wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Kennis biologie klas 1

Total questions: 85

Worksheet time: 44mins

Name
Class
Date
1.
Een Organisme is......
a)
Iets wat nooit geleefd heeft
b)
Een levend wezen
c)
Een onderdeel van het menselijk lichaam
d)
De leer van het leven
2.
Iets wat  geleefd heeft ,noemen we .....
a)
levend
b)
levenloos
c)
dood
d)
bewegend
3.
Deze houten tafel is.....
a)
Levend
b)
Levenloos
c)
dood
d)
geen van de genoemde 3
4.
Deze spiegel is.......
a)
dood
b)
levenloos
c)
levend
d)
geen van de genoemde 3
5.
Wat zijn levenskenmerken?
a)
Hieraan kun je zien of iets dood is
b)
Hieraan kun je zien of iets levenloos is
c)
Hieraan kun je zien of iets waar is
d)
Hieraan kun je zien of iets leeft
6.
Op de afbeelding zie je een voorbeeld van ......
a)
een natuurgetrouwe tekening van een bloem
b)
een schematische tekening van een bloem
7.
Tot de levenskenmerken behoren.......
a)
groeien,ademhalen,ruiken
b)
ademhalen,zich voeden,lopen
c)
uitscheiden,bewegen,ademhalen
d)
voortplanten,groeien,horen
8.

Wat voor orgaan is nummer 4?

a)

Maag

b)

Hart

c)

Lever

d)

Dunne darm

9.

Wat is nummer 5?

a)

Maag

b)

Lever

c)

Hart

d)

Dikke darm

10.

Wat is nummer 8?

a)

Dikke darm

b)

Dunne darm

c)

Maag

d)

Nier

11.

Welk orgaanstelsel zie je hier?

a)

Ademhalingsstelsel

b)

Verteringsstelsel

c)

Bloedvatenstelsel

12.

Wat is de goede volgorde van de organen? (Van boven naar beneden)

a)

Stengel, blad, wortel, bloem.

b)

Bloem, blad, wortel, stengel.

c)

Bloem, stengel, blad, wortel.

d)

Stengel, bloem, blad, wortel.

13.

Wat is een taak van de bladeren?

a)

Slaan reservevoedsel op

b)

Zorgen voor stevigheid

c)

Maken voedsel door fotosynthese

d)

Nemen water op

14.

Welk onderdeel is nummer 7?

a)

Tubus

b)

Revolver

c)

Oculair

d)

Statief

15.

Welk onderdeel is nummer 3?

a)

Tubus

b)

Tafel

c)

Objectieven

d)

Revolver

16.

Waarmee regel je de hoeveelheid licht die door de lenzen valt?

a)

Objectieven

b)

Lamp

c)

Diafragma

d)

Tafel

17.
Wat is de juiste volgorde van groot naar klein bij de volgende begrippen:
orgaan - organisme - weefsel - orgaanstelsel - cel
a)
cel-orgaan-organisme-weefsel-orgaanstelsel
b)
organisme-orgaan-orgaanstelsel-weefsel-cel
c)
organisme-orgaanstelsel-orgaan-weefsel-cel
d)
cel-weefsel-orgaan-orgaanstelsel-organisme
18.
Zie afbeelding. Welk orgaanstelsel is aangegeven met nummer 3?
a)
Spierstelsel
b)
Ademhalingsstelsel
c)
Bloedvatenstelsel
d)
Lymfevatenstelsel
19.
Welk deel van het lichaam is een orgaanstelsel?
a)
de maag
b)
het oog
c)
het skelet
d)
de slokdarm
20.
Zie afbeelding. Geef de naam van het orgaan dat is aangegeven met nummer 6?
a)
Aorta
b)
Nier
c)
Middenrif
d)
Holle ader
21.
Juist of onjuist? Een weefsel is een groep cellen met verschillende vorm, maar zelfde functie bij elkaar.
a)
Juist
b)
Onjuist, ze hebben dezelfde vorm
22.
Zie afbeelding. Is dit een plantaardige of een dierlijke cel?
a)
Dierlijke cel
b)
Plantaardige cel
23.
Zie afbeelding. Met welk nummer is het cytoplasma aangegeven?
a)
1
b)
2
c)
3
24.
Zie afbeelding. Is dit een dierlijke of een plantaardige cel?
a)
Dierlijke cel
b)
Plantaardige cel
25.
Je ziet een microscopische foto van een deel van deel van een plant. Wat zie je op deze foto?
a)
Slechts één cel maar meerdere weefsels
b)
Meerdere cellen maar slechts één weefsel
c)
Meerdere cellen en meerdere weefsels
26.

