Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 13 dieren en planten

Total questions: 56

Worksheet time: 3hrs 48mins

Name
Class
Date
1.

Wat betekent het als een dier warmbloedig is?

a)

Hun lichaamstemperatuur is constant

b)

Hun lichaamstemperatuur verandert met het weer

c)

Hun lichaamstemperatuur is altijd hoog

d)

Hun lichaamstemperatuur is altijd laag

2.

Hoe overleven zeehonden en walvissen in koud water?

a)

Door hun lange winterslaap

b)

Door hun dikke vetlaag

c)

Door hun grote lichaamsoppervlak

d)

Door hun snelle zwemsnelheid

3.

Wat gebeurt er met de lichaamstemperatuur van een eekhoorn tijdens winterrust?

a)

Het stijgt

b)

Het daalt

c)

Het blijft hetzelfde

d)

Het verdubbelt

4.

Wat bepaalt de snelheid van afkoelen bij warmbloedige dieren?

a)

Hun lichaamsgrootte

b)

Hun voedselvoorraad

c)

Hun slaapgewoonten

d)

Hun ademfrequentie

5.

Waarom koelt een kleine hond sneller af dan een grote hond?

a)

Vanwege hun lichaamsoppervlak

b)

Vanwege hun voedselconsumptie

c)

Vanwege hun lichaamstemperatuur

d)

Vanwege hun vacht

6.

Waarom koelt een poolvos minder snel af dan een woestijnvos?

a)

Vanwege hun voetzolen

b)

Vanwege hun gedrag

c)

Vanwege hun lichaamsgrootte

d)

Vanwege hun vacht

7.

Wat gebeurt er met de hartslagfrequentie van een egel tijdens winterslaap?

a)

Het blijft hetzelfde

b)

Het daalt

c)

Het verdubbelt

d)

Het stijgt

8.

Wat gebeurt er met de ademfrequentie van een egel tijdens winterslaap?

a)

Het blijft hetzelfde

b)

Het daalt

c)

Het verdubbelt

d)

Het stijgt

9.

Wat is de functie van de veren opzetten bij vogels?

a)

Om te zwemmen

b)

Om te imponeren

c)

Om beter te vliegen in de houde lucht

d)

Om zichzelf beter te isoleren

10.

Welke aanpassing is hier te zien?

a)

Voeden

b)

Uitdroging

c)

Bescherming

11.

Wat kan een plant doen tegen uitdroging? (Meerdere antwoorden goed)

a)

Veel wortels

b)

Kleine dikke bladeren

c)

Grote dunne bladeren

d)

Weinig wortels

e)

Stekels op de takken

12.

Hoeveel magen heeft een koe?

a)

1 maag

b)

2 magen

c)

4 magen

13.

Welk dier eet zijn eigen keutels?

a)

Koe

b)

Konijn

c)

Wild zwijn

d)

Gans

14.

in een energiebalans kun je zien hoeveel energie een dier binnenkrijgt en waaraan het dier de energie besteedt. Voor welke besteding van de energie staat de letter T?

a)

om te bewegen

b)

om het lichaam op temperatuur te houden

c)

om nieuwe cellen te produceren

d)

voor wat het lichaam verlaat (poep, urine, zweet)

15.

Een prooidier dat het uiterlijk van een ander gevaarlijk dier heeft aangenomen om te voorkomen dat het wordt opgegeten door een predator. deze vorm van bescherming noem je:

a)

camouflage

b)

mimicry

c)

snelheid in vluchten

d)

bitter smaken

16.

in een energiebalans kun je zien hoeveel energie een dier binnenkrijgt en waaraan het dier de energie besteedt. Voor welke besteding van de energie staat de letter P?

a)

om te bewegen

b)

om het lichaam op temperatuur te houden

c)

om nieuwe cellen te produceren

d)

voor wat het lichaam verlaat (poep, urine, zweet)

17.

In een energiebalans kun je zien hoeveel energie een dier binnenkrijgt en waaraan het dier de energie besteedt. Bij welk typen dier is de U het grootste?

a)

bij een vleeseter

b)

bij een planteneter

c)

bij een alleseter

d)

bij allemaal evenveel U.

