wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Krachten 3KB

Total questions: 61

Worksheet time: 50mins

Name
Class
Date
1.

Een steen valt op de grond door

a)

zwaartekracht

b)

spierkracht

c)

veerkracht

d)

wrijvingskracht

2.

Een elastiekje wil terug naar z'n oorspronkelijke vorm door

a)

zwaartekracht

b)

spierkracht

c)

veerkracht

d)

wrijvingskracht

3.

Je komt omhoog als je springt door

a)

zwaartekracht

b)

spierkracht

c)

veerkracht

d)

wrijvingskracht

4.

Wat is zwaartekracht?

a)

De aantrekkingskracht van de aarde

b)

De kracht die je voelt als je een bocht maakt

c)

De kracht die mensen en dieren gebruiken

d)

De afremmende kracht of wrijving

5.

Wat is spierkracht?

a)

De aantrekkingskracht van de aarde

b)

De kracht die je voelt als je een bocht maakt

c)

De kracht die mensen en dieren gebruiken

d)

De afremmende kracht of wrijving

6.

Wat is spierkracht?

a)

De aantrekkingskracht van de aarde

b)

De kracht die je voelt als je een bocht maakt

c)

De kracht die mensen en dieren gebruiken

d)

De afremmende kracht of wrijving

7.
krachten kunnen
a)
de kleur van een voorwerp veranderen
b)
de temperatuur van een voorwerp veranderen
c)
de snelheid van een voorwerp veranderen
d)
niets aan een voorwerp veranderen
8.
de eenheid van kracht is
a)
Newton
b)
Joule
c)
Kelvin
d)
Tesla
9.

een massa van 50 Kg heeft een zwaartekracht van

a)

50N

b)

500N

c)

5000N

d)

50000N

10.

Wat is het formule om het gewicht te berekenen?

a)

Gewicht = kracht x massa

b)

Gewicht = massa x valversnelling

c)

Gewicht = valversnelling x kracht

d)

Gewicht = snelheid x tijd

11.

Wat is de eenheid van zwaartekracht?

a)

Gram

b)

Kilogram

c)

m/s

d)

Newton

12.

Zwaartekracht werkt omhoog.

a)

Waar

b)

Niet waar

13.

Een kracht teken je met een pijl.

a)

Waar

b)

Niet waar

14.

Welke kracht zorgt ervoor dat regendruppels naar beneden vallen?

a)

Trekkracht

b)

Duwkracht

c)

Wrijvingskracht

d)

Zwaartekracht

15.

Welke kracht zorgt voor het vervormen van de spons?

a)

spierkracht

b)

zwaartekracht

c)

veerkracht

d)

wrijvingskracht

e)

elektrostatische kracht

16.

Welke kracht zorgt voor het bewegen van de schaatser?

a)

spierkracht

b)

zwaartekracht

c)

veerkracht

d)

wrijvingskracht

e)

elektrostatische kracht

17.

Welke kracht werkt in op de auto?

a)

zwaartekracht

b)

gewicht

c)

elektrostatische kracht

d)

magnetische kracht

e)

wrijvingskracht

18.

Welke kracht herken je in onderstaande beschrijving?


Knipperen met je ogen

a)

wrijvingskracht

b)

elektrostatische kracht

c)

gewicht

d)

zwaartekracht

e)

spierkracht

19.

John slaat met een stok tegen een bal.

            Wat gebeurt er met de bal als John de bal raakt?

a)

De bal verandert van grootte, richting en snelheid.

b)

De bal verandert van grootte, richting en vorm.

c)

De bal verandert van grootte, snelheid en vorm.

d)

De bal verandert van richting, snelheid en vorm.

20.

Je tekent een kracht als een ……………………………………..

(a)  

21.

Een kracht is zichtbaar.

a)

Waar

b)

Niet waar

22.

Wat is het symbool voor kracht?

a)

F

b)

N

c)

K

d)

S

23.

Welke factor speelt geen rol bij een kracht

a)

Grootte

b)

Richting

c)

Aangrijpingspunt

d)

Tijd

24.

Je hebt kracht nodig om iemand op te tillen omdat...

a)

de zwaartekracht meewerkt

b)

de zwaartekracht tegen werkt

c)

de zwaartekracht geen invloed heeft

25.

De neto kracht op de bal is...

a)

11 N

b)

8 N

c)

3 N

d)

5 N

26.

de overgebleven kracht wordt ook wel ........ genoemd

a)

Resterende kracht

b)

Bruto kracht

c)

Netto kracht

d)

Totale kracht

27.

een massa van 50 Kg heeft een zwaartekracht van

a)

50N

b)

500N

c)

5000N

d)

50000N

28.

Je kan de druk vergroten door....

a)

het oppervlakte te vergroten

b)

het oppervlakte te verkleinen

c)

de kracht te verkleinen

29.

Wat wordt er met een krachtenevenwicht bedoeld?

a)

Twee of meer krachten werken op één voorwerp en die compenseren elkaar

b)

Twee of meer krachten werken op verschillende voorwerpen en die compenseren elkaar

c)

Dan is er een resulterende kracht groter dan 0 N

30.

Werkkracht word meestal uitgeoefend op de

a)

Korte arm

b)

Lange arm

c)

Normaal kracht

31.

De resultante kracht op de bal is...

a)

11 N

b)

8 N

c)

3 N

d)

5 N

32.

Kijk goed.

Is dit een hefboom of niet?

Klik op het juiste antwoord.

a)
b)
33.

Kijk goed.

Is dit een hefboom of niet?

Klik op het juiste antwoord.

a)
b)
34.

Kijk goed.

Is dit een hefboom of niet?

Klik op het juiste antwoord.

a)
b)
35.

Kijk goed.

Is dit een hefboom of niet?

