wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4V erfelijkheid maak je eigen quiz

Total questions: 27

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Van een eeneiige tweeling groeit het ene individu op in Nederland en de andere in Senegal. Degene die in Nederland opgroeit is na 20 jaar veel langer dan degene die in Senegal opgroeit. Hoe kan dit verschil zijn ontstaan?

a)

Verschil in genotype

b)

Verschil in fenotype

c)

Verschil in milieu

d)

Verschil in celdeling

e)

Verschil in hormonen

2.

Wat kun je in een karyogram zien?

a)

Al het erfelijk materiaal van één persoon

b)

Alle chromatiden van een cel

c)

Alle chromosomen van een cel

d)

Alle fase van de celdeling

3.

Wat leidt niet tot veranderingen in het DNA?

a)

Mutaties door straling

b)

Eigen lichaamswarmte

c)

Mutaties door bepaalde stoffen

d)

Mutaties tijdens mitose, meiose I en meiose II

e)

Dit zijn allemaal oorzaken van veranderingen in het DNA

4.

Welke bewering over geslachtschromosomen is juist?

a)

geslachtschromosomen komen voor in alle cellen

b)

geslachtschromosomen komen alleen voor in geslachtscellen

c)

alle chromosomen in een geslachtscel zijn geslachtschromosomen

5.

Van een kloon kan men in het algemeen zeggen dat:

a)

de fenotypen en de genotypen onderling gelijk zijn

b)

de fenotypen onderling altijd gelijk zijn, genotype kan verschillen

c)

de genotype onderling altijd gelijk zijn, fenotype kan verschillen

d)

de genotypen en fenotypen kunnen allebei verschillen

6.

Op welk moment ontstaat het genotype van een mens?

a)

Bij de meiose (ontstaan van de geslachtscellen)

b)

Bij de bevruchting

c)

Bij de geboorte

d)

Gedurende het leven door invloeden uit de omgeving

7.

Een kind heeft een erfelijke aandoening. Beide ouders zijn gezond en de aandoening is niet X-chromosomaal. Erft de erfelijke ziekte dominant of recessiet over?

a)

Dominant

b)

Recessief

c)

Dit is niet te bepalen uit deze gegevens.

8.

Hoe heet de afwijking waarbij je een chromosoom te weinig hebben?

a)

monosomie

b)

duosomie

c)

trisomie

d)

haploïdie

9.

Henks moeder heeft blauwe ogen en zijn vader bruine ogen. Hanks oma, de moeder van zijn vader, heeft ook blauwe ogen. Hoe groot is de kans dat Henk blauwe ogen heeft?

a)

100%

b)

50%

c)

25%

d)

66,7%

e)

0%

10.

Pieter is jongen en hij is geïnteresseerd in DNA. Hij vraagt zich af van welke grootouder zijn Y-chromosoom afkomstig is. Van welke grootouder is dat?

a)

Oma, van vaders kant

b)

Opa, van vaders kant

c)

Oma, van moeders kant

d)

Opa, van moeders kant

11.

Hieronder staan 4 genotypen van 4 verschillende personen. Welk van die personen is een drager?

a)

AA

b)

Aa

c)

aa

d)

ATAR

e)

XaY

12.

De erfelijke informatie die op je chromosomen liggen noem je ...

a)

cytoplasma

b)

genotype

c)

fenotype

d)

celkern

e)

genoom

13.

Wat is geen voorbeeld van een erfelijke eigenschap?

a)

blond haar

b)

een wipneus

c)

bloedgroep A+

d)

kleurenblindheid

e)

conditie

14.

Wat is een dihybride kruising?

a)

Kruising tussen een dominant vrouwtje en recessief mannetje

b)

Kruising tussen individuen met dezelfde voorouder

c)

Kruising tussen individuen die in 2 erfelijke eigenschappen van elkaar verschillen

d)

Kruising van twee dominante individuen

e)

Kruising tussen individuen waarbij er naar 2 eigenschappen wordt gekeken.

15.

Hoeveel chromosoomparen heeft de mens?

a)

23

b)

46

c)

92

d)

11,5

16.

Wat is waar over het ontstaan van genetische variatie?

a)

dat komt door veranderingen in het fenotype

b)

dat komt door mutatie

c)

dat komt door meiose en bevruchting

d)

dat is meer bij ongeslachtelijke voortplanting

17.

Als bij een soort veel verschillende genotypen voorkomen, heeft deze soort een ... overlevingskans.

a)

kleinere

b)

grotere

c)

even grote

d)

dit heeft niks met elkaar te maken

18.

Hermanus en Wilma zijn al 30 jaar samen. ze besluiten samen onveilige seks te hebben. Na 2 maanden groeit de opgezwollen buik van Wilma steeds meer --> ze is mogelijk zwanger. Hermanus heeft blauwe ogen en Wilma ook. blauwe ogen is een recessieve eigenschap. Welke kleur ogen heeft de baby?

a)

Blauw/bruin

b)

Bruin/groen

c)

Blauw

d)

Bruin

e)

Wilma is al door de overgang en dus helemaal niet zwanger!

19.

Welk chromosomenpaar is op karyogrammen altijd de geslachtschromosomen?

a)

chromosoompaar 1

b)

chromosoompaar 22

c)

chromosoompaar 23

d)

chromosoompaar 24

20.

Catootje en Pim zijn zwanger. Catootje is heterozygoot voor de oogkleur en Pim homozygoot voor bruine ogen. Wat is de kans dat het kind bruine ogen krijgt?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

75%

e)

100%

21.

Een verandering in een enkel basenpaar heet een puntmutatie.

a)

Juist

b)

Onjuist

22.

Een wijziging in het aantal chromosomen in een cel heet een chromosoommutatie.

a)

Juist

b)

Onjuist

23.

Het herverdelen van erfelijk materiaal heet ...

a)

Crossing-over

b)

Genoommutatie

c)

Recombinatie

d)

Dihybride kruising

24.

Hoeveel chromosomen heeft iemand met het Syndroom van Down in elke lichaamscel?

a)

22

b)

23

c)

45

d)

46

e)

47

25.

Kunnen mutaties het fenotype veranderen tijdens het leven van een persoon?

a)

Ja

b)

Nee

26.

Jip en Janneke hebben beide bruine ogen. Kun zij een kind krijgen met blauwe ogen?

a)

Ja

b)

Nee

c)

ja, maar de kans is slechts 10%

d)

Nee, het zijn zelf nog kinderen en sowieso personages uit een boek.

27.

Peppie en Kokki zijn beide homoseksueel. Is hun kind dan ook zeker homoseksueel?

a)

Ja

b)

Nee

c)

Twee homoseksuele individuen kunnen niet beide hun DNA doorgeven aan een nakomeling

d)

Misschien ... en wat dan nog?