Je ziet hier cellen van een organisme. Welke soort cellen zie je?

a)

dierlijke cellen

b)

plantaardige cellen

27.

In de dwarsdoorsnede van de torso is nummer 4 ...

a)

het hart

b)

de long

c)

de ruggewervel

d)

de slokdarm

28.

In cellen regelt de .. alles wat er in de cel gebeuren moet.

a)

vacuole

b)

cytoplasma

c)

celkern

d)

celmembraan

29.

Een hond krijgt puppy's. Dit verschijnsel hoort bij het levenskenmerk ..

a)

ontwikkelen

b)

groeien

c)

voortplanten

d)

bewegen

30.
Als de aarde bij een aardappelplant gedeeltelijk wegspoelt, kan een aardappel boven de grond komen.
Het gedeelte boven de aarde wordt groen. Dit komt doordat plastiden in elkaar overgaan.
Welke verandering bij plastiden treedt op in een deel van een aardappel dat boven de grond komt?
a)
bladgroenkorrels worden zetmeelkorrels
b)
kleurstofkorrels worden zetmeelkorrels
c)
zetmeelkorrels worden kleurstofkorrels
d)
zetmeelkorrels worden bladgroenkorrels
31.
A. Tafel helemaal omlaag draaien en objectief 4x 
B. Tafel omhoog draaien met de grote schroef
C. Preparaat tussen de klemmen en lampje aan
D. Nauwkeurig scherpstellen met kleine schroef
E. Ongeveer scherpstellen met de grote schroef
Wat is de juiste volgorde?
a)
A - C - B - E - D
b)
A - B - C - D -E
c)
A - B - D -C -E
d)
B - A - C -E - D
32.
Hoeveel chromosomen heeft een levercel van een mens?
a)
23
b)
48
c)
46
d)
16
33.

Bij de ordening van de organisme wordt gebruik gemaakt van vier rijken. Welke zijn dat?

a)

Planten

b)

Geleedpotigen

c)

Dieren

d)

Bacteriën

e)

Schimmels

34.

In de afbeelding zie je een dier. Tot welk rijk, welke stam en welke klasse behoort dit organisme?

a)

Rijk: dieren, Stam: geleedpotigen en Klasse: insecten

b)

Rijk: dieren, Stam gewervelden en Klasse: zoogdieren

c)

Rijk: dieren, Stam: gewervelden en Klasse: insecten

d)

Rijk: dieren, Stam: geleedpotigen en Klasse: kreeftachtigen

35.

Stekelhuidigen zijn veelzijdig symmetrisch.

a)

Waar

b)

Niet waar

36.

In de afbeelding kun je een deel van een plant zien. Tot welke stam behoord deze plant?

a)

Tot de mossen

b)

Tot de varens

c)

Tot de zaadplanten

d)

Tot de paardenstaarten

37.

Hieronder staan enkele kenmerken die voorkomen bij organisme:

1) Elke cel heeft bladgroenkorrels.

2) Elke cel heeft een celwand.

3) Elke cel heeft een celkern.

Welke kenmerken komen voor bij dieren?

a)

Alleen kenmerk 1

b)

Alleen kenmerk 2

c)

Alleen kenmerk 3

d)

Kenmerken 1 en 2

e)

Kenmerken 2 en 3

38.

