wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

oefentoets T 2 en T3

Total questions: 50

Worksheet time: 13hrs 30mins

Name
Class
Date
1.

Er zijn 4 typen cellen. Welke cel is een dierlijke cel?

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

nummer 3

d)

nummer 4

2.

Er zijn 4 typen cellen. Welke cel is een plantaardige cel?

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

nummer 3

d)

nummer 4

3.

Een groep organen die samen een bepaalde functie hebben is een ......

a)

Cel

b)

Weefsel

c)

Orgaan

d)

Organenstelsel

e)

Organisme

4.
Welk onderdeel heeft een dierlijke cel niet?
a)
Kern
b)
Celmembraan
c)
Celwand
d)
Cytoplasma
5.

Waar in een plantencel vind fotosynthese plaats?

a)

Celkern

b)

Cytoplasma

c)

Bladgroenkorrels

d)

Celwand

6.

De stevigheid van dierlijke cellen ontstaat door stevige celwanden. Juist of onjuist?

a)

Juist

b)

Onjuist

7.

Zie je in de afbeelding één of meerdere weefsels?

a)

één weefsel

b)

meerdere weefsels

8.

Onderdeel 1 heet

a)

Cytoplasma

b)

Vacuole

c)

Kern

9.

1 is de

a)

celwand

b)

celvand

c)

celmern

d)

celkern

10.

3 is het

a)

cytovlasma

b)

cytoklasma

c)

cytoplasma

d)

cytospalma

11.

16 is de

a)

celwand

b)

vacuole

c)

cytoplasma

d)

celkern

12.

18 is de

a)

celwand

b)

vacuole

c)

cytoplasma

d)

bladgroenkorrel

13.

14 is de

a)

celwand

b)

celmembraam

c)

cytoplasma

d)

bladgroenkorrel

14.

Je ziet hier

a)

een plantencel en een schimmelcel

b)

een plantencel en een bacteriecel

c)

een plantencel en een dierlijke cel

d)

twee plantencellen

15.

Plantencellen hebben als enige

a)

geen celwand

b)

geen celkern

c)

wel bladgroenkorrels

d)

wel pukkels

16.

Wat is het celmembraan?

a)

Dat is hetzelfde als de celwand

b)

Dat bestaat niet

c)

Dat regelt alles wat er in de cel gebeurt

d)

Een dun vlies om het celplasma

17.

Wat is een orgaan?

a)

Een deel van een organisme met een eigen taak

b)

Je verteringsstelsel

c)

Je ademhalingsstelsel

d)

Een cel

18.

Een stengel is een orgaan van een plant

a)

Waar

b)

Niet waar

19.

Wat is een weefsel?

a)

Een ander woord voor orgaan

b)

Een groep organen bij elkaar

c)

Alle cellen in ons lichaam

d)

Een groep cellen met dezelfde vorm en functie

20.

Wat is tussencelstof?

a)

Een stof die tussen de cellen van weefsels zit

b)

Een stof die tussen verschillende weefsels zit

c)

Een ander woord voor weefsel

d)

Een orgaan

21.

Wie hebben er allemaal huidmondjes?

a)

Alle organismen

b)

Mensen

c)

Planten

d)

Dieren

22.

Huidmondjes kunnen zichzelf sluiten

a)

Waar

b)

Niet waar

23.
Wat is de functie van de celkern?
a)
geeft volume aan de cel
b)
geeft stevigheid aan de cel 
c)
regelt de gebeurtenissen in de cel 
d)
heeft geen doel
24.
Welke cel is de enige cel zonder celwand en met alleen een celmembraan?
a)
een bacterie
b)
een schimmel
c)
een plant
d)
een dier
25.

Wat zijn levenskenmerken? Meerdere antwoorden mogelijk.

a)

Voeden en groeien

b)

Ademen en uitscheiden.

c)

Reageren (op prikkels) en voortplanten.

d)

Wat zijn levenskenmerken?

26.

In welk rijk hoort de champignon?

a)

Dierenrijk

b)

Plantenrijk

c)

Schimmelrijk

d)

Bacterierijk

27.

In welk rijk horen de olifanten?

a)

Dierenrijk

b)

Plantenrijk

c)

Schimmelrijk

d)

Bacterierijk

28.

In welk rijk hoort waterpest?

a)

Dierenrijk

b)

Plantenrijk

c)

Schimmelrijk

d)

Bacterierijk

29.

