wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

h14 duurzaam

Total questions: 143

Worksheet time: 1hrs 29mins

Name
Class
Date
1.
Wat houd deze afbeelding in?
a)
Biologische eieren
b)
Ying en Yang
c)
Fairtrade product
d)
Geen van de antwoorden is juist
2.
Welke van de onderstaande antwoorden is een vorm van groene energie
a)
Windenergie
b)
Fossiele brandstof
c)
Benzine
d)
Kerosine
3.

wat zijn de gevolgen van duurzaam leven?

a)

vervuilde oceanen

b)

uitsterven verschillende diersoorten

c)

verder verstoren co2 kringloop

d)

langer behoud van de aarde

4.

Wat is duurzaamheid?

a)

Het vervuilen van je omgeving.

b)

Als de mens, het milieu en de economie met elkaar in evenwicht zijn zodat we de aarde niet uitputten.

c)

Dat we het milieu schoon houden door afval te scheiden.

d)

Het recyclen van afval.

5.

Wat zijn fossiele brandstoffen?

a)

CO², zonlicht, aardolie

b)

zonlicht, wind, aardgas

c)

aardgas, aardolie, steenkool

d)

steenkool, aardgas, zonlicht

6.

Wat betekent dit plaatje?

a)

Het product is duurzaam

b)

Het product is te recyclen

c)

Het product is schadelijk voor het milieu

d)

Het product is schadelijk voor de mens

7.

Wat is het probleem van gebruik van fossiele brandstoffen voor het klimaat?

a)

Fossiele brandstoffen kunnen opraken

b)

Fossiele brandstoffen stinken

c)

Fossiele brandstoffen zorgen voor minder zuurstof in de lucht

d)

Fossiele brandstofden stoten CO2 gas uit

8.

Wat is duurzaamheid?

a)

Ongezond voedsel voor ons, onze kinderen en kleinkinderen

b)

Gezond voedsel voor ons en onze kinderen.

c)

Gezond en ongezond voedsel voor ons en onze kinderen.

d)

Gezond voedsel voor ons, voor onze kinderen en kleinkinderen.

9.

Wat is waterstress?

a)

Het tekort aan drinkwater

b)

Het teveel aan drinkwater

c)

Precies genoeg drinkwater

10.

De waterstress van Saoedi Arabie is groter dan die van Nederland

a)

Waar

b)

Niet waar

11.

Wat is geen oorzaak van de toenemende waterstress

a)

een droog klimaat

b)

snel groeiende bevolking

c)

een grote watervoetafdruk

d)

vervuiling van waterbronnen

12.

Wat laat de afbeelding zien?

a)

Drainage

b)

Beregening

c)

Geulirrigatie

d)

Druppelirrigatie

13.

Bekijk de afbeelding: dit is een voorbeeld van

a)

duurzaam consumeren

b)

duurzaam produceren

14.

Bekijk de afbeelding: dit is een voorbeeld van

a)

duurzaam consumeren

b)

duurzaam produceren

15.

Welke vervuiling bestaat er niet ?

a)

Thermische vervuiling

b)

Chemische vervuiling

c)

Organische vervuiling

d)

Zoutvervuiling

16.

Als er warm water terug wordt gegooid in de rivier is dat....... vervuiling

a)

chemische

b)

thermische

c)

natuurlijke

d)

organische

17.

Bekijk de bron, wat moet er op de plaats van het ? staan?

a)

watervoetafdruk

b)

waterstress

c)

watervervuiling

d)

waterbeheer

18.

Door wie wordt organische vervuiling veroorzaakt?

a)

Industrie

b)

Mensen en dieren

c)

Elektriciteitscentrales

19.

Bekijk de bron: Een voedseldeskundige doet de volgende twee uitspraken naar aanleiding van de bron:

Uitspraak I: Wanneer iedereen in de wereld een dag geen kip zou eten, dan zou de watervoetafdruk aanzienlijk kleiner worden.

Uitspraak II: Mensen moeten minder vlees en meer granen

en groenten eten. Dat is veel gezonder en de waterstress

wordt daardoor groter.

a)

Beide uitspraken zijn juist.

b)

Uitspraak I is juist, uitspraak II is onjuist.

c)

Uitspraak I is onjuist, uitspraak II is juist.

d)

Beide uitspraken zijn onjuist.

