Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

WINKELEN

Total questions: 33

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Schrijf woorden over het thema "winkelen".

2 lines
2.

Vind het juiste woord.

a)

Een jeans

b)

Een jurk

c)

Een rok

d)

Een broek

3.

Vind het juiste woord.

a)

Een jurk

b)

Een hemd

c)

Een t-shirt

d)

Een jas

4.

Wat is het juiste woord?

a)

Een broek

b)

Een rok

c)

Een trui

d)

Een jas

5.

Vind het juiste woord.

a)

Een sok

b)

Een schoen

c)

Een laars

d)

Een jas

6.

Vind het juiste woord.

a)

Een hoed

b)

Een pet

c)

Een sjaal

d)

Een jas

7.

Wat is het juiste woord?

a)

Een blouse

b)

Een broek

c)

Een rok

d)

Een regenjas

8.

Vind het juiste woord.

a)

Een broek

b)

Een trui

c)

Een sjaal

d)

Een jas

9.

Wat is het juiste woord?

a)

Een hoed

b)

Een pet

c)

Een das

d)

Een jas

10.

VERKOPER / VERKOOPSTER:

Van welk model houdt u?

a)

Ja, ik zoek een trui.

b)

Maat XL

c)

Een breed.

d)

Een rood.

11.

VERKOPER / VERKOOPSTER:

  • - Kan ik u helpen?

a)

Maat S

b)

Hier is een briefje van 20 euro.

c)

Ja, ik zoek een rok.

d)

Ja, een slim fit.

12.

VERKOPER / VERKOOPSTER:

Wat vindt u van dit hemd?

a)

Blauw

b)

Het is een heel mooi model!

c)

Maat M

d)

Ik zoek schoenen.

13.

VERKOPER / VERKOOPSTER:

  • Welke maat voor uw schoenen?

a)

Heel mooi!

b)

42

c)

L

d)

34 euro

14.

quelque chose

a)

iets

b)

bezoeken

c)

winkelen

d)

voetballen

15.

faire les magasins

a)

winkelen

b)

kruipen

c)

bezoeken

d)

drinken

16.

demain

a)

gisteren

b)

vandaag

c)

morgen

d)

overmorgen

17.

Vertaal het woord: in de lente

a)

en hiver

b)

au printemps

c)

en été

18.

de bruine schoenen

a)

les chaussures rouges

b)

les robes vertes

c)

les chaussures brunes

d)

les chaussures bruns

19.

Elle porte un pull vert

a)

Ze draagt een rode jas

b)

Ze draagt een gele trui

c)

Ze draagt een gele jas

d)

Ze draagt een groene trui

20.

Hij heeft een kleine witte broek

a)

Il a un petit pull blanc

b)

Il a un petit pantalon blanc

c)

Il a une petite pantalon blanche

d)

Il a des petits pantalons blancs

21.

Ik hou van rode schoenen

a)

J'aime les chosures noires

b)

J'aime les chaussures rouges

c)

Tu aimes les chaussures rouges

d)

J'aime les chaussures bleues

22.

Le magasin est ouvert

a)

de winkel is mooi

b)

de winkel is open

c)

de winkel is gesloten

d)

de winkel is groen

23.

De winkel is gesloten

a)

Le magasin est ouvert

b)

Le Magazine est fermé

c)

Le magazin est ouvert

d)

Le magasin est fermé

24.

Wat is dat ?

a)

Dat is een t-shirt.

b)

Dat is een sjaal.

c)

Dat is een trui.

d)

Dat is een riem.

25.

Wat is dat ?

a)

Dat is een hoed.

b)

Dat is een pet.

c)

Dat is een riem.

d)

Dat is een muts.

26.

Wat draagt (porte) hij ?

a)

Ze draagt een blauwe broek en bruine schoenen.

b)

Hij draagt een rok en sandalen.

c)

Hij draagt een blauwe broek en bruine schoenen.

d)

Hij draagt een short en een t-shirt.

27.

Wat is dat ?

a)

Dat is een hoed.

b)

Dat is een blauwe pet.

c)

Dat is een blauwe muts.

d)

Dat is een witte pet.

28.

Ze draagt een hemd, een jean, sokken, sportschoenen en een muts.

a)
b)
c)
d)
29.

Quels vêtements peux-tu mettre sur ta tête l'été pour te protéger du soleil ?

a)

een hoed

b)

een short

c)

een pet

d)

een t-shirt

30.

Lequel des vêtements suivants est vraiment utile l'hiver lorsqu'il fait plus froid ?

a)

een t-shirt

b)

een mantel

c)

een riem

d)

een hemd

31.

Ze draagt een zwart t-shirt, een blauw short en zwarte sportschoenen.

a)
b)
c)
32.

Hij draagt een zwarte jas, een zwarte muts, een grijs t-shirt, een jean en witte sportschoenen.

a)
b)
c)
33.

Ze draagt een wit t-shirt, een roze rok en zwarte schoenen.

a)
b)
c)