Een bacterie deelt zich zelf elke 30 minuten. Dat betekent dat als we beginnen met een bacterie dan er na 30 minuten 2 bacteriën zijn en na 60 minuten (1 uur) zijn er 4.

Hoeveel bacteriën zijn er na 4 uur?

(a)  

39.

In de afbeelding zie je een dier. Wat voor skelet heeft dit dier?

a)

Een inwendig skelet.

b)

Een uitwendig skelet.

c)

Geen skelet.

40.

Wat voor soort eieren legt een kip?

a)

Eieren zonder schaal.

b)

Eieren met een leerachtige schaal.

c)

Eieren met een kalk schaal.

d)

Een kip legt geen eieren.

41.

In de afbeelding is een cel schematisch getekend.

Tot welk domein behoort het organisme waarvan deze cel afkomstig is?

a)

Eukaryoten

b)

Prokaryoten

c)

Planten

d)

Schimmels

42.

Prokaryoten zijn altijd eencellig

a)

Juist

b)

Onjuist

43.

Paarden en ezels kunnen samen nakomelingen krijgen die we muilezels noemen, muilezels zijn onvruchtbaar


Behoren een ezel en een paard tot één soort?

a)

Nee, ze de nakomelingen zijn onvruchtbaar

b)

Ja, want ze komen uit hetzelfde geslacht

c)

Ja, want ze kunnen nakomelingen krijgen

44.

Welke van onderstaande onderdelen komen in een schimmelcel NIET voor?

a)

Celwand

b)

Bladgroenkorrels

c)

Celkern

45.

Welk celkenmerk heeft het rijk van de bacteriën wel?

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Vacuole

d)

Bladgroenkorrels

46.

Kijk goed naar de afbeelding. Welk type cellen is dit?

a)

dieren

b)

planten

c)

schimmels

d)

bacteriën

47.

Kijk goed naar de afbeelding. Welke cel kan een bacterie zijn?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

geen van deze

48.

Kijk goed naar de afbeelding. Welke cel is cel nummer 4?

a)

bacterie

b)

schimmel

c)

plant

d)

dier

49.
Waar of niet waar? Een wants (zie het plaatje) is tweezijdig symmetrisch.
a)
Waar
b)
Niet waar
50.

Een lichaam bestaat uit drie delen.

Welke delen zijn dit?

a)

lichaam, armen en benen

b)

hoofd, lichaam en ledematen

c)

hoofd, romp en ledematen

51.

Welke twee lichaamsdelen zijn onderdeel van de ledematen?

a)

ellepijp

b)

hand

c)

lendenwervels

d)

ribben

52.

Ligt de ellepijp aan de kant van de duim?

a)

ja

b)

nee

53.

Is bescherming een functie van het skelet?

a)

ja

b)

nee

54.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 4?
a)
Ellepijp
b)
Spaakbeen
c)
Opperarmbeen
d)
Bovenarmbeen
55.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 2?
a)
Spaakbeen
b)
Schouderblad
c)
Borstbeen
d)
Wandbeen
56.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 10?
a)
Scheenbeen
b)
Knieschijf
c)
Scheenbeen
d)
Opperarmbeen
57.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 11?
a)
Heiligbeen
b)
Staartbeen
c)
Heupbeen
d)
Bekken
58.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 3?
a)
Heiligbeen
b)
Halswervel
c)
Ribben
d)
Borstbeen
59.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 14?
a)
Ellepijp
b)
Sleutelbeen
c)
Opperarmbeen
d)
Bovenarmbeen
60.

Welke is GEEN functie van het skelet?

a)

Het houdt ons recht.

b)

Het beschermt een deel van onze organen.

c)

Het beschermt ons tegen bacteriën.

d)

Het vormt ons lichaam.

61.

Welke geslachtscellen kunnen zelf bewegen?

a)

Zaadcellen

b)

Eicellen

62.

Welke geslachtscellen zijn het grootst?

a)

Zaadcellen

b)

Eicellen

63.

