wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Niveau 2 klimopklas quiz 2

Total questions: 20

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Mijn moeder eet graag spaghetti maar ze eet veel ........................................... mosselen met frietjes!

a)

graager

b)

grager

c)

liever

d)

het liefst

2.

Wij hebben het huis gekocht, het is ............................. huis

a)

onze

b)

mijn

c)

jullie

d)

ons

3.

De broer van mijn moeder is mijn (a)  

4.

Elke morgen .......................... jij te laat op school!

a)

komt

b)

bent

c)

is

d)

ben

5.

De moeder van mijn vader is mijn .................................

a)

grootvader

b)

grootmoeder

c)

tante

d)

nicht

6.

Teken een grote peer

7.

De olifant is veel (a)   dan de mens (dik)!

8.

Wie (a)   het meest kinderen in de klas?

9.

Deze morgen .......................... hij veel .................................. !

a)

heeft gewerken

b)

heeft gewerkt

c)

hebt gewerkt

d)

is gewerkt

10.

De dochter van mijn tante is mijn ........................................

a)

nicht

b)

neef

c)

zus

d)

broer

11.

Dit zijn Sasha en Nataliia en dat zijn ........................................ lieve kinderen !

a)

zijn

b)

haar

c)

jullie

d)

hun

12.

Jij .......................... al te veel .................................... in je leven (roken)!

a)

bent gerookt

b)

heeft gerookt

c)

hebt gerookd

d)

hebt gerookt

13.

De zus van mijn vader heeft 2 zonen, dat zijn mijn..................

a)

neven

b)

nichten

c)

broers

d)

nonkels

14.

Vader en moeder hebben 3 kinderen ; die 5 personen samen zijn het (a)  

15.

Brussel is ver, Madrid is ................................ en New York is het verst!

a)

verrer

b)

verer

c)

meer ver

d)

verder

16.

Woensdag heeft papa met zijn kinderen ................................... (spelen).

a)

gespeeld

b)

gespeld

c)

gespelen

d)

gespeelt

17.

De moeder van mijn vrouw is mijn (a)  

18.

Gisteren ......................... je hond veel ........................................ ! (blaffen)

a)

hebt ......... geblaft

b)

heeft .................... geblaft

c)

heb ............... geblafd

d)

heb .................... geblaft

19.

Gisteren heeft hij 100 km (a)   (fietsen)

20.

Jan en Ilse hebben 1 dochter; haar naam is Louise.

Louise heeft 3 kinderen.

Jan en Ilse hebben 3 (a)