Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

6v ecologie evolutie mens en milieu

Total questions: 41

Worksheet time: 29mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een biotische factor in een sloot?

a)

Stroming

b)

Algendichtheid

c)

Temperatuur van het water

d)

Zoutgehalte

2.

De korenwolf (hamsterachtige) eet granen, het is een consument

a)

van de eerste orde en van het 1e trofisch niveau

b)

van de eerste orde en van het 2e trofisch niveau

c)

van de tweede orde en van het 2e trofisch niveau

d)

van de tweede orde en van het 3e trofisch niveau

3.

Wat is allopatrische soortvorming?

a)

Als groepen van dezelfde soort van elkaar worden geïsoleerd door een rivier

b)

Als groepen van dezelfde soort van elkaar worden geïsoleerd door een verschillend dagritme

c)

Als groepen van dezelfde soort van elkaar worden geïsoleerd door verschillende baltsdansen

d)

Als groepen van dezelfde soort van elkaar worden geïsoleerd door een verschillend voedingspatroon

4.

Waarom komen er geen grote predatoren voor op kleine eilanden?

a)

De mens roeit deze vaak snel uit wanneer ze op een eiland komen

b)

Door evolutie passen dieren zich aan hun omgeving aan

c)

Grote dieren overleven vaak de overtocht naar een eiland niet

d)

Er is onvoldoende voedsel beschikbaar

5.

De zogenaamde 'mierenmoeder' is een slang die in mierennesten leeft. De slang heeft hierdoor een lekker warme plek om te rusten en jaagt ondertussen andere mierenetende slangen weg. Dit is een vorm van:

a)

Parasitisme

b)

Commensalisme

c)

Mutualisme

d)

Predatie

6.

Waardoor wordt de piramide van biomassa NIET kleiner per schakel?

a)

Afgestorven delen

b)

Predatie

c)

Dissimilatie

d)

Uitwerpselen

7.

Bekijk de afbeelding. In welke periode zijn de eerste reptielen ontstaan?

a)

het tertiair

b)

het jura

c)

het carboon

d)

het perm

8.
 ..... zijn organen met hetzelfde bouwplan waarvan de oorspronkelijk functie door veranderende omstandigheden in de loop van de evolutie zijn aangepast
a)
analoge organen
b)
homologe organen
c)
rudimentaire organen
9.
Welke verklaring geeft het beste het verschil aan tussen de theorie van Lamarck en het begrip natuurlijke selectie dat Darwin gebruikte?
a)
Volgens de theorie van Lamarck wordt evolutie gestuurd, en natuurlijke selectie is ongestuurd.
b)
Lamarck dacht aangeleerde vaardigheden erfelijk waren en natuurlijke selectie gaat ervan uit dat dat onmogelijk is.
c)
Vroeger vond evolutie plaats zoals Lamarck dacht en nu vindt natuurlijke selectie plaats.
d)
Er is geen verschil, Darwin leefde alleen later dan Lamarck
10.
Welke van de onderstaande omschrijvingen van een proces geeft of welke geven een juiste omschrijving van (een deel van) het begrip natuurlijke selectie?
1. Een proces dat het verdwijnen van soorten met ongunstige genen bevordert.
2. Een proces waardoor genfrequenties veranderen onder invloed van veranderende milieufactoren.
a)
Geen van beide omschrijvingen
b)
Alleen omschrijving 1
c)
Alleen omschrijving 2.
d)
Zowel omschrijving 1 als omschrijving 2.
11.

Aan welke voorwaarden voldoet een goed-opgesteld voedselweb?

a)

De pijlen volgen de richting van de voedselstromen

b)

Er staat altijd een producent in

c)

Benoem soortsnamen (zoals genoemd in de opgave)

d)

De pijlen moeten recht zijn

e)

Er mogen groepen genoemd worden

12.

Van welk type samenleven is er sprake bij jou en jouw darmflora?

a)

symbiose

b)

concurrentie

c)

commensalisme

d)

mutualisme

e)

parasitisme

13.

Aan vier leerlingen wordt gevraagd een voorbeeld te noemen van een ecosysteem. Zij geven de volgende voorbeelden:

Leerling 1: alle abiotische factoren in een bepaald heidegebied.

Leerling 2: alle dieren die in Nederland leven, in samenhang met de plantengroei.

Leerling 3: alle eekhoorns in een loofbos, in samenhang met de bomen.

Leerling 4: alle organismen die in een bepaald meertje leven, in samenhang met de abiotische factoren.


