wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Th 7 Ecologie & Milieu_4H

Total questions: 84

Worksheet time: 1hrs 7mins

Name
Class
Date
1.

In welk antwoord staan alleen voorbeelden van abiotische factoren?

a)

licht, zuurstofgehalte en regen

b)

roofdieren, voedsel en soortgenoten

c)

temperatuur, water en voedsel

d)

wind, nestgelegenheid en bodem

2.
De larve van de nachtvlinder heeft een groot aantal bacteriën in zijn verteringskanaal. Deze bacteriën spelen een belangrijke rol bij de vertering van het voedsel van de larven.
Met welke biologische term wordt de relatie tussen de larve en de bacteriën aangeduid?
a)
Mutualisme 
b)
Commensalisme
c)
Parasitisme
d)
Predatie
3.

In deze grafiek is een predator-prooirelatie weergegeven. Ook aan de hand van de y-assen kun je bepalen welke soort de prooi is. Welke van onderstaande beweringen hierover is juist?

a)

Het aantal prooidieren per hectare is vrijwel altijd groter dan het aantal predatoren per hectare, dus de linker y-as moet bij de prooidieren horen

b)

Het aantal predatoren per hectare is vrijwel altijd groter dan het aantal prooidieren per hectare, dus de rechter y-as moet bij de prooidieren horen

4.

Planten en algen vervullen in een ecosysteem de rol van?

a)

producenten

b)

reducenten

c)

consumenten van de eerste orde

d)

consumenten van de tweede orde

5.

Wat is een voorbeeld van een tolerantiegebied?

a)

De temperatuur in een gebied die varieert tussen 0o C en 30o C.

b)

De zuurgraad (pH) van het water moet voor een bepaalde vis tussen de 5 en 7 zijn om daar te kunnen leven.

c)

De verspreiding van herten op de Veluwe is willekeurig in groepen.

d)

In de Waddenzee leven er gemiddeld 0.6 krabben per m3.

6.
Het koolmeesje is ...
a)

een producent.

b)

een consument van de eerste orde.

c)

een consument van de tweede orde.

d)

een consument van de derde orde.

7.

Lijsterbes -> sprinkhaan -> kikker -> slang vormen een voedselketen.

a)

juist

b)

onjuist

8.

Welke factor is biotisch?

a)

Wind

b)

Temperatuur

c)

Predatie

d)

Stromingen in het water

9.
Dalkruid kan zich wel handhaven onder bomen en struiken en Gewoon vingerhoedskruid niet. Daarvoor zijn verschillende oorzaken die met elkaar samenhangen.
Welke van de volgende beweringen geeft één van die oorzaken juist weer?
a)
Dalkruid heeft een hoger optimum voor de hoeveelheid licht dan Gewoon vingerhoedskruid.
b)
Dalkruid heeft een hogere maximum tolerantiegrens voor de hoeveelheid licht dan Gewoon vingerhoedskruid.
c)
Dalkruid heeft een lagere minimum tolerantiegrens voor de hoeveelheid licht dan Gewoon vingerhoedskruid.
10.

Door klimaatverandering wordt het in veel gebieden warmer. Wat doet dit met het tolerantiegebied van soorten?

a)

Niks, het tolerantiegebied is soorteigen en blijft gelijk.

b)

Het tolerantie gebied wordt breder, zodat de soort een grotere overlevingskans heeft.

c)

Het tolerantiegebied schuift mee, zodat de soort in hetzelfde gebied kan blijven leven

d)

Het tolerantiegebied verschuift de andere kant op, aangezien de soort het toch niet overleeft.

11.

De zogenaamde 'mierenmoeder' is een slang die in mierennesten leeft. De slang heeft hierdoor een lekker warme plek om te rusten en jaagt ondertussen andere mierenetende slangen weg. Dit is een vorm van:

a)

Parasitisme

b)

Commensalisme

c)

Mutualisme

d)

Predatie

12.

Aan welke voorwaarden voldoet een goed-opgesteld voedselweb?

a)

De pijlen volgen de richting van de voedselstromen

b)

Er staat altijd een producent in

c)

Benoem soortsnamen (zoals genoemd in de opgave)

d)

De pijlen moeten recht zijn

e)

Er mogen groepen genoemd worden

13.