20.

Wat betekent klimaat?

a)

Het gemiddelde weer over een periode van 10 jaar.

b)

Het gemiddelde weer over een periode van 30 jaar.

c)

Het gemiddelde weer over een periode van 50 jaar.

d)

De toestand van de atmosfeer op een bepaald moment.

21.

Hoe noem je de luchtlaag om ons heen?

(a)  

22.

Wat komt er vrij door de verbranding van fossiele brandstoffen?

(a)  

23.

Wat zijn voorbeelden van fossiele brandstoffen?

a)

Aardgas

b)

Aardolie

c)

Steenkool

d)

Water

e)

Goud

24.

De aanwezigheid van het natuurlijk broeikaseffect is....

a)

erg schadelijk

b)

helemaal niet schadelijk

25.

Wat zijn voorbeelden van een steeds extremer klimaat?

a)

Meer stormen

b)

Stortregens

c)

Hittegolven

d)

Langdurige droogte

e)

De poolkappen smelten

26.

In welk jaar wil Nederland klimaatneutraal zijn?

a)

2025

b)

2040

c)

2050

d)

2065

27.

Wanneer raken duurzame energiebronnen op?

a)

Nooit

b)

Als het warmer wordt op aarde

c)

Als het kouder wordt op aarde

d)

Als de fossiele brandstoffen niet meer uit de grond te halen zijn.

28.

Wat is GEEN voorbeeld van duurzame energie opwekken?

a)

Zonnepanelen

b)

Windturbines

c)

Warmtepompen

d)

Steenkolencentrale

29.

Wat is een ander woord voor transitie?

(a)  

30.

Wat zijn nadelen van windenergie?

a)

De windmolens worden als lelijk ervaren

b)

Als er geen wind is dan is er geen energie

c)

De windmolens maken veel lawaai

d)

Er is veel biomassa nodig om ze te laten draaien

31.

Wanneer leveren zonnepanelen weinig op?

a)

In de winter

b)

In de lente

c)

In de zomer

d)

In de herfst

32.

Wat wordt in Nederland het meest gebruikt om energie mee op te wekken?

a)

Aardgas

b)

Aardolie

c)

Steenkool

d)

Zonnepanelen

33.

Hoe heet het als planten co2 opnemen en er vervolgens zuurstof van maken?

(a)  

34.

Welke duurzame energiebron gebruiken we in Nederland het meest?

a)

Windenergie

b)

Zonne-energie

c)

Aardgascentrales

d)

Biobrandstoffen

35.

Wat is waar over de toekomstige neerslag in Nederland?

a)

Het gaat vaker regenen

b)

Het gaat harder regenen

c)

De hoeveelheid regen wordt groter

36.

Hoe heet het als water van een druppel overgaat naar een gas?

(a)  

37.

Wat is waar over de toekomstige zomers?

a)

Die worden langduriger droog

b)

Die worden warmer

c)

Die zullen extreem harde regenbuien gaan kennen

d)

De verdamping is kleiner dan de regenval

38.

Wat is de afkorting van het weerinstituut in Nederland?

a)

KNMI

b)

KNVB

c)

KNAM

d)

KNIL

39.

Wat is het stedelijk-warmte eiland?

a)

Een project van de provincie Utrecht

b)

Het feit dat steden warmer zijn als hun omgeving

c)

De samenwerking tussen Nederlandse steden

d)

Het feit dat het bomen zorgen voor verkoeling

40.

Hoeveel warmer zijn stedelijke gebieden vergeleken met plattelandsgebieden?

a)

1-3 graden

b)

4-8 graden

c)

2-3 graden

d)

Meer dan 10 graden

41.

Stelling: biomassa is altijd duurzaam

a)

Deze stelling is goed

b)

Deze stelling is fout

42.

In welke Nederlandse provincie zit er aardgas in de bodem?

a)

Groningen

b)

Friesland

c)

Noord-Holland

d)

Drente

43.