Welke leerling geeft een juist voorbeeld?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

Geen enkele leerling

14.
Dalkruid kan zich wel handhaven onder bomen en struiken en Gewoon vingerhoedskruid niet. Daarvoor zijn verschillende oorzaken die met elkaar samenhangen.
Welke van de volgende beweringen geeft één van die oorzaken juist weer?
a)
Dalkruid heeft een hoger optimum voor de hoeveelheid licht dan Gewoon vingerhoedskruid.
b)
Dalkruid heeft een hogere maximum tolerantiegrens voor de hoeveelheid licht dan Gewoon vingerhoedskruid.
c)
Dalkruid heeft een lagere minimum tolerantiegrens voor de hoeveelheid licht dan Gewoon vingerhoedskruid.
15.
In het Andesgebergte in Colombia vind je verschillende vegetatiezones. Van laag naar hoog: tropisch bos, bergbos, struikpáramo (een zone met voornamelijk struikgewas) en ten slotte páramo (een soort alpenweide zonder bomen en struiken). Daarboven is geen vegetatie meer, maar bevindt zich eeuwige sneeuw. 
Welke abiotische factor is vooral verantwoordelijk voor het opschuiven van de verschillende vegetatiezones in de Andes?
a)
temperatuur
b)
water
c)
wind
d)
licht
16.

Door klimaatverandering wordt het in veel gebieden warmer. Wat doet dit met het tolerantiegebied van soorten?

a)

Niks, het tolerantiegebied is soorteigen en blijft gelijk.

b)

Het tolerantie gebied wordt breder, zodat de soort een grotere overlevingskans heeft.

c)

Het tolerantiegebied schuift mee, zodat de soort in hetzelfde gebied kan blijven leven

d)

Het tolerantiegebied verschuift de andere kant op, aangezien de soort het toch niet overleeft.

17.

In een populatie korenwolven heeft 25% een licht vacht. Dit allel is recessief. Wat is de allelfrequentie van q? (Hardy-Weinberg)

a)

0,125

b)

0,25

c)

0,5

d)

0,75

18.

Wat is een monocultuur

a)

Een cultuur waarin 1 cultuur de dominante cultuur is

b)

Een gebied waar 1 soort gewassen is geplant

c)

Een gebied waar 1 soort gewassen groeit

d)

Een gebied waar 1 soort organismen voorkomt

19.

Wat is eutrofiëring?

a)

Door teveel voedingszouten ontstaat waterbloei

b)

Door teveel voedingszouten neemt de biodiversiteit toe

c)

Door te weinig voedingszouten neemt de biodiversiteit af

d)

Door te weinig voedingszouten ontstaat waterbloei

20.

Tegen welke groep of groepen van organismen werken herbiciden?

a)

onkruid

b)

insecten

c)

schimmels

d)

bacteriën

21.

Wat zijn voordelen van het gebruik van pesticiden?

a)

goedkoop

b)

makkelijk

c)

persistent

d)

effectief

22.

Wat is het verschil tussen resistentie en persistentie?

a)

Persistentie: zeer langzaam afgebroken

Resistentie: tegen het gif kunnen

b)

Persistentie: tegen het gif kunnen

Resistentie: zeer langzaam afgebroken

c)

Persistentie: voorkomt accumulatie

Resistentie: tegen het gif kunnen

d)

Persistentie: tegen het gif kunnen

Resistentie: voorkomt accumulatie

23.

Wat is een ander woord voor eutrofiëring?

a)

vermesting

b)

accumulatie

c)

waterbloei

d)

nitraat

24.

Wat is groenbemesting?

a)

Alleen biologische mest gebruiken

b)

Planten met knolletjesbacteriën onderploegen

c)

De juiste balans tussen voedingszouten als nitraat en fosfaat gebruiken

d)

Kunstmest gebruiken

25.

Wat is het broeikaseffect?

a)

Door broeikasgassen in de atmosfeer wordt een deel van de warmte van de zon vastgehouden

b)

Door menselijke activiteit stijgt de hoeveelheid van o.a. CO2 in de atmosfeer

c)

Door menselijke activiteit smelten de poolkappen en stijgt het waterpeil

d)

Door het kappen van de oerbossen wordt minder CO2 gebonden en stijgt de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer

26.

Welke organismen zullen vooral problemen krijgen door bio-accumulatie?

a)

producenten

b)

consumenten van de 1e orde

c)

consumenten van de 3e orde

d)

reducenten

27.

