Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4 basis h5 en h6

Total questions: 40

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.

Het is altijd druk in de haven van Rotterdam en op de luchthaven van Schiphol.

Dat komt door de export en de import.

Hieronder staan vier economische activiteiten.


Welke horen er allemaal bij de Nederlandse export ?

Let op: er zijn meerdere antwoorden goed.

a)

Nederlandse gezinnen kopen Amerikaanse auto’s.

b)

Nederlandse bedrijven kopen Amerikaanse computers.

c)

Australische gezinnen kopen Nederlandse tulpenbollen.

d)

Arabische bedrijven huren Nederlandse sleepboten.

2.

Welke horen er allemaal bij de Nederlandse import ?

Let op: er zijn meerdere antwoorden goed.

a)

Nederlandse gezinnen kopen Amerikaanse auto’s.

b)

Nederlandse bedrijven kopen Amerikaanse computers.

c)

Australische gezinnen kopen Nederlandse tulpenbollen.

d)

Arabische bedrijven huren Nederlandse sleepboten.

3.

Een open economie is ...


(kies het beste antwoord)

a)

een economie met veel import en export.

b)

een economie zonder dak.

c)

een economie met relatief veel import en export

d)

een economie met havens en vliegvelden.

4.

Zet de instellingen van groot naar klein!

A De EMU

B Europa

C De EU

a)

A - B - C

b)

C - B - A

c)

B - A - C

d)

B - C - A

5.

Als de lonen in Nederland niet te hard stijgen is dat goed voor onze internationele concurrentiepositie.

a)

Juist, want dan gaan we minder in het buitenland kopen

b)

Juist, want dan worden wij voor het buitenland niet te duur.

c)

Onjuist, want dan kunnen we niet genoeg meer kopen.

d)

Onjuist, want dan worden we te duur voor het buitenland.

6.

Het verschil tussen de EU en de EMU is dat...

a)

ze in de EU allemaal met de euro betalen en in de EU niet

b)

ze in de EMU allemaal met de euro betalen en in de EU niet

c)

de EU mensen gaat en de EMU alleen over geld

d)

de EMU alleen over mensen gaat en de EU alleen over geld

7.

Een Belgische toerist logeert een paar nachten in een hotel in Amsterdam.

Dit is voor Nederland ....

a)

import van een goed

b)

export van een goed

c)

import van een dienst

d)

export van een dienst

8.

Meer export betekent voor Nederland ...

a)

meer productie en toename van de werkloosheid

b)

minder productie en een daling van de werkloosheid

c)

toename van de werkgelegenheid

d)

daling van de werkgelegenheid

9.
goederen die eerst worden ingevoerd en dan meteen worden doorverkocht aan het buitenland
a)
wederinvoer
b)
wederuitvoer
c)
invoer
10.

De EU heeft een interne markt. Wat is geen kenmerk van een interne markt?

a)

Vrij verkeer van goederen en diensten

b)

Vrij verkeer van personen

c)

Vrij verkeer van kapitaal

d)

De euro

11.
een land met weinig in- en uitvoer t.o.v. het nationaal inkomen
a)
exportquote
b)
importquote
c)
open economie
d)
gesloten economie
12.
De totale uitvoerwaarde als % van het nationaal inkomen
a)
exportquote
b)
importquote
c)
brutowinstpercentage
d)
betalingsbalans
13.

Dit is het officiële fairtrade logo

a)

Waar

b)

Niet waar

14.

Welk begrip hoort bij de volgende definitie: " Gezamenlijke markt van alle landen van de Europese Unie waarbinnen vrijhandel is."

a)

wederuitvoer

b)

EMU (Europese Monetaire Unie)

c)

Interne markt

15.

Welke handelsbelemmering herken je? Er mag een maximaal aantal producten worden ingevoerd.

a)

Contingentering

b)

Exportsubsidie

c)

Invoerrechten heffen

d)

Protectiemaatregelen

e)

Importverbod.

16.

Welke vrijheden herken je? burgers mogen vrij de grens over om in een ander land te gaan werken

a)

vrij verkeer van personen

b)

vrij verkeer van goederen

c)

vrij verkeer van kapitaal

17.