Stelling: het klimaat verandert al miljoenen jaren

a)

Dat klopt

b)

Dat klopt niet

44.
Dit plaatje laat het versterkt broeikaseffect zien
a)
Juist
b)
Onjuist
45.
Bij het versterkt broeikaseffect komen er minder/meer broeikasgassen in de lucht
a)
Minder
b)
Meer
46.
Wie stoot in NL broeikasgassen uit? 
a)
Voornamelijk door het verkeer en vervoer
b)
Voornamelijk door de productie van goederen
c)
Voornamelijk door gebouwen
d)
Voornamelijk door de landbouw 
47.
Welke gevolgen van klimaatverandering horen bij Nederland?
a)
Zeespiegelstijging, hittegolven, regenbuien en stijgende rivieren
b)
Zeespiegelstijging, hittegolven en regenbuien
c)
Stijgende rivieren, zeespiegelstijging en regenbuien 
d)
Stijgende rivieren, zeespiegelstijging en hittegolven
48.

welk gas zorgt voor een versterkt broeikaseffect?

a)

zuurstof

b)

lucht

c)

koolstofdioxide

d)

waterstof

49.

Wat is de meest co2 uitstotende manier van reizen?

a)
b)
c)
d)
50.

Wat betekent 'adaptie'?

(a)  

51.

Wat zijn zaken die water tegenhouden?

a)

Duinen

b)

Polders

c)

waterschappen

d)

stormvloedkeringen

e)

dammen

52.

Wat doen waterschappen?

a)

Zorgen voor waterveiligheid

b)

Zorgen voor voldoende zoet water

c)

Zorgen voor waterzuivering

d)

Zorgen voor klimaatadaptie

e)

Onderhouden de stormvloedkeringen

53.

Welke antwoorden zijn goed? Een polder...

a)

ligt vaak onder zeeniveau

b)

heeft een kunstmatige waterstand

c)

zou moerassen of zee zijn als er geen dijk omheen stond

d)

bestaat uit zandgronden

54.

Stormvloedkeringen....

a)

liggen vooral in west nederland

b)

zijn gesloten bij extreem weer

c)

zijn door de natuur gemaakt

d)

worden hooguit een paar keer per week gebruikt

55.

Welke 2 zaken veroorzaken in Nederland problemen als het gaat om klimaat?

a)

De daling van de bodem

b)

Het stijgen van de zeespiegel

c)

Een flinke duinenrij

d)

De daling van het grondwater

56.

Waaruit bestaat veen?

a)

plantenresten

b)

dierenresten

c)

zand

d)

klei

57.

Veen...

a)

Zakt in elkaar

b)

Is stevig en stabiel

c)

Komt omhoog

58.

Wat is suppletie?

a)

aanvulling

b)

verwijderen

c)

ophogen

d)

opspuiten

59.

Hoeveel daalt de bodem tot nu toe door aardgaswinning?

a)

300m

b)

300cm

c)

30cm

d)

2cm

e)

2m

60.

Wat gaat er in Nederland gebeuren?

a)

Steeds meer stortbuien

b)

Meer watertoevoer uit andere gebieden

c)

Steeds meer schommelingen in het debiet

d)

Kleinere kans op overstroming door de hitte

61.

Welk deel van Nederland daalt het meest?

a)

Het westen

b)

Het oosten

c)

Het zuiden

d)

Het noorden

62.

Zomerdijken...

a)

zijn laag

b)

zijn hoog

63.

Wat is het nut van zulke waterpleinen?

a)

Overtollig regenwater opvangen

b)

Water verzamelen om te drinken

c)

Recreatie voor kinderen

d)

Overstroming van rivieren opvangen

64.

Hoe heet deze maatregel in de kustbescherming?

(a)  

65.

Wat zien we hier?

(a)  

66.

Iemand doet twee uitspraken:

1-De aardbevingen in Groningen hebben te maken met het opwekken van duurzame energie.

2-Sinds 1850 is de gemiddelde temperatuur ongeveer 8 graden Celsius gestegen.

Welke - uitspraak is / uitspraken zijn - (on)juist?

a)

Uitspraak 1 is juist, 2 niet.

b)

Uitspraak 2 is juist, 1 niet.

c)

Beide uitspraken zijn juist.

d)

Beide uitspraken zijn onjuist.

67.

