wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 13 en 14

Total questions: 44

Worksheet time: 45mins

Name
Class
Date
1.

Jeroen heeft soms een aanval van ernstige benauwdheid. Hij heeft dit vooral als er huisdieren in de buurt zijn. Na een tijdje gaat de benauwdheid over en kan hij weer normaal ademhalen.

Van welke aandoening heeft Jeroen waarschijnlijk last?

a)

Astma

b)

Chronische bronchitis

c)

Hooikoorts

d)

Longemfyseem

2.
Welke doorsnede hoort bij een astma-aanval
a)
de linker
b)
de rechter
c)
allebei
d)
geen van twee
3.

Hooikoorts is eveneens een longaandoening. De stelling hierbij: iedereen heeft altijd in de maand mei last van hooikoorts. Is dit waar of niet waar en waarom wel of niet.

a)

waar, in de maand mei zit er stuifmeel in de lucht

b)

waar, alleen in de maand mei zit er stuifmeel in de lucht

c)

niet waar, in alle maanden zit er stuifmeel in de lucht

d)

niet waar, mensen zijn gevoelig voor een bepaald type stuifmeel, dit kan vrijkomen op verschillende momenten van het jaar

4.

Wordt astma veroorzaakt door roken? En COPD?

a)

Geen van beide wordt door roken veroorzaakt

b)

Alleen astma wordt door roken veroorzaakt

c)

Alleen COPD wordt door roken veroorzaakt

d)

Zowel astma als COPD worden door roken veroorzaakt

5.

In de afbeelding zie je de onderste helft van de bek en de kieuwholten van een vis.

Met welk nummer worden de kieuwplaatjes aangegeven?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

6.

Een snoek is een roofvis die in helder, zoet water leeft. Op een bepaald moment is bij een snoek de bek gesloten en zijn de kieuwdeksels geopend. Op dat moment wordt er water naar …...

a)

buiten geperst

b)

binnen geperst

7.

Op de bodem van een diepe vijver kan een kikker goed overwinteren. De temperatuur wordt daar nooit lager dan 0 °C.

Met welk orgaan zal de kikker tijdens de winter ademhalen?

a)

Alleen met de huid

b)

alleen met de longen

c)

met de huid en longen

8.
Zoogdieren halen adem met
a)
longen
b)
kieuwen
c)
celmembraan
d)
tracheeën
9.

Hoe heten de openingen aan de zijkant van het achterlijf van een rups?

a)

Tracheeën

b)

Stigma's

10.
Reptielen halen adem met
a)
longen
b)
huid
c)
huid en longen
d)
kieuwen
11.
Volwassen amfibieën halen adem met
a)
longen
b)
huid
c)
huid en longen
d)
kieuwen
12.

Bloed bestaat uit:

a)

Bloedplasma en water

b)

Bloedplasma en eiwitten

c)

Bloedplasma, bloedcellen en bloedplaatjes

d)

Bloedplasma en afvalstoffen

13.

Waaruit bestaat bloedplasma voor het grootste deel?

a)

Hormonen

b)

Antistoffen

c)

Eiwitten

d)

Water

14.

Welke soort bloedcel zie je hier en wat is zijn functie

a)

Witte bloedcel, speelt een rol bij zuurstoftransport

b)

Rode bloedcel, speelt een rol bij de afweer

c)

Witte bloedcel, speelt een rol bij de afweer

d)

Rode bloedcel, speelt een rol bij zuurstoftransport

15.

Wat is de functies van de bloedplaatjes?

a)

Zuurstoftransport

b)

afweer

c)

bloedstolling

d)

kleur aan bloed geven

16.

Welke bloedgroep is de algemene donor omdat het geen antigenen heeft?

a)

A

b)

B

c)

AB

d)

O

17.

Welke bloedgroep is de algemene ontvanger omdat het geen antistoffen heeft?

a)

A

b)

B

c)

AB

d)

O

18.

Welke antistoffen heeft een persoon met bloedgroep A positief in zijn bloed zitten?

a)

antistof A en resusantistof

b)

antistof B en resusantistof

c)

antistof A en antistof B

d)

antistof B

19.

In dit bloedvat stroomt het bloed van je hart naar een orgaan

a)

Slagader

b)

Haarvat

c)

Ader

20.

In dit bloedvat is de bloeddruk laag

a)

Slagader

b)

Ader

21.

Bij dit bloedvat is de wand één cellaag dik.

a)

Slagader

b)

Haarvat

c)

Ader

22.

In de afbeelding zie je een..

a)

Slagader

b)

Haarvat

c)

Ader

23.

Nummer 5 gaat van het hart naar de longen.