Welke vrijheden herken je? Goederen mogen binnen de EU vrij worden verhandeld, zonder dat er belasting over hoeft te worden betaald.

a)

vrij verkeer van personen

b)

vrij verkeer van goederen

c)

vrij verkeer van kapitaal

18.

Welke vrijheden herken je? Geld mag vrij de grens over

a)

vrij verkeer van personen

b)

vrij verkeer van goederen

c)

vrij verkeer van kapitaal

19.

Welke handelsbelemmering herken je? De overheid geeft subsidie aan bedrijven, waardoor die hun producten goedkoper aan het buitenland kunnen verkopen.

a)

Contingentering

b)

Exportsubsidie

c)

Invoerrechten heffen

d)

Protectiemaatregelen

e)

Importverbod.

20.

Welke handelsbelemmering herken je? Importheffingen. Belasting op ingevoerde producten.

a)

Contingentering

b)

Exportsubsidie

c)

Invoerrechten heffen

d)

Protectiemaatregelen

e)

Importverbod.

21.

Welke handelsbelemmering herken je? Importheffingen. Belasting op ingevoerde producten.

a)

Contingentering

b)

Exportsubsidie

c)

Invoerrechten heffen

d)

Protectiemaatregelen

e)

Importverbod.

22.

Welke handelsbelemmering herken je? Maatregelen om de productie en werkgelegenheid bij bedrijven in het eigen land te beschermen tegen concurrentie uit andere landen.

a)

Contingentering

b)

Exportsubsidie

c)

Invoerrechten heffen

d)

Protectiemaatregelen

e)

Importverbod.

23.

Welk begrip hoort bij de volgende definitie: " De toenemende vrije wereldhandel als gevolg van het openstellen van grenzen en nieuwe vormen van communicatie en transport."

a)

Globalisering

b)

Internationale arbeidsverdeling

c)

Internationale concurrentiepositie

24.

Welk begrip hoort bij de volgende definitie: " Een product wordt geproduceerd en geëxporteerd door het land dat dit het beste en goedkoopste kan."

a)

Globalisering

b)

Internationale arbeidsverdeling

c)

Internationale concurrentiepositie

25.

Waarom importeren we het volgende?

a)

Ons klimaat is niet geschikt.

b)

Grondstoffen komen niet voor in de grond.

c)

Buitenlandse producten zijn goedkoper.

d)

Buitenlandse producten zijn van een betere kwaliteit.

e)

Consumenten willen ruime keuze aan producten.

26.

Welk begrip is het beste van toepassing op deze afbeelding?

a)

Werkloosheid

b)

Armoede cirkel

c)

Vicieuze cirkel

d)

Ontwikkelingsland

27.

Welke gegevens heb je nodig om iets over de welvaart in een land te kunnen zeggen? (meerdere antwoorden juist).

a)

De verdeling van de inkomens over de bevolking

b)

De hoogte van de prijzen van producten

c)

Het inkomen per hoofd van de bevolking

d)

Het aantal inwoners in een land

e)

In welke mate er sprake is van zelfvoorziening

28.

Wat zijn kenmerken van een ontwikkelingsland? (meerdere antwoorden juist).

a)

Langzame bevolkingsgroei

b)

Weinig werkgelegenheid

c)

Gebrek aan scholing

d)

Kleine kloof tussen arm en rijk

e)

Slechte gezondheidszorg

29.

Wat zijn buffervoorraden?

a)

De totale uitvoerwaarde als percentage van het nationaal inkomen.

b)

De mate waarin een land in staat is om beter en/of goedkoper te produceren dan andere landen

c)

Extra voorraden. Ontwikkelingslanden kunnen die gebruiken om prijsschommelingen op de wereldmarkt tegen te gaan.

d)

De verhouding tussen de prijs van exportproducten en de prijs van importproducten.

30.

Wat is een monocultuur?

a)

Een land met veel in-en uitvoer in verhouding tot het nationaal inkomen. Het land heeft een hoge import- en exportquote.

b)

Een product wordt geproduceerd en geëxporteerd door het land dat dit het beste en goedkoopste kan.

c)

Importheffingen, douanerechten. Belasting op ingevoerde producten.

d)

Ontwikkelingslanden zijn voor hun exportinkomsten afhankelijk van eén of enkele (landbouw)producten.