Welke plek in Nederland loopt het grootste overstromingsrisico? Kies het juiste antwoord met behulp van het kaartje.

a)

Zeeland en het gebied rond Rotterdam, want daar ontmoeten zeewater en rivierwater elkaar bij zo’n superstorm.

b)

Den Haag, want die stad ligt vlak achter een zwakke schakel langs de Noordzeekust.

c)

Nijmegen en Arnhem, want bij een hoge waterstand van de zee kan het rivierwater van de Waal, de Rijn, de IJssel en de Maas niet weglopen.

d)

Noord-Nederland, want hier worden de dijken nauwelijks verbeterd. Alleen zandsuppletie houdt zo’n storm niet tegen.

68.

Welke zinnen zijn juist bij het onderwerp klimaatverandering?

a)

Er valt minder neerslag als sneeuw en meer als regen.

b)

Er valt minder neerslag als regen en meer als sneeuw.

c)

Rivieren zullen vaker hoge waterstanden krijgen.

d)

Rivieren zullen minder vaak hoge waterstanden krijgen.

e)

Er zullen vooral in de zomer meer stortbuien vallen.

69.

Welk woord heeft niets te maken met de oorzaken van bodemdaling in Nederland?

a)

Interglaciaal

b)

Biomassa

c)

Aardgas

d)

Polder

70.

Zeestromen in de Noordzee verplaatsen zand. Welke gevolgen heeft dat voor de kust van Nederland? Kies het juiste antwoord.

a)

Het zand wordt door de zeestromen afgevoerd en dat maakt de Nederlandse kust steeds zwakker.

b)

Er is teveel zand dat aanspoelt op de kust. Daarom wordt het zand met zandsuppletie verspreid langs de kust.

c)

Het zeewater en het zand schuren de kust van Nederland steeds verder af.

d)

Het zand wordt door de zeestromen aangevoerd en maakt de kust van Nederland sterk.

71.

Geef aan welke zinnen juist zijn.

a)

De mens is de oorzaak van de zeespiegelstijging op aarde.

b)

In Laag-Nederland liggen veel dichtbevolkte gebieden.

c)

Niet alleen de mens, maar ook de natuur is de oorzaak van de bodemdaling in Nederland.

d)

De meeste gebieden in Nederland die al onder de zeespiegel liggen, dalen nog verder.

e)

Hoog-Nederland is dichtbevolkt.

72.

Fossiele brandstoffen zijn energiebronnen/brandstoffen die niet vervuilen en nooit opraken.

a)

Waar

b)

Niet waar

73.

Waarvoor gebruiken we fossiele brandstoffen?

a)

Om een auto te laten rijden.

b)

Om ons huis te verwarmen.

c)

Om elektriciteit op te wekken.

74.

Welke stof zorgt ervoor dat de temperatuur op aarde toeneemt?

a)

CO2

b)

Aardgas

c)

Stikstof

d)

Zuurstof

75.

Op welke manieren kun je de uitstoot van CO2 omlaag brengen?

a)

Door energie te besparen.

b)

Door duurzame/hernieuwbare energiebronnen te gebruiken.

c)

Door fossiele brandstoffen te gebruiken.

76.

Wat valt onder de energiebesparing?

a)

De verwarming lager zetten.

b)

Zonne-energie gebruiken.

c)

Door te isoleren.

d)

Windenergie gebruiken.

e)

Energiezuinige apparaten te gebruiken.

77.

Duurzame energie die wordt opgewekt met de straling van de zon.

a)

zonne-energie

b)

windenergie

c)

geothermische energie

d)

hydro-elektriciteit

e)

biomassa

78.

Welke duurzame energiebron zie je op de foto?

a)

windenergie

b)

zonne-energie

c)

hydro-elektriciteit

d)

geothermische energie

e)

biomassa

79.

Welke duurzame energiebron zie je op de foto?

a)

geothermische energie

b)

biomassa

c)

hydro-elektriciteit

d)

windenergie

e)

zonne-energie

80.

Resten van planten zoals plantaardige olie, hout, groente- en tuinafval waarmee energie wordt opgewekt.

a)

Geothermische energie

b)

Biomassa

c)

Windenergie

d)

Zonne-energie

e)

Hydro-elektriciteit

81.