Klik op het juiste antwoord.

a)
b)
36.

Kijk goed.

Is dit een hefboom of niet?

Klik op het juiste antwoord.

a)
b)
37.

Kijk goed.

Is dit een hefboom of niet?

Klik op het juiste antwoord.

a)
b)
38.

een massa van 50 Kg heeft een zwaartekracht van

a)

50N

b)

500N

c)

5000N

d)

50000N

39.
Een appel ligt op de tafel.
Welke krachten werken er op de appel?
a)
zwaartekracht
b)
gewicht
c)
zwaartekracht en gewicht
d)
zwaartekracht en normaalkracht
40.

Wat is het verschil tussen een enkele en dubbele hefboom?

a)

Een enkele hefboom is altijd kleiner dan een dubbele hefboom

b)

Dubbele hefbomen hebben altijd twee plekken die op en neer kunnen bewegen

c)

Bij dubbele hefbomen kan je momentenwet niet toepassen en bij enkele hefbomen wel

41.

Wat is het formule om het gewicht te berekenen?

a)

Gewicht = kracht x massa

b)

Gewicht = massa x valversnelling

c)

Gewicht = valversnelling x kracht

d)

Gewicht = snelheid x tijd

42.

Wat is de lengte van de rode pijl als je weet dat de grootte van de kracht 350 N is?

(a)  

43.

Een kracht heeft geen aangrijpingspunt?

a)

waar

b)

niet waar

44.

Jasper weegt 63kg, hoeveel zwaartekracht werkt er op hem?

(a)  

45.

Er wordt een auto weggesleept met een touw. Het touw is 36cm lang. Hoeveel kracht werkt er op het touw?

De schaal is 1cm:225N

(a)  

46.

Je hebt een gewicht van 4kg, hoeveel zwaartekracht werkt er op dit gewicht?

a)

0,4N

b)

4N

c)

40N

d)

400N

47.

Je hebt een hefboom die in evenwicht is, je weet de volgende eigenschappen over de hefboom: Kracht links: 400N, arm links: 20cm, arm rechts: 200cm. Wat is de kracht rechts?

(a)  

48.

Welke verandering is er op getreden op het cola blikje?

a)

Verandering van gewicht

b)

Verandering van vorm

c)

Verandering van kleur

d)

Verandering van massa

49.

John slaat met een stok tegen een bal.

            Wat gebeurt er met de bal als John de bal raakt?

a)

De bal verandert van grootte, richting en snelheid.

b)

De bal verandert van grootte, richting en vorm.

c)

De bal verandert van grootte, snelheid en vorm.

d)

De bal verandert van richting, snelheid en vorm.

50.

een massa van 50 Kg heeft een zwaartekracht van

a)

50N

b)

500N

c)

5000N

d)

50000N

51.

Op een voorwerp werkt een zwaartekracht van 754N de massa van het voorwerp is.....

a)

75,4 kg

b)

79,5 kg

c)

54,7 kg

d)

84,6 kg

52.

Jan en Piet duwen een auto van af de zelfde kant. Jan heeft een duwkracht van 300N en Piet van 250N. Wat is de netto kracht

a)

500N

b)

550N

c)

50N

d)

300N

53.
bekijk de afbeelding goed en bereken de ontbrekende kracht in N
a)
180 N
b)
60 N
c)
120 N
d)
40 N
54.

de netto kracht is:

a)

450 N naar links

b)

350 N naar rechts

c)

100 N naar links

d)

800 N

55.

Welke beweringen zijn waar:

als je een kracht als een pijl tekent dan kan je aan de pijl zien

dat...............

(Er kunnen meerdere antwoorden goed zijn)

a)

De kracht een richting heeft.

b)

Wat de grootte van de kracht is.

c)

Waar het aangrijpingspunt van de kracht zit.

d)

Wat voor soort kracht het is.

56.

Bereken met behulp van de gegevens uit de afbeelding de kracht van de flesopener op de dop.

LINKS: kracht is 5N en arm is 7,5 cm. RECHTS: arm is 2,5 cm.

(a)  

57.

Schaal: 5 N tekenen als 1 cm is hetzelfde als:
(1 of meerdere mogelijk)

a)

1 centimeter  5 Newton1\ centimeter\ \leftrightarrow\ 5\ Newton  

b)

15 N  3 cm15\ N\ \leftrightarrow\ 3\ cm  

c)

9 cm  27 N9\ cm\ \leftrightarrow\ 27\ N  

d)

50 N  5 dm50\ N\ \leftrightarrow\ 5\ dm  

e)

5 mm  2,5 N5\ mm\ \leftrightarrow\ 2,5\ N  

58.

De weegschaal geeft ongeveer "60 kg" aan. Wat is nu correct?

(1 of meerdere mogelijk)

a)

massa is ongeveer 60 kg

b)

gewicht is ongeveer 60 kg

c)

massa is ongeveer 60 N

d)

gewicht is ongeveer 600 N

e)

gewicht is ongeveer 600 kg

59.

Wat is de formule om het moment te berekenen?

a)

Moment = kracht x valversnelling

b)

Moment = snelheid x kracht

c)

Moment = kracht x lengte van de arm

d)

Moment = snelheid x tijd

60.

Op deze fietser werkt een Fw van 240 N deze Vector is in de tekening 5 CM lang. Welke Krachten schaal klopt hierbij?

a)

1 cm is gelijk aan 38 N

b)

1 cm is gelijk aan 44 N

c)

1 cm is gelijk aan 48 N

d)

1 cm is gelijk aan 54 N

61.
als het systeem in evenwicht is dan
a)
het moment links groter dan rechts
b)
het moment rechts groter dan links
c)
de momenten links en rechts gelijk
d)
er kan helemaal geen evenwicht zijn