wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhalingsquiz

Total questions: 100

Worksheet time: 2hrs 35mins

Name
Class
Date
1.

Catootje heeft een zwaan getekend. Op de tekening is de zwaan 11 cm. In het echt is de eend 66 cm. Wat is de schaal?

a)

1: 44

b)

1: 55

c)

1: 11

d)

1: 6

2.

Hanne heeft een toren getekend. Op de tekening is de toren 15 cm hoog. In het echt is deze toren 30 m. hoog. Wat is de schaal?

a)

1:20

b)

1:200

c)

1:2000

d)

15:30

3.
Dit Monopolybord is weergegeven op een schaal van 1:10.
De afbeelding is 5 cm.
Hoeveel cm is het bord in het echt?
a)
4 meter
b)
40 cm
c)
50 cm
d)
55 cm
4.

Wat is de juiste schaallijn voor

schaal 1 : 5000

a)

b)

c)

d)

5.

a)

1 : 2

b)

1 : 5

c)

1 : 25

d)

1 : 2,5

6.

Elke cm op deze kaart is:

a)

15 000 cm

b)

15 cm

c)

15 m

d)

15 000 km

7.

Hanne heeft een toren getekend. Op de tekening is de toren 15 cm hoog. In het echt is deze toren 30 m. hoog. Wat is de schaal?

a)

1:20

b)

1:200

c)

1:2000

d)

15:30

8.

Christian heeft een boot gebouwd. Zijn knutselwerk is 60 cm. In het echt is deze boot 60 m. Wat is de schaal?

a)

1:25

b)

6: 6000

c)

1:1000

d)

1:100

9.

Welk getal is hier de modus?

3 - 4 - 4 - 5 - 6 - 7

a)

3

b)

4

c)

7

d)

geen modus

10.

Welk getal is de mediaan?

3 - 4 - 4 - 5 - 6 - 7

a)

4

b)

4,5

c)

5

d)

geen mediaan

11.

Welk getal is hier de modus?

13 - 14 - 14 - 15 - 16 - 16 - 17

a)

17

b)

16

c)

14

d)

geen modus

12.

Wat is van de onderstaande getallen de mediaan?

8 - 10 - 10 - 12 - 15 - 18

a)

de mediaan is 18

b)

De mediaan is 11

c)

De mediaan is 15

d)

er is geen mediaan

13.

Geef de mediaan van de volgende reeks:

38 - 40 - 41 - 42 - 44 - 48 - 49

a)

40

b)

40,5

c)

41

d)

42

14.

Geef de mediaan van de volgende reeks:

8 - 10 - 11 - 12 - 14 - 18 - 19 - 20

a)

10

b)

10,5

c)

11

d)

13

e)

is er niet

15.

Hier zie je wat de leerlingen de afgelopen weken aan fastfood hebben gegeten.

Geef de modus.

(a)  

16.

Hoeveel fietsen zijn er in april verkocht?

a)

60 fietsen

b)

6 fietsen

c)

50 fietsen

d)

5 fietsen

17.

Hoeveel neerslag viel er in 2008 op Schiphol?

a)

800 cm2

b)

800 cm

c)

800 mm2

d)

800 mm

18.

Geef de coördinaten van punt A.

a)

(5,0)

b)

(0,5)

19.

Het punt (4,0) snijdt

a)

de x-as

b)

de y-as

c)

de oorsprong

d)

beide assen

20.

De tweede coördinaat van een punt lees je af

a)

van de oorsprong

b)

op de verticale as

c)

met een ;

d)

op de horizontale as

21.

Dit is een ...

a)

beelddiagram

b)

staafdiagram

c)

cirkeldiagram

d)

lijndiagram

e)

steelbladdiagram

22.

Geslacht van je gezin

a)

Numeriek

b)

Categorisch

23.

Hoeveel leerlingen zijn meisjes in jouw klas?

a)

Numeriek

b)

Categorisch

24.

Aantal examens die je hebt

a)

Numeriek

b)

Categorisch

25.

Je voornaam

a)

Numeriek

b)

Categorisch

26.

Het bedrag dat we opgehaald hebben met de warmste week

a)

Numeriek

b)

Categorisch

27.
Het symbool voor de verzameling van de gehele getallen is...
a)
b)
IN
28.
Wat betekent de hoofdletter O in een assenstelsel?
a)
Oorspronkelijk
b)
Onder
c)
Oorsprong
d)
Oost
29.

Bereken: -7 - 14 =

a)

-7

b)

7

c)

-21

d)

21

30.

Bereken: -7 + 14 =

a)

-7

b)

7

c)

-21

d)

21

31.

Bereken: -7 - (-14) =

a)

-7

b)

7

c)

-21

d)

21

32.

Bereken: -7 . 2 =

a)

14

b)

-14

33.