Duurzame energie waarbij elektriciteit wordt opgewekt door waterkracht.

a)

Geothermische energie

b)

Biomassa

c)

Windenergie

d)

Zonne-energie

e)

Hydro-elektriciteit

82.

Het broeikaseffect waar de natuur zelf voor zorgt met een gemiddelde temperatuur van 18 graden Celsius.

a)

natuurlijk broeikaseffect

b)

versterkt broeikaseffect

83.

Welke duurzame energiebron wekt in Nederland nu nog de meeste energie op?

a)

zonne-energie

b)

windenergie

c)

biomassa

d)

hydro-elektriciteit

e)

geothermische energie

84.

Welke fossiele brandstof wekt in Nederland de meeste energie op?

a)

Steenkool

b)

Aardgas

c)

Aardolie

85.

Wat is de belangrijkste energiebron in Nederland?

a)

Stroom

b)

Aardgas

c)

Windenergie

d)

Zonne-energie

86.

Waar werd een enorme gasbel ontdekt

a)

Groningen, Groningen

b)

Friesland, Franeker

c)

Groningen, Slochteren

d)

Drenthe, Beilen

87.

Waar liggen nog meer gasbellen?

a)

In Gelderland, Drenthe en Friesland

b)

In Utrecht, Gelderland en de Noordzee

c)

In de Noordzee, de Waddenzee en Friesland

d)

In de Noordzee en de Waddenzee

88.

Aardgas is een fossiele energiebron of fossiele brandstof. Wat betekent dit?

a)

Dat je er fossielen in kunt vinden en dat het ontstaan is in de loop van de miljoenen jaren.

b)

Dat het uit resten van afgestorven planten, dieren en bomen is ontstaan. En dat het er miljoenen jaren over heeft gedaan om zich te vormen.

c)

Dat het een energiebron is die opgewekt is door energiecentrales.

d)

Dat het een energiebron is die ontstaan is uit andere brandstoffen.

89.

Wat zijn voorbeelden van duurzame energiebronnen

a)

Aardgas, benzine, zonnepanelen

b)

Windenergie, aardgas en zonne-energie

c)

Zonne- en windenergie

90.

Wat is duurzame energie?

a)

Energie die altijd blijft bestaan

b)

Energie die is opgewekt door energiebronnen die ooit opraken.

c)

Energie die uit de grond komt.

d)

Energie die is opgewekt door energiebronnen die nooit op raken.

91.

Waarom zijn fossiele brandstoffen en elektriciteit belangrijk voor de welvaart?

a)

Ze worden gebruikt om geld te verdienen. Voorbeelden zijn benzine, kerosine, diesel en elektriciteit.

b)

Ze worden gebruikt om auto's, vliegtuigen en boten te vervoeren. Ook kunnen fabrieken werken door steenkool en aardgas en elektriciteit.

c)

Ze worden gebruikt om iedereen te voorzien van alles wat we nodig hebben.

d)

Ze worden gebruikt om auto's, vliegtuigen en boten te vervoeren. Hierdoor kan het over de hele aarde worden verplaatst en verkocht.

92.

Wat zou het betekenen voor het hoge ontwikkelingspeil van ons land als de fossiele brandstoffen er niet waren?

a)

Dat zou er dan niet meer zijn

b)

Dat zou geen probleem zijn, we hebben nog wind- en zonne-energie.

c)

Dat zou lastig zijn, maar gelukkig hebben we nog wind- en zonne-energie.

93.

Wat zijn de (mogelijke) gevolgen van de aardbevingen in Groningen?

a)

Scheuren in huizen, eventuele dijkdoorbraken.

b)

Huizen storten in, eventuele dijkdoorbraken.

c)

Scheuren in huizen, dijkdoorbraken

d)

Huizen storten in, dijkdoorbraken.

94.

Wat zijn de nadelen van het gebruik van fossiele brandstoffen?

a)

Het verhoogt het koolzuurgasniveau (CO2) in de lucht. Daardoor ontstaat het broeikaseffect. Hierdoor wordt het kouder op aarde en ontstaat klimaatverandering.

b)

Het verlaagt het koolzuurgasniveau (CO2) in de lucht. Daardoor ontstaat het broeikaseffect. Hierdoor wordt het kouder op aarde en ontstaat klimaatverandering.

c)

Het verlaagt het koolzuurgasniveau (CO2) in de lucht. Daardoor ontstaat het broeikaseffect. Hierdoor wordt het warmer op aarde en ontstaat klimaatverandering.

d)

Het verhoogt het koolzuurgasniveau (CO2) in de lucht. Daardoor ontstaat het broeikaseffect. Hierdoor wordt het warmer op aarde en ontstaat klimaatverandering.

