

d)

Ongeslachtelijke voortplanting

29.

Een dierenarts bekijkt een microscopisch preparaat om de oorzaak van een darmziekte bij een kat te onderzoeken. In het preparaat ziet hij een cel die wel een celwand heeft, maar geen celkern.

Van welk organisme kan dit een cel zijn?

a)

bacterie

b)

schimmel

c)

spoelworm

d)

van de kat

30.

Een dier is

-tweezijdig symmetrisch,

-ademt met longen

-is koudbloedig

- legt leerachtige eieren.

-de huid is bedekt met droge schubben

Welke stam is dat?

(a)  

31.

Wat is de beste omschrijving voor een skelet?

a)

Stevige delen in een organisme

b)

Stevige delen van een organisme

c)

Stevige delen rondom een organisme

32.

Waarmee ademt een walvis en tot welke klasse behoort de walvis?

a)

Kieuwen - vissen

b)

Longen - reptielen

c)

Longen - amfibieën

d)

Longen - zoogdieren

33.

Welke stelling(en) is/zijn juist?

a)

Een mens heeft een inwendig skelet en is koudbloedig in de winter

b)

Een mens heeft een uitwendig skelet en is warmbloedig

c)

Een sprinkhaan heeft een uitwendig skelet en is koudbloedig

d)

Een sprinkhaan heeft een uitwendig skelet en is warmbloedig

34.

Bij welke groep van de dieren bestaan de poten uit meerdere stukjes?

(a)  

35.

Welke van onderstaande dieren ademen met longen?

(er kunnen meerdere antwoorden goed zijn)

a)

Vissen

b)

Amfibieën

c)

Reptielen

d)

Vogels

e)

Zoogdieren

36.

Bij welke groep komen dieren voor met een huisje of schelp?

a)

Holtedieren

b)

Stekelhuidigen

c)

Weekdieren

d)

Wormen

37.

Welk van onderstaande dier stammen heeft een inwendig skelet? 2 antwoorden.

a)

neteldieren en wormen

b)

weekdieren

c)

geleedpotige

d)

stekelhuidige

e)

gewervelde

38.

Veelpotigen behoren tot de geleedpotigen. Welke groepen behoren er nog meer tot de stam geleedpotigen?

3 antwoorden:

a)

stekelhuidige

b)

spinachtige

c)

insecten

d)

kreeftachtige

e)

neteldieren

39.

Wat voor skelet hebben neteldieren?

a)

inwendig

b)

uitwendig

c)

geen

40.

Deze dieren zijn: tweezijdig symmetrisch en hebben een uitwendig skelet. ook wel een pantser

Deze omschrijving hoort bij de stam:

a)

sponzen

b)

neteldieren

c)

geleedpotige

d)

stekelhuidige

e)

gewervelde

41.

Deze dieren zijn: veelzijdig symmetrisch en hebben een inwendig skelet van kalk.

Deze omschrijving hoort bij de stam:

a)

sponzen

b)

neteldieren

c)

geleedpotige

d)

stekelhuidige

e)

gewervelde

42.

Deze dieren zijn koudbloedig, hebben droge schubben, leggen eieren met leerachtige schaal.

Bij welke van de groep uit de gewervelde hoort deze omschrijving?

a)

vissen

b)

amfibieën

c)

reptielen

d)

vogels

e)

zoogdieren

43.

Welke groep uit de stam gewervelde is levend barend?

a)

vissen

b)

amfibieën

c)

reptielen

d)

vogels

e)

zoogdieren

44.

Deze dieren halen ook adem via de huid, hebben een slijmerige huid, leggen eieren zonder schaal

Bij welke van de groep uit de gewervelde hoort deze omschrijving?

a)

vissen

b)

amfibieën

c)

reptielen

d)

vogels

e)

zoogdieren

45.

insecten hebben:

a)

2 poten

b)

4 poten

c)

6 poten

d)

8 poten

e)

meer dan 10 poten

46.

spinnen / spinachtige hebben:

a)

2 poten

b)

4 poten

c)

6 poten

d)

