wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Erfelijkheid en evolutie

Total questions: 28

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

In de afbeelding zie je een jonge Maleise tapir en zijn moeder. Heeft het jonge dier hetzelfde fenotype als het volwassen dier?

a)

juist

b)

onjuist

2.

In de afbeelding zie je een jonge Maleise tapir en zijn moeder. Heeft het jonge dier hetzelfde genotype als het volwassen dier?

a)

juist

b)

onjuist

3.

Sara heeft een broertje Thijs en een zusje Anna. Hebben Sara, Thijs en Anna hetzelfde DNA?

a)

juist

b)

onjuist

4.

Hoeveel chromosomen heeft een cel van de maagwand?

a)

2

b)

23

c)

46

d)

Dat kun je niet weten

5.

Verandert bij celdeling de informatie voor erfelijke eigenschappen?

a)

ja

b)

nee

6.

John heeft veel getraind. Zijn spieren zijn hierdoor dik geworden. Is er bij John het fenotype veranderd?

a)

Zeker

b)

nee, dat verandert nooit

7.

Wanneer komt het genotype van een baby tot stand?

a)

bij de vorming van de eicel

b)

bij de bevruchting

c)

bij de geboorte

8.

Alle zichtbare eigenschappen van een organisme noemen we

a)

Fenotype

b)

Genotype

9.

Je hebt twee paar geslachtschromosomen

a)

Juist

b)

Onjuist

10.

Geslachtschromosomen bepalen of je man bent of vrouw. Welke combinatie is juist.

a)

XY = vrouw

b)

XY = man

11.

Hoeveel genen heb je voor een eigenschap?

a)

1

b)

2

c)

23

d)

46

12.

Als de erfelijke informatie voor een eigenschap hetzelfde is ben je

a)

Homozygoot

b)

Heterozygoot

13.

Een dominant gen komt altijd tot uiting

a)

Juist

b)

Onjuist

14.

Een eeneiige tweeling ontstaat uit....

a)

Een eicel en een zaadcel

b)

Een eicel en twee zaadcellen

c)

Twee eicellen en een zaadcel

d)

Twee eicellen en twee zaadcellen

15.

Dit is een eeneiige tweeling. Welke uitspraak klopt?

a)

Genotype en fenotype zijn gelijk

b)

Genotype en fenotype zijn ongelijk

c)

Genotype is gelijk, fenotype is niet gelijk

d)

Genotype is ongelijk, fenotype is gelijk

16.

Hoeveel geslachtschromosomen bevat een zaadcel?

a)

1 - X of Y

b)

2 - XY

17.

De begrenzing van het hoofdhaar bij het voorhoofd kan in een rechte lijn lopen of in een punt naar voren. Deze eigenschap is erfelijk bepaald. Bij een vrouw groeit het hoofdhaar in een punt naar voren. Ze is voor deze eigenschap heterozygoot (Aa). Ze krijgt een kind van een man bij wie het hoofdhaar in een rechte lijn groeit, hij is homozygoot (aa).

Hoe groot is de kans dat het haar bij het kind in een rechte lijn groeit?

a)

100%

b)

75%

c)

50%

d)

25%

18.

Een homozygoot recessief genen paar is

(a)  

19.

een heterozygoot genenpaar schrijven we als

(a)  

20.

een dominant homozygoot genenpaar schrijven we als

(a)  

21.

Mensen vinden de hond tekkel het mooist als ze een lange rug hebben met korte pootjes. Veel fokkers zetten dus de de tekkels met de kortste pootjes en de langste ruggen bij elkaar zodat deze weer kinderen kunnen krijgen. Welk soort selectie is dit?

a)

Natuurlijke selectie

b)

Kunstmatige selectie

22.

Reimer beweert dat radioactieve straling kan leiden tot beschadiging van DNA. Sanne beweert dat bepaalde chemische stoffen mutaties in het DNA kunnen veroorzaken.

Wie heeft of wie hebben gelijk?

a)

Alleen Reimer

b)

Alleen Sannah

c)

Zowel Reimer als Sannah

23.

Bij een mutatie zijn een of meerdere genen veranderd of gemuteerd

a)

waar

b)

niet waar

24.
Kunnen door mutaties en geslachtelijke voortplanting organismen ontstaan met nieuwe genotypen?
a)
juist
b)
onjuist
25.

Het lichaam van onze voorouders is veranderd door erfelijke variatie en natuurlijke selectie

a)

waar

b)

niet waar

26.
Voorbeelden van rudimentaire organen bij de mens zijn:
a)
dunne dram en staartbeen
b)
dunne darm en blinde darm
c)
blinde darm en staartbeen
27.

Waarom zijn fossielen een belangrijk argument voor de evolutietheorie?

a)

Door fossielen kunnen we aantonen dat door de loop van de tijd soorten zijn ontstaan, verdwenen en veranderd.

b)

Door fossielen weten we de afstamming van alle soorten

c)

Uit fossielen kan DNA worden gehaald. Dit DNA geeft aan dat door de loop van de tijd soorten zijn ontstaan, verdwenen en veranderd.

d)

Fossielen geven te weinig informatie over de evolutie van soorten en het is een te zwak argument voor de evolutietheorie.

28.

In een bepaalde populatie komen ongeveer evenveel slakken met lichtgekleurde huisjes voor als slakken met donkergekleurde huisjes. De kleur van de huisjes is erfelijk bepaald. Door een verandering in de omgeving wordt de ondergrond waarop ze leven donkerder. Vogels eten daardoor slakken met lichte huisjes eerder op dan die met donkere. Na een paar generaties blijken er in die populatie bijna geen slakken met lichte huisjes meer te zijn. Is er in deze populatie sprake van selectie?

a)

Nee

b)

Ja, van kunstmatige selectie

c)

Ja, van seksuele selectie

d)

Ja, van natuurlijke selectie