95.

Wat zijn de gevolgen van de klimaatverandering?

a)

De temperatuur van het zeewater stijgt en warmt het zeewater op. Warm water zet uit en neemt meer ruimte in beslag en komt dus omhoog. Daardoor stijgt de zeespiegel.

b)

De temperatuur van het zeewater daalt en koelt het zeewater af. Dit water zet uit en neemt meer ruimte in beslag en komt dus omhoog. Daardoor stijgt de zeespiegel.

96.

Doordat landijs en gletsjers smelten, komen grote hoeveelheden smeltwater in zee terecht. Hierdoor ontstaat de zeespiegelstijging.

a)

goed

b)

fout

97.

Een gevolg van het gebruik van fossiele brandstoffen is klimaatverandering. Een ander gevolg is: De voorraad wordt steeds kleiner, dat komt doordat er geen nieuwe fossiele brandstoffen meer ontstaan.

a)

goed

b)

fout

98.

Duurzaam omgaan met fossiele brandstoffen betekent dat je zorgt dat je niet meer opmaakt dan dat er bij komt.

a)

goed

b)

fout

99.

Noem voorbeelden van energiebesparing

a)

isoleren, verwarming omlaag, minder douchen, duurzaam omgaan met fossiele brandstoffen, andere energiebronnen gebruiken.

b)

isoleren, verwarming omlaag, koud water gebruiken, duurzaam omgaan met fossiele brandstoffen, andere energiebronnen gebruiken.

c)

isoleren, verwarming uit, koud water gebruiken, duurzaam omgaan met fossiele brandstoffen, andere energiebronnen gebruiken.

d)

isoleren, minder gas gebruiken in huis, duurzaam omgaan met fossiele brandstoffen, andere energiebronnen gebruiken.

100.

Met wind kun je ook stroom opwekken, dat noemen we windenergie. wat klopt over windenergie?

a)

windmolens zijn prima, maar niet te dichtbij huizen

b)

windmolens mogen niet op zee worden gebouwd

c)

windmolens op zee zijn duur om te bouwen en te onderhouden

d)

windmolens zijn niet altijd betrouwbaar, er is niet altijd wind

e)

windmolens zorgen altijd voor energie

101.

Wat is waar over zonne-energie?

a)

Het neemt langzaam toe in Nederland

b)

Een deel van de elektriciteit wordt opgewekt door de zon

c)

zonnepanelen zorgen ervoor dat je geen andere stroom meer nodig hebt.

d)

zonne-energie is betrouwbaar, de zon is er altijd.

102.

In Nederland wordt de meeste duurzame energie opgewekt door het verbranden van .....

4 lines
103.

Wat is biomassa?

a)

Fossiele brandstoffen

b)

Duurzame energie

c)

Plantaardige producten

104.

Wat is het verschil tussen fossiele brandstoffen en biomassa?

a)

Biomassa kan makkelijk worden bijgemaakt, fossiele brandstoffen niet.

b)

Fossiele brandstoffen kunnen makkelijk worden bijgemaakt, biomassa niet.

105.

Boeren verbouwen mais, soja en andere gewassen om biomassa van te maken.

a)

goed

b)

fout

106.

Wat is het probleem met het verbouwen van biomassa?

a)

het neemt veel ruimte in

b)

het is slecht voor de CO2 uitstoot.

c)

het zorgt ervoor dat bomen worden gekapt

d)

het zorgt ervoor dat er op die plekken geen gewassen kunnen worden verbouwd om van te eten.

e)

Het is niet goed voor de dieren

107.

Wat betekent dit keurmerk?

a)

Is gemaakt zonder chemische mest en bestrijdingsmiddelen

b)

Deze producten zijn op een diervriendelijke manier geproduceerd

108.

Wat betekent dit keurmerk?

a)

Dit hout komt uit duurzaam onderhouden bossen

b)

Boeren krijgen een eerlijke prijs voor dit product

109.