Van welk type samenleven is er sprake bij jou en jouw darmflora?

a)

symbiose

b)

concurrentie

c)

commensalisme

d)

mutualisme

e)

parasitisme

14.

Aan vier leerlingen wordt gevraagd een voorbeeld te noemen van een ecosysteem. Zij geven de volgende voorbeelden:

Leerling 1: alle abiotische factoren in een bepaald heidegebied.

Leerling 2: alle dieren die in Nederland leven, in samenhang met de plantengroei.

Leerling 3: alle eekhoorns in een loofbos, in samenhang met de bomen.

Leerling 4: alle organismen die in een bepaald meertje leven, in samenhang met de abiotische factoren.


Welke leerling geeft een juist voorbeeld?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

Geen enkele leerling

15.

Er is volop leven in de diepzee, maar plantaardige organismen komen daar niet voor. Dat er wel andere levensvormen voorkomen, is meestal een gevolg van een continue voedselstroom van afgestorven organismen uit hogere lagen. Soms is er echter sprake van een volledig voedselweb. In de zogenaamde 'black smokers' bij Papoea-Nieuw-Guinea komen autotrofe bacteriën voor. Smokers zijn grote kegelvormige bergen van zwavelverbindingen op de bodem van de zee, waaruit oververhit water van 300 °C omhoog spuit onder een druk van 265 atmosfeer. De genoemde autotrofe bacteriën zijn in staat om bepaalde mineralen (bijvoorbeeld sulfiden/zwavelverbindingen), die in water in flinke hoeveelheden oplossen, te oxideren. Hierbij komt energie vrij die benut wordt voor de opbouw van organische moleculen.

Welke ecologische rol spelen de in de tekst genoemde bacteriën?

a)

consumenten van de 1e orde

b)

producenten

c)

reducenten

d)

consumenten van de 2e orde

16.
In het Andesgebergte in Colombia vind je verschillende vegetatiezones. Van laag naar hoog: tropisch bos, bergbos, struikpáramo (een zone met voornamelijk struikgewas) en ten slotte páramo (een soort alpenweide zonder bomen en struiken). Daarboven is geen vegetatie meer, maar bevindt zich eeuwige sneeuw. 
Welke abiotische factor is vooral verantwoordelijk voor het opschuiven van de verschillende vegetatiezones in de Andes?
a)
temperatuur
b)
water
c)
wind
d)
licht
17.
Uit hoeveel schakels bestaat de kortste voedselketen in de afbeelding?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
18.
In Noord-Scandinavië leven rendieren voornamelijk van korstmossen.
Welke ecologische rol vervullen de korstmossen en welke de rendieren in NoordScandinavië?
Ecologische rol korstmos: ........1........
Ecologische rol rendier: .......2......
a)
1: producent
2: producent
b)
1: producent
2: consument
c)
1: consument
2: producent
d)
1: consument
2: consument
19.

Een groep organismen van dezelfde soort in één bepaald gebied, die zich onderling voortplanten heet een ......

a)

ecosysteem

b)

levensgemeenschap

c)

individu

d)

populatie

20.

Omdat gifstoffen niet worden afgebroken, maar er in ieder hoger trofisch niveau van de voedselpyramide steeds minder biomassa is, hopen ze zich op. Dat heet...

(a)  

21.

Een organisme met een brede optimumkormme...

a)

...stelt weinig eisen en komt voor in een pioniersvegetatie

b)

...stelt weinig eisen en komt voor in een climaxvegetatie

c)

...stelt veel eisen en komt voor in een pioniersvegetatie

d)

...stelt veel eisen en komt voor in een climaxvegetatie

22.

Wat is géén reden waardoor biomassa in een pyramide van biomassa verdwijnt?

a)

Verbranding (dissimilatie)

b)

Het niet verteren van voedsel

c)

Assimilatie

d)

Sterfte

23.

een langdurige samenlevingsrelatie tussen individuen van verschillende soorten noem je...

(a)  

24.

De onderstaande factoren bepalen hoeveel muizen in een gebied kunnen voorkomen. Welke van deze factoren zijn abiotische factoren?

a)

Hoeveelheid regen er jaarlijks in een gebied valt

b)

De boomsoorten die in het gebied voorkomen

c)

Hoeveel roofvogels er in het gebied voorkomen

d)

Hoeveel parasieten er in het gebied voorkomen

25.

een dier wat via een schip in een ander land binnen komt noem je een :

a)

exoot

b)

inheemse soort

c)

uitheemse soort

26.

