wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

oefentoets ordening

Total questions: 56

Worksheet time: 29mins

Name
Class
Date
1.

Welk kenmerk hebben gewervelden allemaal?

a)

Een inwendig skelet van kalk

b)

Leggen eieren met een schaal

c)

Hebben een huid met een vacht

d)

Hebben allemaal een skelet van alleen maar botweefsel

2.

Welk celkenmerk heeft het rijk van de bacteriën wel?

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Vacuole

d)

Bladgroenkorrels

3.

Welk dier hoort bij de geleedpotigen?

a)
b)
c)
d)
4.

Met welk nummer is het DNA weergegeven?

a)

4

b)

8

c)

5

d)

3

5.

Een bacterie deelt zich iedere 20 minuten. Ik begin met 20 bacteriën. Hoeveel heb ik er na een uur?

a)

100

b)

80

c)

120

d)

160

6.

Welke afdeling heeft geen wortels, geen bladeren en geen stengels?

a)

Sporenplanten

b)

Bedektzadigen

c)

Mossen

d)

Wieren (algen)

7.

Er is een groep planten met vaatbundels en waar de sporen in sporenvormende orgaantjes liggen. Welke?

a)

Mossen

b)

Varens

c)

Paardenstaarten

d)

Naaktzadigen

e)

Bedektzadigen

8.

Waar kan bij deze tulp glucose worden gemaakt?

a)

In de bladeren

b)

In de bloemen

c)

In de wortels

d)

In de stengel

9.

Bij welke afdeling hoort deze plant?

a)

Naaktzadigen

b)

Bedektzadigen

c)

Planten

d)

Zaadplanten

10.

Bij welke afdeling hoort een kikker?

a)

Amfibieën

b)

Reptielen

c)

Gewervelden

d)

Dieren

11.

Welke groepen horen bij de weekdieren?

a)

Kwallen

b)

Intvissen

c)

Octopussen

d)

Slakken

e)

Schelpdieren

12.

In de afbeelding zie je een dier. Tot welk rijk, welke stam en welke klasse behoort dit organisme?

a)

Rijk: dieren, Stam: geleedpotigen en Klasse: insecten

b)

Rijk: dieren, Stam gewervelden en Klasse: zoogdieren

c)

Rijk: dieren, Stam: gewervelden en Klasse: insecten

d)

Rijk: dieren, Stam: geleedpotigen en Klasse: kreeftachtigen

13.

In de afbeelding kun je een cel zien. Tot welk rijk behoort een organisme met dit soort cellen?

(a)  

14.

Weekdieren leven alleen in het water.

a)

Waar

b)

Niet waar

15.

Waar komen amfibieën voor?

a)

Op het land

b)

In de lucht

c)

In het water

16.

Welke kenmerken heeft een bacterie cel?

(a)  

17.

In de afbeelding zie je een organisme. Welke uitspraken kloppen?

a)

Deze schimmel is meercellig.

b)

Deze schimmel plant zich voor door middel van sporen.

c)

Deze schimmel is eencellig.

d)

Dit is geen schimmel.

18.

Welk dier is niet-symetrisch?

a)

Kwal

b)

Slak

c)

Gele buis spons

d)

Zee-egel

19.

In de afbeelding zie je een dier. Wat voor skelet heeft dit dier?

a)

Een inwendig skelet.

b)

Een uitwendig skelet.

c)

Geen skelet.

20.

Wat voor soort eieren legt een kip?

a)

Eieren zonder schaal.

b)

Eieren met een leerachtige schaal.

c)

Eieren met een kalk schaal.

d)

Een kip legt geen eieren.

21.

Bacteriën bestaan uit meerdere cellen

a)

juist

b)

onjuist

22.

Bacteriën spelen een rol bij de productie van rode wijn

a)

juist

b)

onjuist

23.

Paddenstoelen behoren tot het rijk van de schimmels

a)

Juist

b)

Onjuist

24.

Bekijk het plaatje. Bij welk rijk hoort deze cel?

a)

Bacteriën

b)

Schimmels

c)

Planten

d)

Dieren

25.

Welke uitspraak klopt over bacteriën en schimmels?

a)

Een bacterie heeft een celkern en een schimmel niet.

b)

Een bacterie heeft geen celkern en een schimmel wel.

c)

Een bacterie heeft geen celmembraan en een schimmel ook niet.

d)

Een bacterie heeft een celwand en een schimmel niet.

26.

Zijn reducenten nuttig of gevaarlijk?

a)

Nuttig, want ze zetten resten van organismen om in bouwstoffen.

b)

Nuttig, want ze helpen bij het bereiden van voedingsmiddelen.

c)

Gevaarlijk, want ze kunnen verschillende infecties veroorzaken.

d)

Gevaarlijk, want ze zorgen voor voedselbederf.

27.

Bij zwemmerseczeem is de huid tussen de tenen ontstoken door een schimmel. Hoe kan je zwemmerseczeem ook wel noemen?

a)

Bacteriële infectie

b)

Penicilline

c)

Schimmelinfectie

d)

Infectie

28.

Op het plaatje zijn verschillende onderdelen van verschillende schimmels weergegeven. Bij welk(e) nummer(s) ontstaan sporen?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

1 en 2

e)

1, 2 en 3

29.