Wat is het verschil tussen een populatie en een levensgemeenschap?

a)

Populatie is alleen de dieren, levensgemeenschap is de dieren en planten samen

b)

Populatie is een groep organismen van 1 soort, een levensgemeenschap meerdere soorten bij elkaar

c)

Een populatie zijn alle organismen in een gebied, een levensgemeenschap is alle biotische factoren bij elkaar

d)

Een populatie is een groep dieren, een levensgemeenschap zijn de dieren met alle abiotische factoren bij elkaar

28.

Welk ecologisch niveau heeft de meeste interacties?

a)

individu

b)

populatie

c)

levensgemeenschap

d)

ecosysteem

29.

Wat zijn voorbeelden van abiotische factoren?

a)

zonlicht

b)

water

c)

koolstofdioxide

d)

predatoren

30.

Welke aanpassingen verwacht je bij een plant die is aangepast aan een leven in de schaduw?

a)

veel chlorofyl

b)

groot blad

c)

klein blad

d)

dik blad

31.

Wat voor conclusie kun je trekken over deze foto?

a)

De grote oren wijzen op een leven in een warm gebied

b)

De grote oren wijzen op alertheid op roofdieren

c)

De grote oren wijzen op een leven in een droog gebied

d)

De grote oren wijzen op het belang van onderlinge communicatie om beter te kunnen overleven

32.

Wat is/zijn kenmerken van een blad van een plant die is aangepast aan een leven in een vochtige omgeving?

a)

Dikke cuticula

b)

Dunne cuticula

c)

Behaard

d)

Verzonken huidmondjes

33.

De mycorrhiza is een voorbeeld van ...

a)

mutualisme

b)

commensalisme

c)

mutualisme

d)

concurrentie

34.

Wat verwacht je te zien bij een populatie die groeit volgens de S-curve?

a)

Een constant aantal organismen

b)

Een populatie die eerst sterk toeneemt en daarna ongeveer gelijk blijft in aantal

c)

Een populatie die sterk toeneemt in aantal

d)

Een populatie die heel sterk groeit in aantal en daarna heel snel weer afneemt

35.

Wat gebeurt er met de hoeveelheid energie in een voedselketen?

a)

Die wordt steeds groter, doordat er steeds meer organismen bij komen

b)

Die wordt steeds groter, doordat elke schakel de vorige eet

c)

Die wordt steeds kleiner, doordat er in elke schakel dissimilatie optreedt

d)

Die wordt steeds kleiner, doordat elke schakel de vorige eet

36.

Wat zijn kenmerken van secundaire successie?

a)

Er is al organisch materiaal aanwezig in de bodem

b)

Verloopt sneller dan primaire successie

c)

Start met uitsluitend autotrofe organismen

d)

Start met uitsluitend heterotrofe organismen

37.

Het is mogelijk dat door natuurlijke selectie de avondkoekoeksbloem in de VS meer energie is gaan investeren in groei en voortplanting en minder in de verdediging tegen vraat. Welke waarneming zou een ondersteuning zijn voor deze hypothese?

a)

De Amerikaanse planten worden meer aangetast dan de Europese

b)

De Amerikaanse planten worden minder aangetast dan de Europese

c)

De Amerikaanse planten verspreiden zich niet buiten het proefveld en de Europese wel

d)

De Amerikaanse planten verspreiden zich wel buiten het proefveld en de Europese niet

38.

Met welk nummer of met welke nummers samen wordt de netto primaire productie weergegeven?

a)

2, 4 en 5 samen

b)

alleen 5

c)

1 en 3 samen

d)

2 en 4 samen

e)

1, 3 en 5 samen

39.

Processen die deel uitmaken van de stikstofkringloop zijn:

1. denitrificatie

2. nitrificatie

3. rotting

4. biologische stikstoffixatie

5. fotochemische stikstoffixatie

Door welk of welke van deze processen komt stikstof uit de lucht terecht in de voedselketen?

a)

alleen 1

b)

alleen 2 en 4

c)

alleen 3

d)

alleen 1 en 3

e)

alleen 4 en 5

40.

Welke organisme is of welke zijn producent?

a)

Vlierbes

b)

Weegbree

c)

Bladluis

d)

Buizerd

e)

Vos

41.

Welke organisme is of welke zijn zowel consument van de 2e orde als consument van de 4e orde?

a)

Kikker

b)

Slang

c)

Bladluis

d)

Buizerd

e)

Vos