De maximale populatiegrootte die over langere tijd in een ecosysteem kan worden gehandhaafd wordt ook wel genoemd:

(a)  

27.

de ... geeft aan hoeveel verschillende soorten er in totaal voorkomen in een gebied

(a)  

28.

Welke oorzaken zorgen voor energie verlies?

a)

afgestorven weefsels

b)

assimilatie

c)

dissimilatie

d)

onverteerd voedsel

29.

Een bepaalde ecologische groep organismen is verantwoordelijk voor het verwerken van de kleinste dode resten en uitwerpselen van organismen tot mineralen. Je noemt deze groep de ...

(a)  

30.
Wat voor een voedselpiramide zie je hier?
a)
Piramide van aantallen.
b)
Piramide van biomassa.
c)
Piramide van energiedoorstroming
31.
Wat voor een soort voedselpiramide zie je hier?
a)
Piramide van aantallen.
b)
Piramide van biomassa.
c)
Piramide van energiedoorstroming.
32.
Welke schakel heeft altijd de grootste biomassa?
a)
consumenten eerste orde
b)
consumenten 2e orde
c)
producenten
33.

Welk begrip wordt hier bedoeld? ‘Een grote akker waarop slecht één gewas wordt verbouwd.’

a)

Intensieve landbouw

b)

Monocultuur

c)

Akkerbouw

d)

Biologische landbouw

34.

Een lintworm leeft in de darmen van een mens en eet mee van het voedsel dat langskomt. Welk type symbiose is dit?

a)

Mutualisme

b)

Parasitisme

c)

Commensalisme

d)

Geen symbiose

35.

Leefomgeving van een organisme is

a)

ecosysteem

b)

biotoop

c)

habitat

d)

niche

36.

De bovenstaande afbeelding is een duidelijk voorbeeld van een ...

a)

voedselweb

b)

voedselketen

c)

voedselkringloop

37.

welk organisme is autotroof?

a)

planteneter

b)

vleeseter

c)

bacterie

d)

alg

38.

Wat is dissimilatie?

a)

Het afbreken van organische stoffen naar anorganische stoffen

b)

Het afbreken van anorganische stoffen naar organische stoffen

c)

Het opbouwen van anorganische stoffen naar organische stoffen

d)

Het opbouwen van organische stoffen naar anorganische stoffen

39.

Beginstadium van successie

a)

Pioniersecosysteem

b)

Climaxecosysteem

40.

Bodem bevat veel humus

a)

Pioniersecosysteem

b)

Climaxecosysteem

41.

Eenvoudig voedselweb

a)

Pioniersecosysteem

b)

Climaxecosysteem

42.

Grote biodiversiteit (veel verschillende soorten organismen)

a)

Pioniersecosysteem

b)

Climaxecosysteem

43.

Relatief weinig organismen per soort

a)

Pioniersecosysteem

b)

Climaxecosysteem

44.

Stabiel ecosysteem

a)

Pioniersecosysteem

b)

Climaxecosysteem

45.

Biomassa blijft gelijk

a)

Pioniersecosysteem

b)

Climaxecosysteem

46.

Weinig gelaagdheid in begroeiing

a)

Pioniersecosysteem

b)

Climaxecosysteem

47.

Organismen hebben een brede tolerantiecurve voor abiotische factoren

a)

Pioniersecosysteem

b)

Climaxecosysteem

48.

Wat is het verschil tussen primaire en secondaire successie?

a)

Primaire successie verloopt sneller

b)

Bij secundaire successie speelt menselijk invloed een rol

c)

Secundaire successie verloopt langzamer

d)

Bij secundaire successie is er al een humuslaag aanwezig

49.

Bij welk nummer gaat koolstof als CO2 de producenten i?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

50.

Als elke consument 90% van de biomassa die het eet verbrandt en 10% doorgeeft naar de volgende consument in de voedselketen, Hoeveel procent van de biomassa blijft er dan nog over voor de consumenten van de derde orde om te eten?

a)

0,1%

b)

1%

c)

10%

d)

100%

51.