Langdurig goed en niet slecht voor het milieu.

a)

Duurzaam

b)

Mileubesparend

c)

Groene energie

d)

Fossiele brandstoffen

110.

Hernieuwbare energiebronnen zijn

a)

Zonne energie en kernenergie

b)

Wind energie en waterkracht

c)

Aardolie en steenkool

d)

Zonne energie en aardgas

111.

Welk begrip wordt hier bedoeld? ‘Een grote akker waarop slecht één gewas wordt verbouwd.’

a)

Intensieve landbouw

b)

Monocultuur

c)

Akkerbouw

d)

Biologische landbouw

112.

Waarom is het eten van veel rundvlees niet erg duurzaam?

a)

Het kost erg weinig water om vlees te produceren

b)

Wereldwijd gaan mensen steeds meer vlees eten

c)

Het verbouwen van voer voor de dieren neemt geen ruimte in beslag

d)

Koeien stoten een zeer zwak broeikasgas uit.

113.

Wat gebruikt een Nederlandse boer op zijn akkergrond voor het verbouwen van voedsel? Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.

a)

Kunstmest

b)

Geen kunstmest, alleen mest van dieren.

c)

Bestrijdingsmiddelen

d)

Geen bestrijdingsmiddelen

e)

Alles met de hand verbouwen

114.

Bekijk de figuur. Welk begrip past het best erbij?

a)

Biologische landbouw

b)

Genetische modificatie

c)

Monocultuur

d)

Milieuvervuiling

115.

Waarom zijn de prijzen van producten uit de intensieve landbouw lager dan de prijzen van biologische producten?

a)

Voor intensieve landbouw worden dure machines en robots gebruikt

b)

Er worden bestrijdingsmiddelen gebruikt om ziekten te voorkomen

c)

De opbrengsten per hectare en per dier zijn flink hoger.

d)

De transportkosten in de intensieve landbouw zijn lager.

116.

Bekijk de figuur. Wat wordt er bedoeld met de hoeveelheden soja die in de figuur zijn weergegeven?

a)

Het is de hoeveelheid sojamelk die in ieder product verwerkt is.

b)

Het gewicht staat voor de hoeveelheid soja die het desbetreffende dier eet.

c)

Soja is een ingrediënt van alle producten die er staan.

d)

Per product is die hoeveelheid soja benodigd als bijvoorbeeld veevoer.

117.

Welke brandstof wordt hier verwerkt tot energie?

a)

steenkool

b)

bio-energie

c)

kern-energie

d)

zonne-energie

118.

Welke energiebron wordt hier afgebeeld?

a)

windenergie

b)

kern-energie

c)

zonne-energie

d)

bio-energie

119.

Waar wordt aardolie opgehaald?

a)
b)
c)
d)
120.

Welke grondstof is nodig om kern-energie te maken?

a)

steenkool

b)

meststof

c)

uranium

121.

Wat is zonne-energie?

a)

een fossiele brandstof

b)

een duurzame brandstof

122.

Wat zijn aardolie en aardgas?

a)

Het zijn duurzame brandstoffen.

b)

Het zijn fossiele brandstoffen.

123.

Welk nadeel past bij kern-energie?

a)

Het omzetten van afval naar energie kost veel geld. De installaties zijn duur.

b)

Je hebt snelstromend water nodig om voldoende energie op te wekken.

c)

Bij radioactieve straling is schadelijk voor de mens. Het afval wordt opgeslagen omdat er geen gepaste verwerking gekend is.

124.

Welk nadeel past bij het verwerken van steenkool?

a)

Het kan ontploffen en het is zeer giftig.

b)

De verbranding leidt tot luchtverontreiniging. Mijnwerkers werken in ongezonde en gevaarlijke omstandigheden.

c)

Als het windstil is, heb je geen energie.

125.

Welk voordeel wordt hier besproken?

Het is duurzaam en zorgt voor een vermindering van de uitstoot van CO2. Afval wordt toch nog nuttig gebruikt.

a)

Zonne-energie

b)

Bio-massa

c)

kern-energie

d)

geen van bovenstaand antwoorden

126.

Welke brandstof is relatief goedkoop?

a)

bio-massa

b)

aardolie

c)

zonne-energie

127.

