wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefenen hart en bloedvaten

Total questions: 59

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.
Hoe heet onderdeel 1
a)
Linkerboezem
b)
Llinkerkamer
c)
Rechterboezem
d)
Rechterkamer
2.
Hoe heet onderdeel 3
a)
aorta
b)
bovenste holle ader
c)
onderste holle ader
d)
kransslagader
3.
Met welke nummer wordt  linkerkamer aangeven?
a)
7
b)
9
c)
10
d)
12
4.
Met welke nummer word de longslagader aangeven?
a)
2
b)
4
c)
5
d)
6
5.
In de ......... stroomt het bloed dat rijk is  aan koolstofdioxide
a)
aorta
b)
Darmslagader
c)
longader
d)
poortader
6.
Welke kenmerk hoort niet bij slagaders?
a)
Liggen diep in het lichaam
b)
Hoge bloed druk
c)
Dikke elastische wand
d)
Bevat veel kleppen
7.
Welke onderstaande bloedvaten is zuurstofarm
a)
Aorta
b)
Kransslagader
c)
Longslagader
d)
Longader
8.
De stoffen zuurstof, voedingsstoffen, koolstofdioxide zitten in?
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedplaatjes 
d)
Bloedplasma
9.
In de afbeelding hiernaast tref je een aantal verschillende bloeddeeltjes aan. Wat wordt in de afbeelding aangegeven met nummer 3
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedpaatjes
d)
Bloedplasma
10.
Met welke nummer wordt witte bloedcellen aangeven?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
11.
Het hart heeft veel spierweefsel.
Welk deel van het hart is het meest gespierd?
a)
Linkerboezem
b)
Rechterboezem
c)
Linkerkamer
d)
Rechterkamer
12.
Welk  bloedbestanddeel van de mens is het meest geschikt om voedingsstoffen te transporteren (vervoeren)?
a)
Rode bloedcellen
b)
Bloedplaatjes 
c)
Witte bloedcellen
d)
Bloedplasma
13.

In de afbeelding zie je het hart met longen en een aantal bloedvaten. De weg die het bloed door het lichaam aflegt, noem je de bloedsomloop. Welke bloedsomloop zie je in deze afbeelding?

a)

Grote bloedomloop

b)

Kleine bloedsomloop

c)

Geen bloedsomloop

14.

Wat is het grootste bloedvat van ons lichaam?

a)

aorta

b)

longslagader

c)

poortader

d)

borstbuis

15.

Wat is een belangrijk kenmerk van haarvaten?

a)

Haarvaten vervoeren het bloed naar het hart toe

b)

Haarvaten hebben dikke wanden

c)

Haarvaten hebben zeer dunne, halfdoorlatende wanden

d)

Haarvaten vervoeren het bloed van het hart af

16.

Wat is een belangrijk kenmerk van aders?

a)

Aders transporteren het bloed naar het hart toe

b)

Aders wisselen vocht uit met het omliggende weefsel

c)

Aders hebben geen kleppen

d)

Aders transporteren het bloed van het hart af

17.

Er bestaan twee typen bloedcellen: witte bloedcellen en rode bloedcellen.

a)

Juist

b)

Onjuist

18.

In bloedplasma komen bloedplaatjes voor.

a)

Juist

b)

Onjuist

19.

Klik aan wat er in bloedplasma aanwezig is. (Er kunnen meerdere antwoorden goed zijn)

a)

Bloedplaatjes

b)

Eiwitten

c)

Water

d)

Bloedcellen

e)

Opgeloste stoffen

20.

Rode bloedcellen krijgen hun rode kleur door een bepaald stofje. Door deze stof worden de rode bloedcellen niet alleen rood, maar kunnen ze ook makkelijk zuurstof opnemen.

Hoe heet deze stof?

(a)  

21.

In de afbeelding zie je schematisch het hart. Welk onderdeel wordt met 5 aangegeven?

a)

longader

b)

longslagader

c)

aorta

d)

bovenste holle ader

22.

Waar zorgen bloedplaatjes voor?

a)

Bloedstolling

b)

Bescherming

c)

Zuurstof vervoeren

d)

Fotosynthese

23.

Wat is dit voor een bloedvat?

a)

slagader

b)

ader

c)

haarvat

24.

Welke hartkamer heeft zuurstofrijk bloed?

a)

linkerhartkamer

b)

rechterhartkamer

25.

Door welke eigenschap kunnen witte bloedcellen hun functie ook buiten de bloedvaten vervullen?

a)

geen celkern

b)

ze zijn erg klein

c)

grote aantallen in het bloed

d)

ze kunnen van vorm veranderen

26.

Hoe noem je het bloedvat dat zuurstofrijk bloed naar het lichaam vervoert?

a)

De aorta

b)

Bovenste holle ader

c)

Holle slagader

d)

Lichaamsslagader

27.

Waar zitten de halvemaansvormige kleppen?

a)

tussen boezem en kamer

b)

aan het begin van de aorta

c)

aan het begin van de longslagader

d)

aan het begin van de longader

28.

Hoe noemen we deze kleppen?

a)

hartkleppen

b)

halvemaanvormige kleppen

29.

Waar zitten hartkleppen?

a)

tussen de kamer en de boezem

b)

tussen de boezem en de kamer

c)

in de aders

d)

in de slagaders

30.

De aorta gaat van het hart af. Welke ader gaat weer naar het hart toe met afvalstoffen en CO2?

a)

longader

b)

bovenste holle ader

c)

onderste holle ader

31.

