wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

1kt2 H2 (2.1-2.2-2.3) Inzoomen en uitzoomen

Total questions: 32

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Wat voor soort skelet heeft een mossel?

a)

Inwendig skelet

b)

Uitwendig skelet

c)

geen skelet

2.

Wat voor soort skelet heeft een kever?

a)

Inwendig skelet

b)

Uitwendig skelet

c)

Geen skelet

3.

Bij welke afdeling hoort dit dier?

a)

Gewervelden

b)

Weekdieren

c)

Eencelligen

d)

Stekelhuidigen

4.

Hoeveel poten hebben kreeftachtige dieren?

a)

1000

b)

10

c)

8

d)

6

5.

Wanneer zijn dieren gewervelde dieren?

a)

Als ze een wervelkolom hebben

b)

Als ze een staart hebben

c)

Als ze tanden en tenen hebben

d)

Als ze wervelwinden kunnen overleven

6.

Eencellige dieren bestaan uit een cel en kun je alleen met de microscoop zien. Op de foto zie je een eencellig diertje. Is dit een amoebe of een pantoffeldiertje

a)

amoebe

b)

pantoffeldiertje

7.

De maag, de dikke darm en de dunne darm zijn organen van het ...

a)

bloedvatenstelsel

b)

bottenstelsel

c)

verteringsstelsel

d)

zenuwstelsel

8.

Het hart, de aorta en de holle ader behoren tot het ...

a)

verteringsstelsel

b)

ademhalingsstelsel

c)

beenderstelsel

d)

bloedvatenstelsel

9.

Bij een slak zit het skelet aan de buitenkant van het lichaam.

a)

Juist

b)

Onjuist

10.

Bij ongeslachtelijke voorplanting heb je twee organismen (twee ouders) nodig om een nakomeling te krijgen

a)

waar

b)

niet waar

11.

Bij ongeslachtelijke voorplanting heb je maar een organisme nodig. Uit dat ene organisme ontstaan nieuwe organismen (door delen)

a)

waar

b)

niet waar

12.

Een weefsel is een

a)

Groep cellen dat bij elkaar ligt

b)

Groep cellen met dezelfde vorm

c)

Groep cellen met dezelfde functie

d)

Groep cellen met dezelfde vorm en functie

13.

De bouwstenen van een organisme noemen we

a)

de celkern

b)

organen

c)

cellen

d)

weefsels

14.

In een organisme komen onder andere orgaanstelsels, cellen, weefsels en organen voor. Wat is de juiste volgorde van klein naar groot?

a)

weefsels-cellen- orgaanstelsels-organen

b)

weefsels-organen-orgaanstelsels-cellen

c)

cellen-organen-weefsels-orgaanstelsels

d)

cellen-weefsels-organen-orgaanstelsels

15.

orgaanstelsel is...

a)

verschillende organen bij elkaar, die samen één of meer functies hebben

b)

verschillende organen bij elkaar, die samen één functie hebben

c)

verschillende organen bij elkaar, die samen meer functies hebben

16.
Welk organenstelsel is hier afgebeeld?
a)
bloedvatenstelsel
b)

spierenstelsel

c)

zenuwstelsel

d)
verteringsstelsel 
17.

Wat is nummer 8?

a)

Dikke darm

b)

Dunne darm

c)

Maag

d)

Nier

18.

Een groep cellen die dezelfde vorm en functie hebben noem je een...

a)

Orgaan

b)

Weefsel

c)

Organisme

d)

Orgaanstelsel

19.

Welk orgaanstelsel zie je op de afbeelding?

a)

Verteringsstelsel

b)

Beenderenstelsel (skelet)

c)

Spierenstelsel

d)

Bloedvatenstelsel

20.

Een organisme is ...

a)

een plant

b)

een dier

c)

een mens

d)

een levend wezen

21.

Wat is een orgaanstelsel?

a)

Het hele menselijk lichaam

b)

Een groep organen die samenwerkt

c)

Ieder los orgaan is een orgaanstelsel

d)

Alle organen onder in je buik

22.

Van links naar rechts zie je het volgende:

a)

Organisme -> Orgaanstelsel -> Orgaan -> Cel

b)

Organisme -> Orgaan -> Orgaanstelsel -> Cel

c)

Cel -> Organisme -> Orgaanstelsel -> Orgaan

d)

Orgaanstelsel -> Cel -> Orgaan -> Organisme

23.

Een groep van dezelfde cellen met dezelfde taak noem je een .....

a)

orgaan

b)

weefsel

c)

organisme

d)

cel

24.
Waar of niet waar? Een wants (zie het plaatje) is tweezijdig symmetrisch.
a)
Waar
b)
Niet waar
25.

spinnen / spinachtige hebben:

a)

2 poten

b)

4 poten

c)

6 poten

d)

8 poten

e)

meer dan 10 poten

26.

insecten hebben:

a)

2 poten

b)

4 poten

c)

6 poten

d)

8 poten

e)

meer dan 10 poten

27.

Welke vorm van symmetrie is hier te zien?

a)

Eenzijdig symmetrisch

b)

Tweezijdig symmetrisch

c)

Veelzijdig symmetrisch

d)

Asymetrisch

28.

Welke vorm van symmetrie zie je hier?

a)

Eenzijdig symmetrisch

b)

Tweezijdig symmetrisch

c)

Veelzijdig symmetrisch

d)

Asymmetrisch

29.

Welke vorm van symmetrie zie je hier?

a)

Eenzijdig symmetrisch

b)

Tweezijdig symmetrisch

c)

Veelzijdig symmetrisch

d)

Asymmetrisch

30.

Welk type skelet heeft dit dier?

a)

Geen skelet

b)

Uitwendig skelet

c)

Inwendig skelet

31.

Eencellige dieren bestaan uit een cel en kun je alleen met de microscoop zien. Op de foto zie je een eencellig diertje. Is dit een amoebe of een pantoffeldiertje

a)

amoebe

b)

pantoffeldiertje

32.

Cellen hebben levenskenmerken

a)

waar

b)

niet waar