Hoe noem je schimmels en bacteriën in een kringloop van stoffen?

a)

Producenten

b)

Consumenten

c)

Reducenten

d)

Afvaleters

52.

In de afbeelding zie je de koolstofkringloop. Wat hoort er op plek C te staan?

a)

Koolstofdioxide

b)

Producenten

c)

Consumenten

d)

Reducenten

53.

In de afbeelding zie je de koolstofkringloop. Wat hoort er op plek B te staan?

a)

Koolstofdioxide

b)

Producenten

c)

Consumenten

d)

Reducenten

54.

Op welke manieren verminderen soortgenoten de kans op gevechten? (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Een rangorde

b)

Paarvorming

c)

Een territorium

55.

Wat doen knolletjesbacterien?

a)

N2 --> NH3

b)

NH3 --> N2

c)

NO3- --> NH4+

d)

NH3--> NH4+

56.

Welk proces zet de koolstof in de lucht om in koolstof in organische stoffen?

(a)  

57.

Wat doen nitrietbacterien?

a)

NH3 --> Nh4

b)

N2 --> NOx

c)

NH4+ --> NO2-

d)

NO2- --> NO3-

58.

Wat veroorzaakt stifstoffixatie?

a)

bliksem

b)

verkeer

c)

ozon

d)

industrie

59.

Welke sector is (%) de grootste uitstoter van CH4?

a)

Landbouw

b)

Visserij

c)

Autoverkeer

d)

Industrie

60.

In 2016 stelde Nederland zich een ambitieus doel: een volledig circulaire economie in 2050. Wat houdt zo’n circulaire economie precies in? (ALLEEN VOOR 4V)

a)

Een circulaire economie is niet afhankelijk van andere landen: alle benodigde grondstoffen komen uit Nederland zelf

b)

In een circulaire economie wordt winst eerlijk over de gehele productieketen verdeeld

c)

Een circulaire economie draait volledig op hergebruikte grondstoffen en produceert geen afval

d)

In een circulaire economie veroorzaakt de productie van goederen geen CO2-uitstoot

61.

Geef een definitie in eigen woorden van het begrip duurzaamheid.

4 lines
62.

Processen die deel uitmaken van de stikstofkringloop zijn:

1. denitrificatie

2. nitrificatie

3. rotting

4. biologische stikstoffixatie

5. fotochemische stikstoffixatie

Door welk of welke van deze processen komt stikstof uit de lucht terecht in de voedselketen?

a)

alleen 1

b)

alleen 2 en 4

c)

alleen 3

d)

alleen 1 en 3

e)

alleen 4 en 5

63.

Welke organisme is of welke zijn zowel consument van de 2e orde als consument van de 4e orde?

a)

Kikker

b)

Slang

c)

Bladluis

d)

Buizerd

e)

Vos

64.

Wat gebeurt er met de hoeveelheid energie in een voedselketen?

a)

Die wordt steeds groter, doordat er steeds meer organismen bij komen

b)

Die wordt steeds groter, doordat elke schakel de vorige eet

c)

Die wordt steeds kleiner, doordat er in elke schakel dissimilatie optreedt

d)

Die wordt steeds kleiner, doordat elke schakel de vorige eet

65.

Wat is het verschil tussen een populatie en een levensgemeenschap?

a)

Populatie is alleen de dieren, levensgemeenschap is de dieren en planten samen

b)

Populatie is een groep organismen van 1 soort, een levensgemeenschap meerdere soorten bij elkaar

c)

Een populatie zijn alle organismen in een gebied, een levensgemeenschap is alle biotische factoren bij elkaar

d)

Een populatie is een groep dieren, een levensgemeenschap zijn de dieren met alle abiotische factoren bij elkaar

66.

Welke organismen zullen vooral problemen krijgen door bio-accumulatie?

a)

producenten

b)

consumenten van de 1e orde

c)

consumenten van de 3e orde

d)

reducenten

67.

Wat is het broeikaseffect?

a)

Door broeikasgassen in de atmosfeer wordt een deel van de warmte van de zon vastgehouden

b)

Door menselijke activiteit stijgt de hoeveelheid van o.a. CO2 in de atmosfeer

c)

Door menselijke activiteit smelten de poolkappen en stijgt het waterpeil

d)

Door het kappen van de oerbossen wordt minder CO2 gebonden en stijgt de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer

68.