Welke organen zijn van een plant?

a)

Hart, longen, lever en maag

b)

Wortel, stengel, bladeren en bloemen

30.

Uit welke onderdelen bestaat een plantencel? kies het antwoord met alle onderdelen van de plantencel.

a)

celmembraan, cytoplasma, celkern

b)

Celwand, celmembraan, cytoplasma, celkern, bladgroenkorrels en vacuole

c)

celwand, celmembraan en vacuole

31.

zet het bouw van een dier van klein naar groot.

a)

organisme, orgaanstelsels, organen, weefsels, cellen.

b)

Organisme, organen, orgaanstelsels, weefsels en cellen.

c)

cellen, weefsels, organen, orgaanstelsels en organisme.

32.
Deze organen zijn bezig met je ademhaling
a)
je hart, je longen, je luchtpijp, je neus
b)
je neus, je mond, je slokdarm, je luchtpijp
c)
je neus, je mond, je luchtpijp, je longen
d)
je neus, je mond, je luchtpijp, je hart
33.
Bij het ademhalingsstelsel horen
a)
de slokdarm en de luchtpijp
b)
de maag en de longen
c)
de longen en de slokdarm
d)
de longen en de luchtpijp
34.
Welk deel van het lichaam is een orgaanstelsel?
a)
de maag
b)
het oog
c)
het skelet
d)
de slokdarm
35.
Je neemt zuurstof op met
a)
je hart
b)
je longen
c)
je neus
d)
je pinpas
36.

In de afbeelding zie je een aantal organenstelsels. Welk(e) orgaanstelsel(s) hoort/horen bij het levenskenmerk groeien?

a)

Spierstelsel en bottenstelsel

b)

Bloedvatenstelsel en verteringsstelsel

c)

Verteringsstelsel en spierstelsel

d)

Ademhalingsstelsel en voortplantingsstelsel

37.

In de dwarsdoorsnede van de torso is nummer 4 ...

a)

het hart

b)

de long

c)

de ruggewervel

d)

de slokdarm

38.

Nummer 5 in de afbeelding van de torso is..

a)

een long

b)

de lever

c)

de maag

d)

de dikke darm

39.

In cellen regelt de .. alles wat er in de cel gebeuren moet.

a)

vacuole

b)

cytoplasma

c)

celkern

d)

celmembraan

40.

Je ziet hier cellen van een organisme. Welke soort cellen zie je?

a)

dierlijke cellen

b)

plantaardige cellen

41.

Wat voor orgaan is nummer 4?

a)

Maag

b)

Hart

c)

Lever

d)

Dunne darm

42.

Wat is nummer 5?

a)

Maag

b)

Lever

c)

Hart

d)

Dikke darm

43.

Wat is nummer 8?

a)

Dikke darm

b)

Dunne darm

c)

Maag

d)

Nier

44.

Welk orgaanstelsel zie je hier?

a)

Ademhalingsstelsel

b)

Verteringsstelsel

c)

Bloedvatenstelsel

45.

Wat is geen taak van wortels?

a)

Stevigheid geven

b)

Reservevoedsel opslaan

c)

Maken van voedsel door fotosynthese

d)

Water met voedingsstoffen opnemen

46.

Wat is een taak van de bladeren?

a)

Slaan reservevoedsel op

b)

Zorgen voor stevigheid

c)

Maken voedsel door fotosynthese

d)

Nemen water op

47.

Welk onderdeel is nummer 7?

a)

Tubus

b)

Revolver

c)

Oculair

d)

Statief

48.

Wat is de functie van wortels in een plant?

a)

De functie van wortels in een plant is het opnemen van water en voedingsstoffen uit de bodem.

b)

De functie van wortels in een plant is het beschermen van de bladeren.

c)

De functie van wortels in een plant is het produceren van zuurstof.

d)

De functie van wortels in een plant is het opslaan van zonlicht.

49.

Bij fotosynthese zijn er beginstoffen en eindproducten.

2 van de beginstoffen zijn koolstofdioxide en water.

Wat zijn de eindproducten?

a)

Glucose/suiker en zuurstof

b)

Glucose en suiker

c)

Glucose en koolstofdioxide

d)

Water en suiker

50.

Welke functie van de wortel is hiernaast afgebeeld?

a)

Opnemen van water en mineralen

b)

Plant stevig vastzetten in de grond

c)

Opslag van reservevoedsel

d)

Voedsel voor de mens