Bereken: -7 . (-2) =

a)

14

b)

-14

34.

bereken: -24 + (-23) =

a)

-1

b)

-47

c)

1

d)

47

35.

56 + (-12) =

a)

68

b)

44

c)

48

d)

64

36.

5+(25)=...5+\left(-25\right)=...   

a)

30

b)

-30

c)

20

d)

-20

37.

360:(18)=...-360:\left(-18\right)=...  

a)

2

b)

-2

c)

20

d)

-20

38.

16(20)=...16-\left(-20\right)=...  

a)

36

b)

-36

c)

4

d)

-4

39.

13(3)=...-13\cdot\left(-3\right)=...  

a)

39

b)

-39

40.

-14 + 52 =

a)

-66

b)

38

c)

-38

d)

66

41.

7 + 4 . 2 =

a)

22

b)

15

c)

een ander antwoord

42.

200 + 200 : 2 =

a)

300

b)

200

c)

een ander antwoord

43.

7 . 4 : (5 - 3) =

a)

een kommagetal

b)

14

44.

36 : (9 - 6) =

a)

-2

b)

12

c)

een ander antwoord

45.

25 - (-6 : 2) =

a)

28

b)

15,5

c)

22

d)

een ander antwoord

46.

(2)4=\left(-2\right)^4=  

a)

16

b)

-16

c)

-24

d)

-8

47.

32=-3^2=  

a)

-6

b)

6

c)

-9

d)

9

48.

(4 +2)3= 43+32\left(4\ +2\right)\cdot3=\ 4\cdot3+3\cdot2  

a)

associatief

b)

distributief

c)

commutatief

d)

Geen van allen

49.

234=3422\cdot3\cdot4=3\cdot4\cdot2  

a)

associatief

b)

distributief

c)

commutatief

d)

Geen van allen

50.

7:(5+3)=(7:5)+37:\left(5+3\right)=\left(7:5\right)+3   

a)

associatief

b)

distributief

c)

commutatief

d)

Geen van allen

51.

a2 =2aa\cdot2\ =2a  

a)

associatief

b)

distributief

c)

commutatief

d)

Geen van allen

52.

(12+36)+24=12+(36+24)\left(12+36\right)+24=12+\left(36+24\right)  

a)

associatief

b)

distributief

c)

commutatief

d)

Geen van allen

53.

(2+3)4=4(2+3)\left(2+3\right)\cdot4=4\cdot\left(2+3\right)  

a)

associatief

b)

distributief

c)

commutatief

d)

Geen van allen

54.

234=3422\cdot3\cdot4=3\cdot4\cdot2  

a)

associatief

b)

distributief

c)

commutatief

d)

Geen van allen

55.

Welk symbool betekent "is een element van" ?

a)
b)
c)
d)
56.

De verzameling van de gehele getallen som je op als

a)

{...,, -3, -2, -1, 1, 2, 3, ...}

b)

{0, 1, 2, 3, 4, ...}

c)

{..., -3, -2, -1, 0, 1, 2, 3, ...}

d)

{..., -3, -2, -1, 0}

57.

Bereken -3² =

a)

-6

b)

6

c)

-9

d)

9

58.

De uitkomst van een vermenigvuldiging wordt het ... genoemd.

(a)  

59.

Duid de juiste opsomming aan.

a)

{..., -3, -2, -1}

b)

{..., -3, -2, -1, 0}

c)

{..., -2, -1, 0, 1, 2, ...}

d)

{..., 3, 2, 1}

60.

Wat is de naam van deze voorstellingswijze?

a)

dotplot

b)

staafdiagram

c)

schijfdiagram

d)

bolletjes

voorstelling

61.

Wat is de modus hier?

a)

9

b)

8

c)

10

d)

11

62.

Welke merkwaardige lijn wordt hier afgebeeld?

a)

bissectrice

b)

middelloodlijn

c)

hoogtelijn

d)

zwaartelijn

63.

Een scherpe hoek is een hoek...

a)

Groter dan 0°

b)

Groter dan 0° en kleiner dan 90°

c)

Kleiner dan 180°

d)

Groter dan 0° of kleiner dan 90°

64.

Een volle hoek is een hoek van ...

a)

b)

180°

c)

360°

d)

540°

65.

Een halfrechte is...

a)

een lijnstuk

b)

een rechte die aan één kant begrensd is

c)

een rechte die aan beide kanten begrensd is

d)

een lijnstuk dat onbegrensd is

66.

Als een rechte loodrecht staat op één van twee evenwijdigen, dan staat ze ook ... op de andere.

a)

Evenwijdig

b)

Snijdend

c)

Loodrecht

67.

Als een rechte één van twee evenwijdige rechten snijdt, dan ... ze ook de andere rechte.

a)

Valt samen

b)

Snijdt

c)

Loodrecht

68.

