wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

tekstverbanden h2

Total questions: 28

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.

We hebben haar afgewezen vanwege haar beperkte kennis van de markt. Daarnaast heeft zij weinig ervaring als leidinggevende.

a)

tegenstellend

b)

chronologisch

c)

vergelijkend

d)

opsommend

2.

Ik ben van mening dat we met dit product moeten stoppen, maar daar denkt mijn zakenpartner anders over.

a)

oorzakelijk

b)

toelichtend

c)

tegenstellend

d)

voorwaardelijk

3.

We begonnen met een handjevol mensen. Daarna meldde zich een aantal vrijwilligers. Nu is ons gebouw al te klein.

a)

chronologisch

b)

voorwaardelijk

c)

oorzakelijk

d)

doel-middel

4.

Mijn oom kwam in een lange file terecht. Daardoor kwam hij te laat op de receptie.

a)

Doel-middel

b)

redengevend

c)

vergelijkend

d)

oorzakelijk

5.

1.     De meiden in onze klas leggen de lat niet al te hoog. Neem bijvoorbeeld Alexa. Zij gaat altijd voor een 5,5.

a)

oorzakelijk

b)

toelichtend

c)

chronologisch

d)

tegenstellend

6.

Als jij alles voor mij inpakt, koop ik iets lekkers voor onderweg.

a)

voorwaardelijk

b)

oorspronkelijk

c)

oorwaardelijk

d)

voorzakelijk

7.

Net als in Amerika gaan ook in Europa steeds meer mensen naar fastfoodketens.

a)

vergelijkend

b)

toelichtend

c)

opsommend

d)

doel-middel

8.

Omdat het klimaat snel verandert, gaat het waterschap de dijken in een hoog tempo ophogen.

a)

redengevend

b)

samenvattend

c)

concluderend

d)

tegenstellend

9.

Mijn buurman volgt een cursus Engels, zodat hij de kans op een internationale carrière vergroot.

a)

doel-middel

b)

opsommend

c)

chronologisch

d)

fonologisch

10.

Ik trok de hele dag met de kinderen op, hoewel ik eigenlijk doodmoe was.

a)

Toegevend

b)

chronologisch

c)

voorwaardelijk

d)

a-typisch

11.

Samengevat ben ik zwaar teleurgesteld.

a)

Samenvattend

b)

doel-middel

c)

oorzakelijk

d)

concluderend

12.

Het is dus belangrijk regelmatig het huiswerk te controleren.

a)

concluderend

b)

chronologisch

c)

oorzakelijk

d)

voorwaardelijk

13.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'bijvoorbeeld'?

a)

Toegevend

b)

Toelichtend

c)

Vergelijkend

d)

Opsommend

14.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'indien'?

a)

Voorwaardelijk

b)

Tegenstellend

c)

Concluderend

d)

Doel-middel

15.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'kortom'?

a)

Concluderend

b)

Doel-middel

c)

Voorwaardelijk

d)

Oorzakelijk

16.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'bovendien'?

a)

Redengevend

b)

Opsommend

c)

Vergelijkend

d)

Toelichtend

17.

Citeer het signaalwoord dat niet klopt: Ik ga met plezier naar school, omdat ik leuke vriendinnen heb met wie ik in de pauze praat. Daarnaast vind ik het fijn dat we best vroeg uit zijn. In de klas heb ik het ook leuk door de fijne sfeer. Aan de andere kant zijn de docenten goed in uitleggen.

(a)  

18.

Het signaalwoord 'echter' duidt op een...

a)

chronologisch verband

b)

opsommend verband

c)

tegenstellend verband

d)

toelichtend verband

19.

Het signaalwoord 'maar' duidt op een...

a)

chronologisch verband

b)

opsommend verband

c)

tegenstellend verband

d)

toelichtend verband

20.

Voorbeelden van signaalwoorden zijn:

a)

Maar, en, toch, daarna, ten slotte.

b)

Dat, doen, daar, het, om, uit.

c)

Juist, deze, hij, die.

d)

Geen van allen.

21.

Welk van de volgende signaalwoorden hoort niet bij een opsommend verband?

a)

bovendien

b)

echter

c)

als laatste

d)

vervolgens

22.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen?

Slechte nachtrust zorgt voor chagrijnige mensen . Ook ongezonde voeding zorgt voor een slecht humeur.

a)

Tijdsvolgorde

b)

Tegenstelling

c)

Oorzaak-gevolg

d)

Opsomming

23.

Veel teksten bestaan achtereenvolgens uit een:

a)

inleiding, kern en slot

b)

begin, hoofdzaak en bijzaken

c)

begin en eind

d)

inleiding, onderwerp en alinea's

24.

Waar vind je kernzinnen?

a)

Geen idee

b)

De 1e, laatste en soms de 2e zin van een alinea

c)

De 1e of de laatste zin van een alinea

d)

Geen van alle antwoorden

25.

Wat is een kernzin?

a)

De titel

b)

De zin die precies in het midden van een tekst staat

c)

De belangrijkste zin van een alinea

d)

De eerste zin van een alinea

26.

Wat is de hoofdgedachte van een tekst?

a)

Wat de schrijver over het onderwerp wil vertellen

b)

Waar jij denkt dat de tekst over gaat

c)

Een werkwoord

d)

De gedachte van een personage in een boek

27.

Wat is het onderwerp van een biografie over jou?

a)

Dat weet je niet zonder het boek gelezen te hebben.

b)

Een boek heeft nooit een onderwerp.

c)

Dat ben ik zelf.

d)

Poetin zoals hij het zelf zou vertellen.

28.

De persoonsvorm is ALTIJD een (a)