Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Regeling 3Mavo

Total questions: 36

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de functie van de kleine hersenen

a)

Evenwicht houden

b)

bewuste gewaarwording van prikkels

c)

Coördinatie van bewegingen

2.

Bij welk type zenuwcel ligt alleen het cellichaam in het centrale zenuwstelsel?

a)

Bij een schakelcel

b)

Bij een gevoelszenuwcel

c)

Bij een bewegingszenuwcel

d)

Bij geen van bovenstaande

3.

Wat is de functie van de grote hersenen?

a)

Coordinatie van bewegingen

b)

Bewuste gewaarwording van omgeving

c)

Evenwicht bewaren

d)

Geen van bovenstaande

4.

Wat is de naam van onderdeel en 1 en wat geven de zwarte pijlen (2) aan in dit onderdeel?

a)

1 = celkern, 2 = prikkel

b)

1 = uitloper, 2 = impuls

c)

1 = uitloper, 2 = prikkel

d)

1 = cellichaam, 2 = impuls

5.

Hoe noemen we een elektrisch signaaltje dat van een zintuig af komt?

a)

Prikkel

b)

Neuron

c)

Impuls

d)

Bananen

6.

Welke letter geeft de hersenstam aan?

a)

Q

b)

R

c)

S

d)

T

7.

Hoe noemen we een snelle onbewuste reactie?

a)

Prikkel

b)

Waarneming

c)

Reflex

d)

Zenuw

8.

Wat voor type zenuw is 5?

a)

Gevoelszenuw

b)

Bewegingszenuw

9.

Wat is geen onderdeel van het centraal zenuwstelsel?

a)

Hersenen

b)

Zenuwen

c)

Hersenstam

d)

Ruggenmerg

10.

Je telefoon gaat af en je pakt met je hand de telefoon op. Wat is hier de prikkel?

a)

Je telefoon

b)

Het geluid van de telefoon

c)

Je hand die de telefoon oppakt.

11.

Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Gevoelszenuwcel

b)

Bewegingszenuwcel

c)

Schakelcel

12.

Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Gevoelszenuwcel

b)

Bewegingszenuwcel

c)

Schakelcel

13.

Waar bevindt het cellichaam van de bewegingszenuwcel?

a)

Bij de spieren

b)

In het centraal zenuwstelsel

c)

Bij de zintuigen

14.

Waar bevindt zich het ruggenmerg?

a)

In de schedel

b)

In de wervelkolom

c)

In je bekken

d)

In je opperarmbeen

15.

Waar liggen de cellichamen van de schakelcellen en de bewegingscellen?

a)

In de grijze stof

b)

In de witte stof

c)

In de ruggenmergzenuw

d)

In de zenuwknoop

16.

Wat wordt er aangegeven met 2

a)

Cel lichaam

b)

Celkern

c)

Korte uitloper

d)

Lange uitloper

e)

isolerende laag

17.

Wat wordt er aangegeven met 3

a)

Cel lichaam

b)

Celkern

c)

Korte uitloper

d)

Lange uitloper

e)

isolerende laag

18.
Zenuwen zitten
a)
nergens in je lichaam
b)
overal in je lichaam
c)
ergens in je lichaam
d)
ergens buiten je lichaam
19.
Je neemt pas waar als de impulsen
a)
in je hersenen zijn aangekomen
b)
onderweg zijn naar je hersenen
c)
in je ruggenmerg zijn aangekomen
d)
in je spieren zijn aangekomen
20.
Geluid is een
a)
zintuig
b)
waarneming
c)
prikkel
d)
impuls
21.
Wat is een bewuste reactie?
a)
Schrikken
b)
Terugduwen 
c)
Knipperen met je ogen
d)
Ademen
22.
Wat is een voorbeeld van een reflex?
a)
Terugduwen
b)
Trappen tegen een bal
c)
Kijken naar een film
d)
Het knipperen van je ogen
23.
Waarom heb je reflexen?
a)
Reflexen beschermen het lichaam
b)
Omdat het leuk is
c)
Reflexen zorgen ervoor dat je weet wanneer je het warm of koud heb
24.
Wat is geen hormoonklier?
a)
Schildklier
b)
Bijnieren
c)
Hypofyse
d)
Borstklier
25.
Waar hebben de hormonen geen invloed op?
a)
Groei en ontwikkeling van het lichaam
b)
Op de stofwisseling
c)
Huidskleur
d)
Op de voortplanting
26.

Wat is de functie van hormoonklieren?

a)

Hormoonklieren produceren hormonen.

b)

Hormoonklieren zorgen voor beweging

c)

Hormoonklieren zorgen voor verbranding

d)

Hormoonklieren verwerken prikkels

27.

hoe kunnen hormonen zich verplaatsen?

a)

via zenuwen

b)

via bloed

c)

door de huid

d)

niet

28.

Welke klier maakt mannelijk geslachtshormoon aan?

a)

5

b)

6

c)

7

d)

8

29.

Welk nummer geeft de eierstokken aan?

a)

1

b)

3

c)

5

d)

6

30.

Welk nummer geeft de schildklier aan?

a)

1

b)

2

c)

4

d)

5

31.
Welk hormoon wordt NIET gemaakt in deze klier?
a)
insuline
b)
glucagon
c)
adrenaline
32.

Wat wordt getoond bij nummer twee?

a)

Epifyse

b)

Hypofyse

c)

Schildklier

d)

Thymus

33.

Welke woorden uit dit plaatje zijn hormomen? Je mag meerdere opties kiezen.

a)

LH

b)

FSH

c)

Testosteron

d)

Hypofyse

34.

Welke woorden uit dit plaatje zijn hormonen? Je mag meerdere opties aanklikken.

a)

LH

b)

Oestrogeen

c)

Gele lichaam

d)

Baarmoederslijmvlies

35.

Belangrijke hormoonklieren zijn:

a)

Speekselklieren, zweetklieren, traanklieren

b)

Hypofyse, de schildklier, de alvleesklier en de bijnieren

c)

Speekselklieren, zweetklieren, traanklieren, hypofyse, de schildklier, de alvleesklier en de bijnieren

36.

Komen hormonen uit bijvoorbeeld de eierstokken van de vrouw ook in haar vingers voor?

a)

Ja, want ze komen via het bloed in het hele lichaam terecht

b)

Nee, ze gaan alleen naar de organen die ze nodig hebben.