Welke geslachtscellen bevatten veel reservevoedsel?

a)

Zaadcellen

b)

Eicellen

64.

Iris had op 3 maart haar eerste dag van de menstruatie. Op welke dag zal haar eerstevolgende eisprong vermoedelijk zijn?

a)

14 maart

b)

17 maart

c)

31 maart

d)

24 maart

65.

Waarvoor dient de opbouw van het baarmoederslijmvlies?

a)

Om bevruchting mogelijk te maken

b)

Om innesteling mogelijk te maken

c)

Om menstruatie mogelijk te maken

66.

Wordt het slijmvlies van de baarmoeder tijdens de menstruatie dikker?

a)

Ja

b)

Nee

67.

Wanneer is een vrouw het meest vruchtbaar?

a)

Vlak na de menstruatie

b)

Vlak voor de menstruatie

c)

Vlak na de eisprong

d)

Vlak voor de eisprong

68.

Hoeveel dagen duurt een menstruatiecyclus ongeveer?

a)

10

b)

14

c)

28

d)

35

69.
In de bijballen worden de zaadcellen tijdelijk opgeslagen
a)
Juist
b)
Onjuist
70.
Nisa is op 1 maart voor het eerst ongesteld. Wanneer vindt haar volgende menstruatie weer plaats?
a)
29 Maart
b)
30 Maart
c)
31 Maart
d)
1 April
71.
Op welke dag vindt op de afbeelding de eisprong plaats? 
a)
21 April
b)
22 April
c)
23 April 
d)
24 April 
72.

Op welke dag (nummer) begint de menstruatie?

a)

1

b)

4

c)

14

d)

8

73.

Wat is de ovulatie

a)

Menstruatie

b)

Eisprong

c)

Eilancering

d)

Bevruchting

74.

Wat is menstrueren?

a)

Afstoten van baarmoederslijmvlies

b)

Afstoten van de eicel

c)

Afstoten van hormonen

d)

Afstoten van vervelende gevoelend

75.
 Met welke letter wordt de plek aangegeven waar een eicel wordt bevrucht?
a)
P
b)
Q
c)
S
d)
R
76.

Judith slikt de pil. Vindt er bij haar nog de ovulatie plaats? En menstruatie?

a)

Wel ovulatie; wel menstruatie

b)

Wel ovulatie; geen menstruatie

c)

Geen ovulatie; wel menstruatie

d)

Geen ovulatie; geen menstruatie

77.

Welk orgaan heeft deze taak:

Zorgen voor de voortplanting, de ontwikkeling van vruchten en zaden.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

78.

De kroonbladeren hebben nummer

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

79.

De kelkbladeren hebben nummer

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

80.

Wat mist op dit plaatje?

a)

Een stamper

b)

Meeldraden

c)

Kroonbladeren

81.

Wat is waar, kijk even naar die mooie paarse bloembladeren...

a)

De kroonbladeren zijn om insecten te lokken, de kelkbladeren om de bloem te beschermen

b)

De kroonbladeren zijn om de bloem te beschermen, de kelkbladeren lokken insecten

c)

De kroonbladeren en de kelkbladeren lokken insekten

d)

De kelkbladeren en de kroonbladen zijn om de bloem te beschermen

82.

Op dit plaatje

a)

Is er wel bestuiving maar nog geen bevruchting

b)

Is er wel bestuiving en ook bevruchting geweest

c)

Is er geen bestuiving maar wel bevruchting geweest

d)

Is er geen bestuiving en geen bevruchting geweest

83.
Welk kenmerk zie je WEL bij een windbloem?
a)
Nectar
b)
Gele kleur
c)
Veel stuifmeelkorrels
d)
Lange meeldraden
84.
Stuifmeel gaat van de ene plant naar de andere plant.
Welk woord zoek ik?
a)
Bevruchting
b)
Bestuiving
c)
Ontkieming
85.
Welke pijl stelt kruisbestuiving voor?
a)
Pijl 1
b)
Pijl 2
c)
Pijl 3
d)
Pijl 4