Font size
WorksheetsQuiz perfectum!!
Total questions: 25
Worksheet time: 14mins
Vorig jaar is hij naar Veurne .......................!
(verhuizen)
verhuisd
verhuist
verhuizen
verhuizd
Het meisje heeft haar jas aan de kapstok (a) (hangen)
Hij heeft deze morgen lang in zijn bed ................ !
(liggen)
gelegen
geligd
geliggen
geligt
Ik heb voor mijn verjaardag een geschenk ................. !
(krijgen)
gekrijgt
gekrijgd
gekrijgen
gekregen
Ik heb een mooi boek (a) (kiezen)
De ouders hebben veel met hun kinderen ..................... !
(spelen)
gespelen
gespeeld
gespeelt
gespelt
De les is om 9.00 u (a) (beginnen)
Hij is veel te laat ....................... !
(vertrekken)
vertrekken
vertrekt
vertrokt
vertrokken
De jongen is in het water .....................
(vallen)
gevald
gevallen
gevalt
gevalen
Vorig jaar is hij naar Spanje ............................
(reizen)
gereisd
gereizd
gereist
gerezen
Hij heeft de appel in stukje ......................
(snijden)
gesnijd
gesnijt
gesnijden
gesneden
Colombus heeft Amerika ....................
(ontdekken)
ontdekt
ontdekd
geontdekt
geontdekd
De zon heeft deze morgen niet .........................
(schijnen)
geschijnt
geschenen
geschijnen
geschijnd
Hij heeft in haar ogen ................ !
(kijken)
gekijkt
gekijken
gekijkd
gekeken
Moeder heeft de hele voormiddag ...........................
(stofzuigen)
gestofzogen
gestofzuigt
gestofzuigd
gestofzuigen
Vorige week zijn wij in Brussel (a) (zijn)
Jij hebt een mooie brief (a) (schrijven)
Vorige week heb ik een lekkere taart ............... !
(bakken)
gebakt
gebakd
gebakken
gebak
De man heeft te lang op een stoel (a) (zitten)
Vorig jaar is mijn grootvader ...................
(sterven)
gestervd
gesterft
gestorven
gesterfd
Gisteren ....... jij de hele avond ...................!
(lachen)
hebt ....... gelachen
heb ......... gelacht
heb ....... gelachen
heeft ....... gelacht
Vorige week ...... de kinderen naar Nieuwpoort .......
(wandelen)
is ....... gewandeld
zijn ............... gewandelen
hebben ........ gewandeld
zijn ...... gewandeld
Gisteren ............ de vrouw voor de eerste keer met de auto ............... (rijden)
is ............ gereden
heeft .............. gereden
heeft .............gerijd
heeft ............ gerijden
Jij ...... vorig jaar veel geluk..........
(hebben)
hebt ...... gehad
heeft .......... gehad
hebt geheeft
heb ..... gehad
In 2022 hebben jullie een nieuw huis (a) ;
(kopen)