Evenwijdige rechten zijn rechten die ...

a)

Geen enkel punt gemeenschappelijk hebben

b)

Alle punten gemeenschappelijk hebben

c)

Geen enkel punt of alle punten gemeenschappelijk hebben

d)

Geen enkel punt en alle punten gemeenschappelijk hebben

69.

Een loodlijn is een ... die loodrecht staat op een rechte.

a)

Lijnstuk

b)

Rechte

c)

Halfrechte

d)

Punt

70.

Snijdende rechten zijn rechten die ... gemeenschappelijk hebben.

a)

Alle punten

b)

Juist twee punten

c)

Juist één punt

d)

Geen punten

71.
3,7 m =
a)
3,700 cm
b)
37 cm
c)
370 cm
d)
3700 cm
72.
560 mm = 
a)
560 000 m
b)
0,056 m
c)
0,0056 m
d)
0,56 m
73.

3,5 dm =

a)

35 cm

b)

350 cm

c)

0,35 cm

d)

0,035 cm

74.

Wat is het verschil van deze breuken

a)
7/9
b)
1/5
c)
12/20
d)
1/20
75.

Wat is de som van deze breuken?

a)
4/5
b)
3/20
c)
17/20
d)
4/20
76.

Los op.

a)
22/5
b)
6/3
c)
22/15
d)
6/15
77.

Los op

a)
3/20
b)
1/1
c)
3/9
d)
1/9
78.

In welke maand werden er het meeste ijsjes verkocht?

a)

juni

b)

juli

c)

augustus

d)

september

79.
Hoeveel huizen zitten tussen nummer 13 en nummer 21 aan de oneven kant van de straat?
a)
2 huizen
b)
3 huizen
c)
4 huizen
d)
5 huizen
80.
24 spreek je uit als
a)
twee tot de vierde macht
b)
vier tot de tweede macht
c)
4 kwadraat
81.

(2)3\left(-2\right)^3  

a)

6-6  

b)

66  

c)

8-8  

d)

88  

82.

13(3)=...-13\cdot\left(-3\right)=...  

a)

39

b)

-39

83.

Procent betekent:

a)

iets met getallen

b)

per honderd

c)

per 1000

d)

per duizend

84.
Hoeveel procent is 1/2?
a)
25%
b)
20%
c)
50%
d)
75%
85.

Hoeveel procent van deze 100 hokjes zijn hier geel gekleurd?

a)

20%

b)

25%

c)

10%

d)

75%

86.

Hoeveel procent is in deze figuur ROOD gekleurd?

a)

6%

b)

12%

c)

35%

d)

14%

87.

Welk deel is blauw gekleurd en hoeveel procent is dit?

a)

1/5 = 20%

b)

1/4 = 25%

c)

1/5 = 25%

d)

1/4 = 20 %

88.

Welk kommagetal is

25\frac{2}{5}  ?

a)

2,5

b)

0,4

c)

5,2

d)

0,04

89.
Bakker Bom bakt 400 broodjes.
Deze week bakt hij 20% meer.
Hoeveel heeft de bakker er totaal gebakken?
a)
20
b)
80
c)
480
d)
408
90.
In klas 1A zitten 20 leerlingen. De leerlingen zitten per 2 naast elkaar. Juist een derde van de jongens zit naast een meisje. Juist de helft van de meisjes zit naast een jongen. Hoeveel jongens zijn er in deze klas? 
a)
6
b)
9
c)
12
d)
15
91.

Wat is de som van alle ogen op een dobbelsteen?

(a)  

92.

Welk getal zit er onder de auto verstopt?

(a)  

93.

Welk van volgende beker loopt het snelst vol?

a)

Beker 1

b)

Beker 2

c)

Beker 3

d)

Beker 4

94.

Welke bewerking moet EERST worden gedaan om de uitkomst te berekenen?

a)

8 \cdot 9

b)

9 - 2

c)

Het maakt niet uit.

95.

Welke bewerking moet EERST worden gedaan om de uitkomst te berekenen?

a)

Optellen OF aftrekken, van LINKS naar RECHTS

b)

Optellen OF aftrekken, van RECHTS naar LINKS

c)

Vermenigvuldigen OF delen, van RECHTS naar LINKS

d)

Vermenigvuldigen OF delen, van LINKS naar RECHTS

96.

Welke rechten staan loodrecht op elkaar?

a)

A

b)

B

c)

C

d)

D

97.

De meest passende naam voor het getal 42-\frac{4}{2}   is een ...

a)

natuurlijk getal

b)

geheel getal

c)

rationaal getal

98.

Dit gebouw heeft de vorm van een...

(a)  

99.

Dit is een tekening van ...

a)

een punt

b)

een lijnstuk

c)

een rechte

d)

een halfrechte

e)

een vlak

100.

Duid de juiste benaming aan voor [HD.

a)

een lijnstuk

b)

een halfrechte met grenspunt H

c)

een halfrechte met grenspunt D

d)

een rechte