18.

Bij welk typen dier tref je knipkiezen aan?

a)

bij een vleeseter

b)

bij een planteneter

c)

bij een alleseter

d)

bij allemaal evenveel U.

19.

Welke energierijke stof maakt een plant bij de fotosynthese?

a)

zonlicht

b)

water

c)

glucose

d)

zuurstof

20.

Welke overlevingsstrategie zie je op het plaatje?

(a)  

21.

Hoe maakt de plant Glucose?

a)

Door suiker op te nemen

b)

Door middel van fotosynthese

c)

Door metamorfose

d)

Door zuurstof uit te ademen

22.

Welk kenmerk behoort niet tot de planteneters?

a)

Meerdere magen

b)

Herkauwen

c)

Gemakkelijk verteerbaar voedsel

d)

plooikiezen

23.

Welke kenmerken behoren tot alleseters?

a)

Kort verteringsstelsel

b)

Middellang verteringsstelsel

c)

Knipkiezen

d)

Knobbelkiezen

e)

Gemakkelijk verteerbaar voedsel

24.

Door welk verschil is plantaardig voedsel moeilijker te verteren dan dierlijk voedsel?

a)

A

b)

B

c)

C

25.

Welke beweringen is/zijn juist?

a)

Vlees bevat minder energie dan plantaardig voedsel

b)

planteneters eten langer dan vleeseters

c)

in de energiebalans is de U van planteneters groter dan de U van vleeseters

d)

Alleen vleeseters hebben hoektanden voor het doden van prooi

26.

Eencellige dieren nemen voedseldeeltjes op door:

(a)  

27.

Welke voedingsstof maakt de plant uit glucose en dient als bouwstof van de plant?

a)

Zetmeel

b)

Vetten

c)

Eiwitten

d)

Vitamine

28.

Sommige dieren misleiden hun vijand door niet op te vallen in hun omgeving. Dit noem je:

(a)  

29.

Sommige dieren misleiden roofdieren door het af te schrikken. Prooidieren lijken dan op een dier dat gevaarlijker is. Dit noem je:

(a)  

30.

Welke eigenschap heeft een celmembraan?

a)

Een celmembraan is doorlatend.

b)

Een celmembraan is halfdoorlatend.

31.

Welke weg volgt het bloed in een vis?

a)

hart – de overige organen – kieuwen

b)

hart – kieuwen – de overige organen

c)

Hart – kieuwen – hart – de overige organen

32.

De hersenen geven zuurstof en afvalstoffen af aan het bloed.

a)

Juist

b)

Onjuist

33.

In de hersenen verlaten onder andere water en opgeloste stoffen het bloed.

a)

Juist

b)

Onjuist

34.

In de hersenen vertakken de slagaders zich tot aders

a)

Juist

b)

Onjuist

35.

Vanaf de hersenen stroomt het bloed door bloedvaten naar de rechterboezem.

a)

Juist

b)

Onjuist

36.

Vanaf het hart wordt het bloed door slagaders naar de hersenen getransporteerd

a)

Juist

b)

Onjuist

37.

Een rode bloedcel bevindt zich in bloedvat 4.

In welk van de genummerde bloedvaten komt deze rode bloedcel als eerste terecht?

a)

1

b)

3

c)

5

d)

12

38.

Welke onderdelen in de tekening zijn slagaders?

(meerdere antwoorden mogelijk)

a)

1

b)

3

c)

7

d)

8

e)

11

39.

Zuurstofarm bloed is donkerrood gekleurd. In welk bloedvat is het bloed donkerrood gekleurd?

a)

n de aorta.

b)

In de darmslagader.

c)

In de holle ader.

d)

In de longader.

40.

Welke soort bloedvat wordt omschreven?

De wand bestaat uit spierweefsel dat dik is en het bloedvat is zeer elastisch.

a)

Ader

b)

Haarvat

c)

Slagader

41.

Welke soort bloedvat wordt omschreven?

Door kleine openingen in de wand vindt uitwisseling van gassen plaats.

a)

Ader

b)

Haarvat

c)

Slagader

42.

Welke soort bloedvat wordt omschreven?

