Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Circulatiestelsel + ademhalingsstelsel

Total questions: 38

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

voordelen van een neusademhaling zijn

a)

verwarmen van de buitenlucht

b)

bevochtigen van de buitenlucht

c)

rustigere ademhaling

d)

stofdeeltjes verwarmen voor ze verder gaan

2.

de kraakbeenringen van de trachea of luchtpijp zijn

a)

hoefijzervromig

b)

boonvormig

c)

peervormig

3.

alveolen =

a)

longblaasjes

b)

luchtpijptakken

c)

luchtpijp

4.

rond de longen ligt een vlies, wat voor vlies is het?

a)

enkel vlies

b)

dubbel vlies

5.

de gasuitwisseling gebeurt in

a)

alveolen

b)

trachea

c)

bronchiën

6.

tijdens de gasuitwisseling wordt

a)

CO2 verwijderd uit het bloed afkomstig uit het lichaam en O2 opgenomen in het bloed afkomstig uit de ingeademde lucht

b)

O2 verwijderd uit het bloed afkomstig uit het lichaam en CO2 opgenomen in het bloed afkomstig uit de ingeademde lucht

7.

wat kan je allemaal observeren bij de ademhaling

a)

geluid

b)

frequentie

c)

kloppingen

d)

ritme

8.

bronchitis =

a)

verkoudheid

b)

longontsteking

c)

ontsteking van de luchtpijptakken

d)

ontsteking van de longblaasjes

9.

Uitgeademde lucht bevat meer ..?

a)

Zuurstof (O2)

b)

Stikstof (N)

c)

Koolstofdioxide (CO2)

d)

Waterstof (H)

10.

Welke stof wordt tijdens de celademhaling verbrand?

a)

zuurstofgas

b)

glucose

c)

voedingsstoffen

d)

koolstofdioxide

11.

Welke gassen komen vrij bij het proces van verbranding?

a)

zuurstofgas

b)

glucose

c)

voedingsstoffen

d)

koolstofdioxide

12.

Waar vindt de gasuitwisseling plaats?

a)

overal

b)

nr 6, 7 en 8

c)

nr 6

d)

nr 8

e)

geen juist antwoord

13.

Welke pijl geeft de richting van de CO2 aan?

a)

Pijl 1

b)

Pijl 2

c)

Pijl 3

d)

Pijl Q

e)

Pijl P

14.

Bij de inademing gaan de ribben en het middenrif omhoog?

a)

Waar

b)

Niet waar

15.

Waarom zit er kraakbeen om de luchtpijp heen?

a)

Zodat de luchtpijp beter dicht kan

b)

Zodat de luchtpijp steviger is

c)

Zodat de luchtpijp goed op zijn plek blijft

16.

Wat gebeurt er in de longblaasjes?

a)

CO2 gaat uit het bloed en zuurstof er in

b)

Zuurstof gaat uit het bloed en CO2 er in

c)

CO2 en zuurstof gaan beiden het bloed in

d)

CO2 en zuurstof gaan beiden het bloed uit

17.

Wat is een ander woord voor diafragma?

(a)  

18.

Wat is de volgorde van het ademhalingsstelsel?

(a)  

19.

Welke twee soorten ademhaling zijn er?

a)

Rug en buikademhaling

b)

Borst en buikademhaling

c)

Middenrif en borstademhaling

20.

Uitademing is een passief of actief proces?

a)

Passief

b)

Actief

21.

(a)   kan hechten aan hemoglobine in rode bloedcellen.

22.

Wat is de functie van de grote bloedsomloop?

a)

Zuurstof ophalen bij het hart en naar de longen brengen.

b)

Zuurstof bij de longen halen en terugbrengen naar het hart.

c)

Zuurstof naar de organen brengen en afvalstoffen terug naar het hart brengen.

23.

Welk nummer geeft de linkerkamer aan?

a)

4

b)

6

c)

11

d)

13

24.

Welk nummer geeft de longader aan

a)

9

b)

8

c)

2

d)

1

25.

In welk bloedvat pompt de rechterkamer het bloed?

a)

De longslagader

b)

De longader

c)

De aorta

d)

De onderste holle ader

26.

Wat is de functie van de rechterboezem?

a)

Die heeft geen functie

b)

Die pompt bloed naar de rechterkamer

c)

Die pompt bloed naar het lichaam

d)

Die pompt bloed naar de linkerkamer

27.

De juiste volgorde van de hartslag is:

1. Boezems trekken samen.

2. Kamers trekken samen.

3. Rust/pauze.

a)

Juist

b)

Onjuist

28.

Wat is de naam van nummer 1?

a)

Onderste holle ader

b)

Bovenste holle ader

c)

longslagader

d)

longaders

e)

aorta

29.

Tussen welke twee aangegeven nummers zou het bloed door de halvemaanvormige kleppen moeten stromen? (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

tussen 4 en 5

b)

tussen 5 en 11

c)

tussen 9 en 8

d)

tussen 8 en 15

30.

Welk bloedvat voorziet de hartspier zélf van de benodigde zuurstof en voedingsstoffen?

a)

de onderste holle ader

b)

de aorta

c)

de kransslagader

d)

daarvoor is geen speciaal bloedvat.

31.

De rechter helft van het hart pompt bloed naar de longen

a)

juist

b)

onjuist

32.

De harttussenwand vormt de scheiding tussen

a)

de linker boezem en linker kamer

b)

de rechter boezem en rechter kamer

c)

longader en longslagader

d)

de linker- en rechterhelft van het hart

33.

Wat moet er bij 8 staan

a)

kleppen

b)

hartkleppen

c)

bloedkleppen

d)

halvemaanvormige kleppen

34.

Volgorde van het stromen van bloed

a)

rechter boezem - rechter kamer - longen - linker boezem - linker kamer

b)

rechter kamer - rechter boezem - longen - linker boezem - linker kamer

c)

linker boezem - linker kamer - longen - rechter boezem - rechter kamer

d)

linker kamer - linker boezem - longen - rechter boezem - rechter kamer

35.

De hartkleppen zorgen er voor dat

a)

het bloed niet van de boezem naar de kamers stroomt

b)

het bloed niet in de longen stroomt

c)

het bloed niet van de kamer naar de boezem stroomt

d)

het bloed niet vanuit de longslagader terug de kamer in loopt

36.

Als de kamers samentrekken staan de hartkleppen open

a)

juist

b)

onjuist

37.

Na het samentrekken van de kamers, trekken de boezems samen

a)

juist

b)

onjuist

38.

Hierdoor stroomt het bloed niet vanuit de slagaders terug de kamers in

a)

halvemaanvormige kleppen

b)

hartspieren

c)

hartkleppen

d)

boezem