wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

5.1 en 5.2 Waarnemen en zenuwstelsel

Total questions: 22

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Waarom reageren mensen en dieren op hun omgeving?

a)
Om te ontspannen en plezier te hebben.
b)
Omdat ze nieuwsgierig zijn naar nieuwe dingen.
c)
Om te overleven en zich aan te passen aan veranderingen in hun omgeving.
d)

Om aandacht te krijgen.

2.

Welke van de volgende is geen reden waarom we reageren op veranderingen in onze omgeving?

a)

Om voedsel te vinden

b)

Om gevaar te ontwijken

c)

Om onze slaap te verlengen

d)

Om een partner te vinden

3.

Wat is de beste omschrijving van 'gedrag' in de biologie?

a)

Alles wat een organisme doet.

b)

Alleen de bewuste acties van een organisme.

c)

De manier waarop een organisme reageert op prikkels.

d)

De manier waarop een organisme eruitziet.

4.

Het op rood springen van een stoplicht waardoor je gaat remmen is een voorbeeld van een....

a)

Uitwendige prikkel

b)

Inwendige prikkel

5.

Het knorren van je maag omdat je honger hebt is een voorbeeld van een ....

a)

Uitwendige prikkel

b)

Inwendige prikkel

6.

Wat is een zintuig?

a)

Een orgaan waarmee je prikkels opvangt

b)

Een orgaan waarmee je impulsen opvangt

c)

Een onderdeel van de hersenen

d)

Een cel die impulsen vervoert door het lichaam

7.

Wat is een voorbeeld van een inwendige prikkel?

a)

Warmte in het klaslokaal

b)

Honger

c)

Lichtstralen

d)

Koud water

8.

Welke van de volgende is geen voorbeeld van gedrag?

a)

Een vogel die zingt.

b)
  • Mensen die Sinterklaas vieren.

c)
  • Een steen die valt.

d)
  • Een hond die met zijn staart kwispelt.

9.

Welke rol spelen de hersenen bij gedrag?

a)
  • Ze slaan herinneringen op.

b)
  • Ze verwerken informatie uit de omgeving.

c)
  • Ze sturen spieren aan.

d)
  • Alle bovenstaande antwoorden zijn juist.

10.

Welk van de volgende is een voorbeeld van bewust gedrag?

a)
  • Knipperen met je ogen als er iets in komt.

b)
  • Beslissen wat je wilt eten.

c)
  • Je hart laten kloppen.

d)
  • Je adem automatisch halen.

11.

Geef aan of het gedrag bewust of onbewust is.

Je krijgt kippenvel en de haren op je arm gaan overeind staan.

a)

Bewust

b)

Onbewust

c)

Beide

12.

Geef aan of het gedrag bewust of onbewust is.

Je vangt een bal.

a)

Bewust

b)

Onbewust

c)

Beide

13.

Wat is een voorbeeld van groepsdruk?

a)
Een groep vrienden die samen een film kijkt.
b)
Een vriendengroep die iemand onder druk zet om te roken.
c)
Een team dat samenwerkt aan een schoolproject.
d)
Een klas die samen een sportwedstrijd speelt.
14.

Een impuls vanuit een zintuig gaat via je zenuwen naar

a)

je zintuigen

b)

je botten

c)

je spieren

d)

je hersenen

15.
Je zintuigen nemen
a)
taken waar
b)
mensen waar
c)
prikkels waar
d)
iets op
16.

Je telefoon gaat af en je pakt met je hand de telefoon op. Wat is hier de prikkel?

a)

Je telefoon

b)

Het geluid van de telefoon

c)

Je hand die de telefoon oppakt.

17.

Wat is geen voorbeeld van een inwendige prikkel

a)

Aanraking

b)

Geluid

c)

Honger

d)

Geur

18.

Met welke kleur is het centraal zenuwstelsel aangegeven?

a)

Paars

b)

Groen

19.
Uit welke delen bestaat ons zenuwstelsel?
a)
Zenuwen en hersenen
b)
Centraal zenuwstelsel
c)
Zenuwen en centraal zenuwstelsel
d)
Zenuwen en zenuwcellen
20.

Selecteer de onderdelen van het zenuwstelsel.

a)

hersenen

b)

ruggenmerg

c)

zenuwen

d)

zintuigen

21.

Gebruik je zenuwen bij het betalen van je boodschappen?

a)

ja

b)

nee

22.
Elk zintuig is gevoelig voor
a)
dezelfde prikkel
b)
geen prikkel
c)
veel prikkels
d)
een eigen prikkel