Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Woordsoorten 2vbp

Total questions: 36

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Heb jij het nieuwe spel van Pokémon ook al gespeeld?

Welke woordsoort is 'het'?

a)

lidwoord

b)

werkwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

zelfstandig naamwoord

2.

"Volgens mij is die lopende man de dief."

Wat is in deze zin het werkwoord?

(a)  

3.

De gelopen afstand was in totaal 14 kilometer.

Wat is in deze zin het bijvoeglijk naamwoord?

(a)  

4.
 Wat is het gekleurde woordsoort? In de metro kwam ik een oude vriend tegen.
a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

lidwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

5.
Heb je je hieraan gesneden? Wat is het gekleurde woordsoort?
a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

aanwijzend vnw

c)

bijvoeglijk vnw

d)

zelfstandig naamwoord

6.
We hadden ons erg verheugd op hun bezoek. Wat is het gekleurde woordsoort?
a)
vragend vnw
b)
bez.vnw
c)
aanw.vnw
d)
pers.vnw
7.

  Is deze fiets door jou beschilderd?

Wat is het gekleurde woordsoort?

a)
pers.vnw
b)
bez.vnw
c)
aanw.vnw
d)
znw
8.
Bij Gouda is bijna een trein ontspoord door natte bladeren. Wat is het gekleurde woordsoort?
a)

pers.vnw

b)
aanw.vnw
c)
bijv.nw
d)

zelfstandig naamwoord

9.
Onze leraar verbetert ons werk altijd met een groene pen. Wat is het gekleurde woordsoort?
a)
pers.vnw
b)
bez.vnw
c)
lidwoord
d)
bijv.nw
10.
Ze had de telefoon nog in haar hand. Wat is het gekleurde woordsoort?
a)
znw
b)
lidwoord
c)
aanw.vnw
d)
voorzetsel
11.

De verdachte is acht uur lang ondervraagd.

Onderstreept woord is een:

a)

Zelfstandig werkwoord

b)

Koppelwerkwoord

c)

Hulpwerkwoord

12.

Zij is in Hengelo geweest.

Onderstreept woord is een:

a)

Zelfstandig werkwoord

b)

Koppelwerkwoord

c)

Hulpwerkwoord

13.

De muggen op mijn kamer zijn heel vervelend.

Onderstreept woord is een:

a)

Bijvoeglijk naamwoord

b)

Voorzetsel

c)

Voegwoord

d)

Bijwoord

14.

De mooie bloemen staan in de tuin.

Wat is het gekleurde woordsoort?

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

lidwoord

d)

werkwoord

15.

Hij heeft de wedstrijd gewonnen.

Onderstreept woord is een:

a)

Hulpwerkwoord

b)

Koppelwerkwoord

c)

Zelfstandig werkwoord

16.

Ik heb jouw boek gelezen. Wat is het gekleurde woordsoort?

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

zelfstandig naamwoord

17.

Wat is een bijvoeglijk naamwoord?

a)

Dat zegt iets over een ander woord.

b)

Dat zegt iets over een werkwoord.

c)

Dat zegt iets over de staat van de zin.

d)

Dat zegt iets over een zelfstandig naamwoord.

18.

In welke zin is het zelfstandig werkwoord vetgedrukt?

a)

Die lieve hond poepte op straat.

b)

Die lieve hond poepte op straat.

c)

Die lieve hond poepte op straat.

d)

Die lieve hond poepte op straat.

19.

Waar is het bezittelijk voornaamwoord vetgedrukt?

a)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

b)

nergens

c)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

d)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

20.

Waar is een onbepaald rangtelwoord vetgedrukt?

a)

Een onbelangrijke fout wordt vaak als laatste ontdekt.

b)

Een onbelangrijke fout wordt vaak als laatste ontdekt.

c)

Een onbelangrijke fout wordt vaak als laatste ontdekt.

d)

nergens

21.

In welke zin is een wederkerend voornaamwoord vetgedrukt?

a)

Die soldaat moet zich elke dag wassen met koud water.

b)

Die soldaat moet zich elke dag wassen met koud water.

c)

Die soldaat moet zich elke dag wassen met koud water.

d)

Die soldaat moet zich elke dag wassen met koud water.

22.

Waar is een koppelwerkwoord dikgedrukt?

a)

Zij heeft zich in geen tijden zo vermaakt.

b)

Omdat hij zo verdrietig was, huilde hij tranen met tuiten.

c)

Zij heeft zich in geen tijden zo vermaakt.

d)

Omdat hij zo verdrietig was, huilde hij tranen met tuiten.

23.

Wat voor fiets wil je kopen?

Wat is het gekleurde woordsoort?

a)
vragend vnw
b)
bez.vnw
c)
bijv.nw
d)
znw
24.
Kun jij je dat niet herinneren? Wat is het gekleurde woordsoort?
a)
pers.vnw
b)
aanw.vnw
c)
bez.vnw
d)
vragend vvnw
25.

Waar of niet waar?

Namen zijn zelfstandige naamwoorden.

a)

waar

b)

niet waar

26.

Waar of niet waar?

Een werkwoord zegt wat iets of iemand doet of wat er gebeurt.

a)

waar

b)

niet waar

27.

Vanwege de warmte vielen alle lessen 's middags uit.

Onderstreept woord is een:

a)

Bijvoeglijk naamwoord

b)

Voorzetsel

c)

Voegwoord

d)

Bijwoord

28.

De muggen op mijn kamer zijn heel vervelend.

Onderstreept woord is een:

a)

Bijvoeglijk naamwoord

b)

Voorzetsel

c)

Voegwoord

d)

Bijwoord

29.

In mijn categorie van de wedstrijd deden er maar weinig mee.

Onderstreept woord is een:

a)

Bepaald hoofdtelwoord

b)

Onbepaald hoofdtelwoord

c)

Bepaald rangtelwoord

d)

Onbepaald rangtelwoord

30.

Ik eindigde de wedstrijd als tweede.

Onderstreept woord is een:

a)

Bepaald hoofdtelwoord

b)

Onbepaald hoofdtelwoord

c)

Bepaald rangtelwoord

d)

Onbepaald rangtelwoord

31.

In het Nederlands bestaat er maar één wederkerig voornaamwoord.

a)

Waar

b)

Niet waar

32.

Jullie vergissen je, we beginnen pas het tweede uur.

Onderstreept woord is een:

a)

Aanwijzend voornaamwoord

b)

Onbepaald voornaamwoord

c)

Wederkerig voornaamwoord

d)

Wederkerend voornaamwoord

33.

Mijn vader die altijd hard rijdt, heeft nooit een boete.

Onderstreept woord is een:

a)

Betrekkelijk voornaamwoord

b)

Antecedent

c)

Onbepaald voornaamwoord

d)

Wederkerend voornaamwoord

34.

Welk woord geeft onder andere extra informatie bij een werkwoord of een bijvoeglijk naamwoord?

a)

bijwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

voorzetsel

35.

Wat is het bijwoord in de volgende zin?


De olifant stampte hard op de grond om een worm een te vinden.

a)

De olifant

b)

stampte

c)

hard

d)

een worm

36.

Woordsoorten zijn hetzelfde als zinsdelen.

a)

juist

b)

fout