Dit bloedvat heet de...

a)

Longader

b)

Longslagader

c)

Hartslagader

d)

Zuurstofader

24.

Nummer 1 gaat van je hart af naar de hersenen, dit bloedvat heet de (a)   (LET OP! Uitzondering)

25.

Nummer 11 gaat van je hart af naar een nier, dit bloedvat heet de...

a)

Nierader

b)

Nierslagader

c)

Hartnierader

d)

Nierhaarvat

26.

In de haarvaten van de longen wordt zuurstof opgenomen in het bloed. Bij welke bloedsomloop horen de haarvaten van de longen?

a)

Grote bloedsomloop

b)

Kleine bloedsomloop

c)

Grote en kleine bloedsomloop

27.
Via de armslagaders komt er bloed in je armen en handen. Bij welke bloedsomloop horen de armslagaders? 
a)
Grote bloedsomloop
b)
Kleine bloedsomloop
c)
Grote en kleine bloedsomloop
28.

Het bloed stroomt van een kuitspier via de longen weer terug naar dezelfde kuitspier. Het bloed gaat daarbij minstens tweemaal door het hart. De weg die het bloed hierbij door het hart aflegt is achtereenvolgens:

a)

Linkerkamer - linkerboezem - rechterkamer - rechterboezem

b)

Linkerboezem - linkerkamer - rechterboezem - rechterkamer

c)

Rechterkamer - rechterboezem - linkerkamer - linkerboezem

d)

Rechterboezem - rechterkamer - linkerboezem - linkerkamer

29.
Een hartslag gaat in 3 stappen
a)
1. Boezems trekken samen
2. Kamers trekken samen
3. Hartpauze
b)
1. Boezems trekken samen
2. Hartpauze
3. Kamers trekken samen
c)
1. Hartpauze
2. Boezems trekken samen
3. Kamers trekken samen
d)
1. Hartpauze
2. Kamers trekken samen
3. Boezemstrekken samen
30.

Kijk goed naar de afbeelding. De naam van nummer 4 is

a)

aorta

b)

longader

c)

longslagader

d)

holle ader

31.

Kijk goed naar de afbeelding. Als de kamers zich samentrekken zijn de hartkleppen ...

a)

open

b)

gesloten

32.

De kleine bloedsomloop heeft als doel..

a)

zuurstof afgeven en koolstofdioxide opnemen

b)

zuurstof opnemen en koolstofdioxide afgeven

33.

Welk nummer is de holle ader?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

7

34.
Op deze rode bloedcel zitten twee verschillende antigenen. Welke bloedgroep is dit?
a)
A
b)
B
c)
AB
d)
O
35.
Bij welk type bloedvaten kunnen witte bloedcellen door de wand heen?
a)
Slagaders
b)
Aders
c)
Haarvaten
d)
Poortader
36.

Een moeder heeft een bloedgroep van Rh+ en is zwanger. Een gezonde baby Sjaak junior wordt via een natuurlijke weg geboren. Zou hij Rh + of Rh- zijn?

a)

Rh+

b)

Rh-

c)

Non binair

37.

Hoe heet de vloeistof tussen de cellen aangegeven met nummer 7?

a)

Weefselvloeistof

b)

Lymfe

c)

Bloedplasma

d)

Celplasma

38.

Bij nummer 4 verlaat bloedplasma een haarvat. Wat zit er veel in dit bloedplasma, geef 2 antwoorden?

a)

Koolstofdioxide

b)

Zuurstof

c)

Afvalstoffen

d)

Voedingsstoffen

39.

Wat is geen onderdeel van het inwendige milieu?

a)

Weefselvloeistof

b)

Slijmlaag in de longen

c)

Bloedplasma

40.

De onderdelen van de nier van buiten naar binnen zijn:

a)

Nierschors - niermerg - nierbekken

b)

Nierschors - nierbekken - niermerg

c)

Niermerg - nierbekken - nierschors

d)

Niermerg - nierschors - nierbekken

41.

Welke stof produceert de lever?

a)

Gal

b)

Maagzuur

c)

Bloedcellen

d)

Speeksel

42.

Wat hoort bij de beschrijving:

VAN inwendig milieu NAAR uitwendig milieu

a)

Uitscheiding

b)

Voedsel opnemen

c)

Reserves aanvullen

d)

Inademen

43.

Wat krijg je ingeënt bij een vaccinatie?

a)

Dode ziekteverwekkers

b)

Zwakke ziekteverwekkers

c)

Levende ziekteverwekkers

d)

1 ziekteverwekker

44.

Welke laag van de opperhuid bestaat uit dode cellen?

a)

Onderhuids bindweefsel

b)

Lederhuid

c)

Kiemlaag

d)

Hoornlaag