Hoe heet onderdeel nummer 3?

a)

Rode bloedcel

b)

Bloedplaatje

c)

Witte bloedcel

d)

bloedplasma

32.

Wat is de functie van onderdeel 3?

a)

Bacteriën & ziekteverwekkers doden

b)

Bacteriën & ziekteverwekkers aanmaken

c)

Zuurstof vervoeren

d)

Voedingsstoffen vervoeren

33.

Bestaat etter uit dode rode bloedcellen?

a)

Ja

b)

Nee

34.

Trombose is een .............. binnen een bloedvat. Het bloedvat kan hierdoor afgesloten worden.

Welk woord hoort op de puntjes te staan?

a)

Bloedstolsel

b)

Rode bloedcel

c)

stukje eten

d)

alles is onjuist

35.

Josien voelt zich niet zo goed. Ze is snel moe en heeft geen energie.

Wat kan hiervan de oorzaak zijn?

a)

Een tekort aan hemoglobine

b)

Een tekort aan witte bloedcellen

c)

Een tekort aan bloedplasma

d)

Een tekort aan bloedplaatjes

36.

Wat is het eerstvolgende onderdeel van de bloedsomloop waar het bloed doorheen stroomt na de linkerkamer?

a)

longslagader

b)

rechterboezem

c)

longader

d)

aorta

37.

Wat zijn de drie functies van de lymfecirculatie?

a)

DRAINAGE

b)

AFWEER

c)

AFBRAAK

d)

TRANSPORT

38.
Als je niet langer gevoelig bent voor een ziekteverwekker, ben je...
a)
Beter
b)
Gezond
c)
Immuun
d)
Resistent
39.

Natuurlijk immuniteit is...

a)

wanneer je natuurlijke antistoffen ingespoten krijgt

b)

wanneer je kunstmatige antistoffen ingespoten krijgt

c)

wanneer je zelf natuurlijke antistoffen maakt

d)

wanneer je zelf kunstmatige antistoffen maakt

40.

hoe noem je de eiwitten die op een ziekteverwekker zit?

a)

lichaamseigen eiwitten

b)

lichaamsvreemde eiwitten

c)

antigenen

d)

antistoffen

41.

Hoe noem je het type bloedcel dat witte bloedcellen omsluit en onschadelijk maakt?

a)

antistof

b)

antigeen

c)

bloedcel die antistoffen maakt

d)

vreetcellen

42.

De eiwitten aan de buitenkant van cellen, waaraan de witte bloedcel kan zien of de cellen lichaamseigen, of lichaamsvreemd zijn noem je ...

(a)  

43.

Wat zijn antistoffen?

a)

Lichaamsvreemde stoffen

b)

Ziekteverwekkers

c)

Een soort organisme

d)

Een stofje wat door witte bloedcellen wordt gemaakt

44.

Een vaccin bevat dode of verzwakte ziekteverwekkers

a)

Waar

b)

Niet waar

45.

Kunstmatige immuniteit is...

a)

...als je een vaccin toegediend krijgt

b)

...als je witte bloedcellen ingespoten krijgt

c)

...als jouw lichaam zelf antistoffen aanmaakt na een vaccinatie

d)

... als jouw lichaam zelf antigenen aanmaakt na een vaccinatie

46.

Welk groot bloedvat ontspringt uit de rechterkamer van het hart?

a)

longader

b)

longslagader

c)

aorta

d)

holle ader

47.

Wat is een belangrijk kenmerk van aders?

a)

Aders transporteren het bloed naar het hart toe

b)

Aders wisselen vocht uit met het omliggende weefsel

c)

Aders hebben geen kleppen

d)

Aders transporteren het bloed van het hart af

48.

Waar zitten de halvemaansvormige kleppen?

a)

tussen boezem en kamer

b)

aan het begin van de aorta

c)

aan het begin van de longslagader

d)

aan het begin van de longader

49.

Is de longslagader zuurstofrijk of zuurstofarm?

a)

zuurstofrijk

b)

zuurstofarm

50.

Waaruit bestaat het bloedvatenstelsel van de mens?

a)

hart

b)

hersenen

c)

bloedvaten

d)

zenuwen

51.
Bloedvat C heeft
a)
geen kleppen in de wanden
b)
wel kleppen in de wanden
52.

ALLE slagaders vervoeren zuurstofrijk bloed

a)

Juist

b)

Onjuist

53.

Welke helft van het hart bevat bloed met veel zuurstof?

a)

rechterhelft

b)

linkerhelft

54.
Ziekteverwekkers worden gedood door ?
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedplaatjes
d)
Bloedplasma
55.
Hoe heet de rode kleurstof in de  rode bloedcel?
a)
Bloedplasma
b)
IJzer
c)
Hemoglobine
56.
Hoe heten de systemen die voorkomen dat je ziek wordt?
a)
Genezen
b)
Afweersystemen
c)
Ziektepreventie
d)
Vaccineren
57.
Trombose is...
a)
een wondje dat niet stopt met bloeden
b)
een wondje dat is ontstoken
c)
een bloedpropje in een bloedvat
d)
een muziekinstrument
58.

De dubbele bloedsomloop gaat bij een omloop 2 keer door ......

a)

de longen

b)

het hart

c)

de organen

d)

de hersenen

59.
Rode Bloedcellen hebben een celkern en vervoeren zuurstof
a)
Juist
b)
Onjuist