31.

Wat is een ruilvoet?

a)

De verhouding tussen de prijs van exportproducten en de prijs van importproducten.

b)

Een overzicht van alle betalingen aan het buitenland en alle ontvangsten uit het buiteland.

c)

Goederen worden eerst ingevoerd en na een korte bewerking meteen doorverkocht aan het buiteland.

d)

Organisatie die voeren in ontwikkelingslanden helpt door ze een eerlijke prijs voor hun producten te bieden.

32.

Wat is de wereldbank?

a)

Deze bank verzamelt geld van alle banken over de hele wereld.

b)

Deze bank is net als een goed doel, ze halen geld op middel donaties en doneren dit aan arme landen.

c)

Deze bank geeft gratis geld aan arme landen.

d)

Deze bank heeft als belangrijkste taak ontwikkelingslanden te helpen met leningen. De Wereldbank is een onderdeel van de Verenigde Naties.

33.

Wat is een grondstoffenovereenkomst?

a)

De mate waarin een land in staat is om beter en/of goedkoper te produceren dan andere landen.

b)

Een product wordt geproduceerd en geëxporteerd door het land dat dit het beste en goedkoopste kan.

c)

Afspraken tussen landen die bedoeld zijn om de prijzen van bepaalde grondstoffen stabiel te houden.

d)

Afspraken die zijn gemaakt om arme landen te helpen tegen oorlog.

34.

Wat is een microkrediet?

a)

Ontwikkelingslanden zijn voor hun exportinkomsten afhankelijk van eén of enkele (landbouw)producten.

b)

Een kleine lening die verstrekt wordt aan grote ondernemers in ontwikkelingslanden die niet kunnen lenen bij gewone banken.

c)

Een grote lening die verstrekt wordt aan kleine ondernemers in ontwikkelingslanden die niet kunnen lenen bij gewone banken.

d)

Een kleine lening die verstrekt wordt aan kleine ondernemers in ontwikkelingslanden die niet kunnen lenen bij gewone banken.

35.

Wat is fairtrade?

a)

Organisatie die boeren in ontwikkelingslanden helpt door ze een eerlijke prijs voor hun producten te bieden.

b)

Ontwikkelingslanden zijn voor hun exportinkomsten afhankelijk van eén of enkele (landbouw)producten.

c)

De toenemende vrije wereldhandel als gevolg van het openstellen van grenzen en nieuwe vormen van communicatie en transport.

d)

De totale uitvoerwaarde als percentage van het nationaal inkomen.

36.

Juist of onjuist?

Elk land dat lid is van de Europese unie heeft de Euro.

a)

Onjuist

b)

Juist

37.

Wat is een voordeel van de Euro?

a)

Alles wordt goedkoper

b)

Alles in het buitenland is goedkoper

c)

Je hoeft geen geld meer om te wisselen

d)

Je kan nooit meer in crisis komen

38.

De mate waarin je in je behoeften kunt voorzien

a)

Welvaart

b)

Welzijn

39.

Wat zijn projectiemaatregelen?

a)

Goederen worden eerst ingevoerd en na een korte bewerking meteen doorverkocht aan het buiteland.

b)

Handelsbelemmeringen, protectionisme. Maatregelen om de productie en werkgelegenheid in het eigen land te beschermen tegen concurrentie uit andere landen.

c)

De totale invoerwaarde als percentage van het nationaal inkomen.

d)

De overheid geeft subsidie aan exporterende bedrijven, waardoor die hun producten goedkoper aan het buiteland kunnen verkopen.

40.

Wat betekent het begrip: 'inkomen per hoofd van de bevolking'?

a)

Het gemiddelde inkomen van het 'hoofd (hoofdverdiener)' van een gezin.

b)

Het gemiddeld inkomen per inwoner van een land.

c)

Het gemiddelde inkomen van de bestuurders van een land.

d)

Het gemiddelde inkomen van de regering + eigenaren van grote bedrijven die een hoofdrol spelen in de export van een land.