Wat is groenbemesting?

a)

Alleen biologische mest gebruiken

b)

Planten met knolletjesbacteriën onderploegen

c)

De juiste balans tussen voedingszouten als nitraat en fosfaat gebruiken

d)

Kunstmest gebruiken

69.

Wat is het verschil tussen resistentie en persistentie?

a)

Persistentie: zeer langzaam afgebroken

Resistentie: tegen het gif kunnen

b)

Persistentie: tegen het gif kunnen

Resistentie: zeer langzaam afgebroken

c)

Persistentie: voorkomt accumulatie

Resistentie: tegen het gif kunnen

d)

Persistentie: tegen het gif kunnen

Resistentie: voorkomt accumulatie

70.

Wat zijn voordelen van het gebruik van pesticiden?

a)

goedkoop

b)

makkelijk

c)

persistent

d)

effectief

71.

Wat is eutrofiëring?

a)

Door teveel voedingszouten ontstaat waterbloei

b)

Door teveel voedingszouten neemt de biodiversiteit toe

c)

Door te weinig voedingszouten neemt de biodiversiteit af

d)

Door te weinig voedingszouten ontstaat waterbloei

72.

Wat is een monocultuur

a)

Een cultuur waarin 1 cultuur de dominante cultuur is

b)

Een gebied waar 1 soort gewassen is geplant

c)

Een gebied waar 1 soort gewassen groeit

d)

Een gebied waar 1 soort organismen voorkomt

73.

Alternatieven voor pesticiden zijn

a)

wisselteelt (vruchtwisseling)

b)

bioindustirie

c)

Biologische bestrijding

d)

herbiciden

74.

Stikstofverbindingen in de bodem ontstaan uit elkaar. In welke volgorde?

a)

Ammonium -> Nitraat -> Nitriet

b)

Nitraat -> Nitriet -> Ammoniak

c)

Nitriet -> Ammonium -> Nitraat

d)

Ammonium -> Nitriet -> Nitraat

75.

Wat is/zijn belangrijke oorzaken voor milieuproblemen

a)

bevolkingstoename

b)

keuzes in manier van leven van de mens

c)

onttrekken van grondstoffen

d)

stikstof

76.

Tegen welke groep of groepen van organismen werken herbiciden?

a)

onkruid

b)

insecten

c)

schimmels

d)

bacteriën

77.

Welke aanpassingen verwacht je bij een plant die is aangepast aan een leven in de schaduw?

a)

veel chloroplasten (bladgroenkorrels)

b)

groot blad

c)

klein blad

d)

dik blad

78.

Wat is/zijn kenmerken van een blad van een plant die is aangepast aan een leven in een vochtige omgeving?

a)

Dikke cuticula

b)

Dunne cuticula

c)

Behaard

d)

Verzonken huidmondjes

79.

Via overbemesting kunnen er via het grondwater teveel mineralen in het oppervlaktewater terecht komen. Het kroos of de algen in de sloten gaan door de mineralen uit de mest heel snel groeien, waardoor de sloot dicht groeit. Dat heet .....................

a)

Watergruwel

b)

Waterpest

c)

Waterbloei

80.

Wat kunnen gevolgen zijn van het versterkte broeikaseffect?

a)

De zeespiegel daalt, doordat er teveel water verdampt

b)

Diersoorten kunnen uitsterven

c)

Klimaatzones veranderen

d)

Meer extreme weersomstandigheden

e)

Diersoorten verschuiven langzaam van leefgebied, waarna ze daar vervolgens een plaag gaan vormen

81.

Als bacteriën beschermd raken tegen bestrijdingsmiddelen noem je dat...

a)

Transgeen

b)

Resistentie

c)

immuun

82.
Welke soorten milieuproblemen zijn er?
a)
Vervuiling en uitputting
b)
Vervuiling en aantasting
c)
Vervuiling, uitputting en aantasting
d)
Vervuiling, aanputting en uittasting
83.
Bij het versterkt broeikaseffect komen er minder/meer broeikasgassen in de lucht
a)
Minder
b)
Meer
84.

noem een nadeel van bio-industrie (intensieve veehouderij)

(a)