wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

NT2 C1->C2 Een bizarre samenloop

Total questions: 20

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

Tijdens het jagen wist hij ​ (a)   het doelwit te raken.

Choose from the below words
feilloos
bescheiden
superieur
geïsoleerd
consequentieloos
2.

Zij valt eigenlijk helemaal niet op, zij is nogal ​ (a)  

Choose from the below words
bescheiden
feilloos
consequentieloos
superieur
geïsoleerd
3.

Haar opa komt nooit op straat. Hij leeft erg ​ (a)  

Choose from the below words
geïsoleerd
feilloos
consequentieloos
bescheiden
superieur
4.

Als er geen gevolgen zijn, dan is het ​ (a)  

Choose from the below words
consequentieloos
geïsoleerd
feilloos
bescheiden
superieur
5.

Hij vindt zichzelf ​ (a)   omdat hij altijd de hoogste cijfers haalt.

Choose from the below words
superieur
geïsoleerd
feilloos
bescheiden
consequentieloos
6.

de illusie

a)

het verhaaltje

b)

het droombeeld

c)

het schilderij

7.

het gewelf

a)

het gebogen metselwerk

b)

de bovenkaak

c)

het gehoor

8.

de consequenties

a)

de voorkeuren

b)

de toonhoogtes

c)

de gevolgen

9.

inferieur

a)

erg slecht

b)

lager

c)

superieur

10.

appèl

a)

het verzamelen van de troepen in het leger

b)

een vrucht

c)

bij elkaar komen

11.

de legenda

a)

sprookjes

b)

uitleg bij een landkaart

c)

de geschiedkundige

12.

de illusionist

a)

goochelaar die onmogelijke dingen laat zien

b)

iemand die bezig is met het milieu

c)

iemand die erg intelligent is.

13.

op sleeptouw nemen

a)

achter iemand aanvaren

b)

met je meenemen

c)

slechter dan anderen

14.

bizar (er zijn meer oplossingen)

a)

apart

b)

curieus

c)

bijzonder

d)

bijzondere winkel

15.

het peloton (er zijn meer oplossingen)

a)

groep abonnees van een fitnessclub

b)

groep mensen in het leger

c)

groep wielrenners

d)

eenheid binnen de brandweer

16.

de missie

a)

de speciale opdracht

b)

de prediking door zendelingen

c)

iets niet kunnen vinden

d)

het bekeringswerk

17.

een bizarre (a)   van omstandigheden

18.

Iedere actie leidt tot een (a)  

19.

Hij is te laat, zijn baas kan er weinig (a)   voor opbrengen.

20.

Zijn verkering was uit. (a)   door verdriet kwam hij te laat op zijn werk.