Welke bewering past bij aardgas?

a)

Op sommige plaatsen zijn er nog grote voorraden, maar in België is het uitgeput.

b)

Het kost niets, het is milieuvriendelijk en het is duurzaam.

c)

Het is gemakkelijk te vervoeren. Ondergrondse leidingen brengen het tot in de huizen.

d)

Het veroorzaakt geen luchtvervuiling. Er zijn grote voorraden uranium.

128.

Waar of niet waar?

Aardolie is ontstaan uit resten van planten en dieren.

a)

Waar

b)

Niet waar

129.

Welke brandstof wordt afgebeeld?

a)

bio-massa

b)

steenkool

c)

uranium

130.

Zonne-energie wordt omgezet naar ...

a)

stromend water

b)

elektriciteit

c)

gas om te koken

131.

Wat is duurzaamheid?

a)

Het vervuilen van je omgeving.

b)

Als de mens, het milieu en de economie met elkaar in evenwicht zijn zodat we de aarde niet uitputten.

c)

Dat we het milieu schoon houden door afval te scheiden.

d)

Het recyclen van afval.

132.

Wat zijn fossiele brandstoffen?

a)

CO², zonlicht, aardolie

b)

zonlicht, wind, aardgas

c)

aardgas, aardolie, steenkool

d)

steenkool, aardgas, zonlicht

133.

De oorzaken van de klimaatsverandering zijn....

a)

methaan van koeien, stijging zeespiegel, temperatuurstijging

b)

temperatuurstijging, ontbossing, natuurrampen

c)

ontbossing, methaan van koeien, uitstoot CO²

134.

Wat gebeurt er als de gletsjers te snel gaan smelten?

a)

Het smeltwater verdwijnt in de grond.

b)

Het smeltwater verdwijnt in de waterlopen.

c)

Het smeltwater kan niet allemaal door de grond opgenomen worden en komt zo terecht in rivieren en zeeën. Dit kan zorgen voor overstromingen.

135.
Waarom moet er in de toekomst worden overgegaan op andere energiebronnen? 
a)
Fossiele brandstoffen worden te duur
b)
Fossiele brandstoffen dreigen op te raken
c)
Door de winning van fossiele brandstoffen zijn er steeds meer aardbevingen.
136.

Wat is duurzame energie?

a)

Energie die duur is: je betaalt er veel geld voor

b)

Energie uit wind, zon of water (dat is minder vervuilend)

c)

Energie uit fossiele brandstoffen (dat is minder vervuilend)

d)

Energie uit fossiele brandstoffen (dat is zeldzaam)

137.

Zonne-energie en windenergie zijn.... energiebronnen.

a)

Dure

b)

Duurzame

c)

Goedkope

d)

Nieuwe

138.

wat bedoelen we met duurzame energie?

a)

dat het slecht is voor het mileu

b)

dat er weinig van is op aarde

c)

dat we er weinig van gebruiken

d)

dat het nooit op kan raken

139.

We gebruiken als mens veel meer dan de aarde aankan. Hoeveel planeten hebben we nodig in 2050 als we zo doorgaan?

a)

1,5x de aarde

b)

2x de aarde

c)

3x de aarde

d)

4x de aarde

140.

Jaarlijks wordt veel goed voedsel weggegooid. Hoeveel vrachtwagens zou je in Nederland met dat voedsel kunnen vullen?

a)

15

b)

100

c)

1500

d)

100000

141.

Welk soort afval is het meest schadelijk voor het milieu?

a)

Papier of karton

b)

Plastic

c)

Etensresten

d)

Hout

142.

Welk probleem zie je op het plaatje?

a)

De plastic bubbel

b)

De plastic oceaan

c)

De plastic soep

143.

Dit is Boyan Slat. Wie is deze jongen en waar komt hij vandaan?

a)

Een Amerikaanse student die een oplossing tegen de plastic soep bedacht

b)

Een Britse uitvinder die een oplossing tegen de plastic soep bedacht

c)

Een Russische jongen die voor zijn werk een oplossing tegen de plastic soep bedacht

d)

Een Nederlandse scholier die voor zijn profielwerkstuk een oplossing bedacht tegen de plastic soep