Het bloed wordt in het bloedvat gepompt door het hart en door de beweging van omliggende spieren.

a)

Ader

b)

Haarvat

c)

Slagader

43.

Welke soort bloedvat wordt omschreven?

In het bloedvat komen kleppen voor.

a)

Ader

b)

Haarvat

c)

Slagader

44.

De afbeelding geeft de doorsnede van een bloedvat uit het been van een mens weer.


Is dit een beenader of beenslagader?

Vervoert dit bloedvat zuurstofarm of zuurstofrijk bloed?

a)

beenader / zuurstofarm

b)

beenslagader / zuurstofarm

c)

beenader / zuurstofrijk

d)

beenslagader / zuurstofrijk

45.

Bekijk onderstaande stellingen:


1) Alle slagaders vervoeren zuurstofrijk bloed

2) De poortader vervoert zuurstofrijk bloed naar de darmen


Welke is/zijn juist of onjuist?

a)

Beide juist

b)

Alleen 1 is juist

c)

Alleen 2 is juist

d)

Beide onjuist

46.

Een kransslagader van de mens is een aftakking van

a)

de aorta

b)

de armslagader

c)

de halsslagader

d)

de longslagader

47.
Welk nummer geeft de zijwortel aan?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
48.

Dennentak


Toen de tak nog aan de boom zat, zijn door deze tak water en zouten naar de naalden vervoerd.

Onder invloed van welke krachten zijn water en zouten naar de naalden vervoerd?

a)

alleen door de capillaire werking

b)

alleen door de worteldruk en door de zuigkracht van de naalden

c)

door de capillaire werking, door de worteldruk en door de zuigkracht van de naalden

49.

De spechten hakken de gaten tot in het hout. In een bepaald seizoen blijken uit het hout van de bladverliezende loofbomen organische voedingsstoffen te stromen die via de houtvaten omhoog worden vervoerd.


In welk seizoen is dit het geval?

a)

in het voorjaar

b)

in de herfst

c)

in de zomer

50.

Als kale rozenstruiken in het voorjaar uitlopen, vindt door de stengels transport plaats van water met opgeloste stoffen van beneden naar boven.

Zijn bij deze opgeloste stoffen suikers? En zouten?

a)

Alleen suikers

b)

Alleen mineralen

c)

Suikers en mineralen

51.

Bij de hartslag zijn drie fasen te onderscheiden:

fase 1: het samentrekken van de boezems;

fase 2: het samentrekken van de kamers;

fase 3: de hartpauze.


Tijdens welke fase(n) zijn de hartkleppen gesloten?

a)

Fase 1

b)

Fase 2

c)

Fase 3

d)

Fase 1 en 2

e)

Fase 2 en 3

52.

Tim rent de 800 meter.

Wat gebeurt er bij het rennen met de slagfrequentie van zijn hart, als je dat vergelijkt met rust?

a)

De slagfrequentie wordt hoger.

b)

De slagfrequentie verandert niet.

c)

De slagfrequentie wordt lager.

53.

Bart loopt hard over een asfaltweg. De rubberzolen van zijn hardloopschoenen worden aangetrokken door het asfalt.

Waarvan is die aantrekking een voorbeeld?

a)

Osmose

b)

Cohesie

c)

Diffusie

d)

Adhesie

54.

Bart zegt: “Het volume is 11,5 mL en de cohesie is groter dan de adhesie.”

Nora zegt: “Het volume is 12,0 mL en de adhesie is groter dan de cohesie.”

Josefine zegt: “Het volume is 11,5 mL en de adhesie is groter dan de cohesie.”

Olaf zegt: “Het volume is 12,0 mL en de cohesie is groter dan de adhesie.”


Wie heeft er gelijk?

a)

Bart

b)

Nora

c)

Josefine

d)

Olaf

55.

Welke organen staan centraal in de kleine bloedsomloop van de mens?

a)

Hart en hersenen

b)

Hart en organen

c)

Hart en longen

d)

Longen en organen

56.

Tussen welke organen zit de poortader?

a)

Tussen de dunne darm en de nier.

b)

Tussen de dunne darm en de lever.

c)

Tussen de longen en het hart.

d)

Tussen de longen en de hersenen.