8 poten

e)

meer dan 10 poten

47.
Welke 5 klassen van gewervelde dieren zijn er?
a)
sponzen, stekelhuidigen, wormen, amfibieën en vissen
b)
zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën en vissen
c)
zoogdieren, vogels, geleedpotigen, wormen en reptielen
d)
vogels, reptielen, vissen, geleedpotigen, en sponzen
48.
Bij welke hoofdafdeling hoort de kwal?
a)
Holtedieren
b)
Kwallen
c)
Weekdieren
d)
Sponzen
49.
Waar of niet waar? Een wants (zie het plaatje) is tweezijdig symmetrisch.
a)
Waar
b)
Niet waar
50.
Op basis van welke kenmerken worden de vier grote groepen ingedeeld?
a)
celkern, cytoplasma, celwand
b)
celkern, cytoplasma, celmembraan
c)
celkern, celwand, bladgroenkorrels
d)
celkern, bladgroenkorrels, cytoplasma
51.
Welke drie afdelingen ken je binnen het rijk van de planten?
a)
Wieren, naaktzadigen en sporenplanten
b)
Wieren, sporenplanten en zaadplanten
c)
Wieren, paardenstaarten en zaadplanten
d)
Varens, blaaswieren en zaadplanten
52.
Wat is de juiste volgorde van klein naar groot?
a)
ras - soort - geslacht - familie - orde - klasse - afdeling - rijk
b)
ras - geslacht - soort - familie - orde - klasse - afdeling - rijk
c)
ras - geslacht - soort - orde - familie - klasse - afdeling - rijk
d)
ras - soort - geslacht - orde - familie - klasse - afdeling - rijk
53.

Welk dier hoort bij de geleedpotigen?

a)
b)
c)
d)
54.

Bij welke geleedpotige bestaat het gehele lichaam uit segmenten?

a)

Kreeftachtigen

b)

Spinachtigen

c)

Insecten

d)

Duizendpoten

55.

Bij welke klasse hoort dit dier?

a)

Kreeftachtigen

b)

Spinachtigen

c)

Geleedpotigen

d)

Reptielen

56.

Prokaryoten zijn altijd eencellige organismen.

a)

Juist

b)

Onjuist

57.

In een dierengids staat bij een foto de volgende beschrijving: 'De dieren zijn niet-symmetrisch. Ze hebben een skelet van stevige hoornvezels tussen de cellen en ze leven vastzittend op de bodem van de zee.'


Welke dieren zijn op de foto in de dierengids te zien?

a)

Neteldieren

b)

Stekelhuidigen

c)

Sponzen

d)

Weekdieren

58.

De gewervelden is één van de groepen waarin zoogdieren worden ingedeeld.


Hoe wordt de groep van de zoogdieren genoemd?

a)

Een familie

b)

Een geslacht

c)

Een klasse

d)

Een stam

59.

Welk van de volgende cellen heeft GEEN vacuole?

a)

Dierlijke cel

b)

Plantaardige cel

c)

schimmel cel

60.

Orka's leven in de oceaan. Ze halen adem door naar het oppervlakte van het water te zwemmen. En orka's zijn levendbarend.


Onder welke klasse hoort de orka?

a)

Reptielen

b)

Zoogdieren

c)

Vissen

d)

Amfibiën

61.

Behoren deze twee organismen tot dezelfde soort?

a)

Ja

b)

Nee

62.

Welke STAM is het grootst in het dierenrijk wat betreft het aantal diersoorten?

a)

geleedpotigen

b)

chordata

c)

stekelhuidigen

d)

insecten

63.

Waar bewaren mossen hun sporen?

a)

In sporendoosjes

b)

In sporenhoopjes

c)

In zaadlobben

64.

Welke klassen van de gewervelden dieren is koudbloedig? Hier zijn meerdere antwoorden goed.

a)

Vogels

b)

Reptielen

c)

Zoogdieren

d)

Amfibieën

e)

Vissen

65.

Hoe heten de 3 segmenten van een insect?

a)

Hoofd, schouders, knieën

b)

Inwendig, uitwendig en geen skelet

c)

Kop, borststuk en achterlijf

66.

Welke klassen van de geleedpotigen is het grootst?

a)

Kreeftachtigen

b)

Veelpotigen

c)

Insecten

d)

Spinachtigen

67.
Welke cel heeft geen celkern?
a)
een bacterië 
b)
een schimmel
c)
een plant
d)
een dier
68.
Wat is de functie van de celkern?
a)
geeft volume aan de cel
b)
geeft stevigheid aan de cel 
c)
regelt de gebeurtenissen in de cel 
d)
heeft geen doel
69.
Hoe planten bacteriën zicht voort?
a)
door knopvorming
b)
door deling 
c)
door zaadvorming
d)
met sporedraden
70.
Welk voedingsmiddel wordt gemaakt met behulp van bacteriën?
a)
brood
b)
eieren
c)
fruitsap
d)
yoghurt
71.

Wat voor soort cel is te zien op het plaatje?

a)

Dierlijke cel

b)

Plantencel

72.

Wat is antibiotica?

a)

Goedaardige bacteriën in je darmen

b)

Bacteriën die helpen yoghurt en zuurkool te maken

c)

Een medicijn om bacteriën te bestrijden

d)

Een ziekte die veroorzaakt wordt door een bacterie