Je ziet hier 2 ijsberen. Welke aanpassingen hebben ijsberen dat zij goed kunnen overleven in op de Noordpool?

a)

ze zijn koudbloedig en hebben een dikke vacht

b)

ze zijn koudbloedig en lopen op hun hele voet

c)

ze zijn warmbloedig en hebben een dikke vacht

d)

ze zijn warmbloedig en lopen op hun hele voet

30.

Een dier heeft de volgende kenmerken:

- huid met vacht

- levendbarend

- planteneter

Welke groep is dit?

a)

reptielen

b)

amfibiën

c)

geleedpotigen

d)

zoogdieren

31.

Schimmels planten zich meestal voor met ...

a)

Paddenstoelen

b)

Schimmeldraden

c)

Sporen

d)

Zaden

32.

Welke schimmel wordt gebruikt bij bakken van brood?

(a)  

33.

Wat wordt er bedoeld met een verzamelnaam voor technieken waarbij organismen worden gebruikt om producten te maken voor de mens?

a)

genetische modificatie

b)

transgeen

c)

recombinant-DNA-techniek

d)

biotechnologie

34.
Welk dier heeft geen inwendig skelet?
a)
Ezel
b)
Kip
c)
Salamander
d)
Schorpioen
35.
Welk dier is veelzijdig symmetrisch
a)
Zeekomkommer
b)
Zeebaars
c)
Zeester
d)
Dolfijn
36.
Wat is de functie van het skelet van een dier?
a)
Stevigheid en beweging
b)
Stevigheid en bescherming
c)
Bescherming en verdediging
d)
Bescherming en camouflage
37.
Het huisje van een huisjesslak is een voorbeeld van een...
a)
Inwendig skelet
b)
Beschermend skelet
c)
Hard skelet
d)
Uitwendig skelet
38.
Waarom leven de meeste dieren zonder skelet onder water?
a)
Deze dieren kunnen niet tegen de lucht.
b)
De dieren hebben kieuwen
c)
De dieren hebben geen skelet nodig.
d)
Deze dieren hebben geen stevigheid nodig, omdat alles zweeft onder water.
39.
Dit is een gordeldier. Een gordel dier heeft een ..1.. en is daarom een ...2...
a)
Inwendig skelet - geleedpotigen
b)
Inwendig skelet - gewervelden
c)
Uitwendig skelet - geleedpotigen
d)
Uitwendig skelet - worm
40.

Dieren met een Uitwendig skelet zijn:

(Selecteer meerdere)

a)

Vissen

b)

Mossels

c)

Honden

d)

Krabben

e)

Slakken

41.

Dieren met een inwendig skelet zijn:

(Selecteer meerdere)

a)

Vissen

b)

Mensen

c)

Honden

d)

Slangen

e)

Slakken

42.

Deze vermeerdering van cellen hoort bij welk rijk?

a)

Schimmels

b)

Bacteriën

c)

Planten

d)

Mensen

43.
Welk dier is een zoogdier?
a)
mus
b)
krab
c)
hond
d)
pladijs
44.
Welk dier is géén vogel?
a)
ekster
b)
mol
c)
merel
d)
mus
45.

Welke STAM is het grootst in het dierenrijk wat betreft het aantal diersoorten? Zie cirkeldiagram blz 141 TB

a)

Gewervelden

b)

Geleedpotigen

c)

Neteldieren

d)

Stekelhuidigen

46.

Tot welke STAM van het dierenrijk behoort het dier in de afbeelding?

a)

Stekelhuidigen

b)

Zoogdieren

c)

Gewervelden

d)

Weekdieren

47.

In de afbeelding zie je een wants. Deze is:

a)

Tweezijdig symmetrisch

b)

Niet-symmetrisch

c)

Veelzijdig symmetrisch

48.

Welke uitspraak is waar over het dier in de afbeelding?

a)

Dit dier is niet-symmetrisch

b)

Dit dier behoort tot de stekelhuidigen

c)

Dit dier heeft geen skelet

49.

Tot welk STAM behoort onderstaand organisme?

a)

Sponzen

b)

Neteldieren

c)

Gewervelden

d)

Weekdieren

e)

Geleedpotigen

50.

Tot welke STAM behoort de onderstaande kwal?

a)

Sponzen

b)

Weekdieren

c)

Neteldieren

d)

Stekelhuidigen

e)

Geleedpotigen

51.

Bij welke stammen van het dierenrijk zijn de dieren niet symmetrisch en zitten ze vaak vast op de bodem van de zee?

a)

Sponzen

b)

Neteldieren

c)

Vissen

d)

Stekelhuidigen

52.

Tot welke groep (klasse) behoort het dier in de afbeelding

a)

Insecten

b)

Spinachtigen

c)

Geleedpotigen

d)

Dieren

53.

Tot welke STAM behoort het dier in de afbeelding?

a)

Wormen

b)

Weekdieren

c)

Neteldieren

d)

Stekelhuidigen

54.

Tot welke STAM behoort de kreeft?

a)

Gewervelden

b)

Kreeftachtigen

c)

Geleedpotigen

d)

Stekelhuidigen

55.

Tot welke STAM behoort het dier in de afbeelding?

a)

Weekdieren

b)

Neteldieren

c)

Stekelhuidigen

d)

Sponzen

e)

Gewervelden

56.

Welke STAM zie je NIET in de afbeelding terug?

a)

Stekelhuidigen

b)

Weekdieren

c)

Geleedpotigen

d)

Sponzen

e)

Neteldieren