wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Economie H6

Total questions: 21

Worksheet time: 41mins

Name
Class
Date
1.

Wat is arbeidsproductiviteit?

a)

De toename van de productie per werknemer per tijdseenheid.

b)

De toename van de productie door toename van het personeel.

c)

De productie van een werknemer per tijdseenheid.

d)

De productie van een werknemer door automatisering.

2.

Je hebt een koeriersbedrijf. De bus die je daarvoor koopt, kost €19.900 en gaat 4 jaar mee. Bij inruilen verwacht je er €11.500 voor terug te krijgen.

Wat is de afschrijving per jaar? laat een berekening zien!

(a)  

3.

Wat is een goede bedrijfskolom?

a)

zaadproducent

plantenkwekerij

groenteteeltbedrijf

groenteverwerkingsbedrijf

supermarkt

b)

supermarkt

plantenkwekerij

zaadproducent

groenteverwerkingsbedrijf

groenteteeltbedrijf

c)

zaadproducent

plantenkwekerij

groenteteeltbedrijf

supermarkt

groenteverwerkingsbedrijf

4.

Welk begrip hoort in de zin?

Een marktaandeel is de (a)   als percentage van het totaal in de markt.

5.

welk begrip hoort in de zin?

Als de totale markt gelijk blijft en Soesma met succes toetreedt tot de markt, zal het marktaandeel van de concurrenten..............

a)

gelijk blijft

b)

groter wordt

c)

kleiner wordt

6.

Welk begrip hoort in de zin?

Het organiseren van een maandelijkse modeshow is een voorbeeld van (a)  

7.

Welk begrip hoort in de zin?

De aanwezigheid van een schoonheidsspecialiste in de winkel is een voorbeeld van......

a)

plaatsbeleid

b)

prijsbeleid

c)

productbeleid

8.

Wat is de verkoopprijs van het pak melk?

De inkoopprijs van het pak melk is €0,74 en de brutowinst opslag is 20%.

a)

20:100x0,74=0,15

0,74+0,15= €0,89

b)

100:20x0,74=0,15

0,74+0,15= €0,89

c)

100x20:0,74=0,15

0,74-0,15= €0,89

9.

Wat zijn de antwoorden en de som van dit plaatje?

meerder antwoorden goed!

a)

1,90÷100×109=

€2,07

b)

74÷100×109=

€80,66

c)

1,90÷100×121=

€2,30

d)

74÷100×121=

€89,54

10.

wat is de btw van de consumentenprijs?

je koopt een e-bike van € 2398 inclusief 21% van de verkoopprijs.

a)

2398÷21x121=

€ 13.817,05

b)

2398÷121x21=

€ 416,18

11.

Wat is de omzet? Laat berekening zien!

De sportkantine verkoopt 350 belegde broodjes voor € 4,50 per stuk.

(a)  

12.

Wat is de brutowinst? met berekening!

Met de handel in groente en fruit heb je in een maand €45.879 omzet. De inkoopwaarde van de producten was € 36.704. De bedrijfskosten zijn € 6.327.

(a)  

13.

Wat is de nettowinst? met berekening!

Met de handel in groente en fruit heb je in een maand €45.879 omzet. De inkoopwaarde van de producten was € 36.704. De bedrijfskosten zijn € 6.327.

(a)  

14.

Wat is de arbeidsproductiviteit? Met berekening!

Drie koks werken 9 uur per dag in een restaurant. Per dag bereid zij 405 maaltijden.

(a)  

15.

Wat hoort niet in het rijtje?

a)

consumentenprijs

b)

verkoopprijs

c)

btw

16.

Wat is toegevoegde waarde?

a)

Het aantal producten dat je verkoopt.

b)

Wat producten meer waard worden doordat bedrijven ze bewerken.

c)

De kosten om een bedrijf te kunnen runnen, zoals huur, loonkosten, reclame.

17.

welk begrip hoort bij deze zin?

Het aantal producten dat je verkoopt.

(a)  

18.

Welk begrip hoort bij de zin?

Kosten die mee veranderen als je meer of minder gaat produceren.

(a)  

19.

Wat hoort er niet bij?

a)

Variabele kosten

b)

vaste kosten

c)

maatschappelijke kosten

d)

maatschappelijke

opbrengst

20.

Is het variabele of vasten kosten?

Het loon van een bedrijfsleider is.......

a)

variabele

b)

vasten

21.

Is het vasten of variabele kosten?

Loon van aardbeienplukkers......

a)

vasten

b)

variabele