wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Je lichaam in stand houden 4BK

Total questions: 61

Worksheet time: 53mins

Name
Class
Date
1.

Op de afbeelding zien we:

a)

Voedingsmiddelen

b)

Voedingsstoffen

2.
Schimmels worden gebruikt bij de productie van
a)
Yoghurt, Zuurkool
b)
Bier, Brood
3.
Manieren om voedsel te conserveren zijn
a)
vacuüm verpakken
b)
drogen
c)
steriliseren
d)
alle antwoorden zijn manieren van conserveren
4.

Wat betekent het woord conserveren?

a)

Dat is een ander woord voor geur.

b)

Delen van een plant die het eten smaak geven, zoals kaneel.

c)

Genieten van lekker eten.

d)

Zorgen dat het eten langer goed blijft.

5.

Wat zijn beschermende stoffen? Let op meerdere antwoorden goed

a)

vitaminen

b)

mineralen

c)

eiwitten

d)

vetten

6.

Bruin brood, groente en fruit bevatten...

a)

Voedingsvezels

b)

Lekkere sappen

c)

Voedingsmiddel

7.

Dit wordt gemaakt in de lever en niet in de galblaas

a)

speeksel

b)

alvleessap

c)

gal

d)

maagsap

8.

Dit sap maakt bacteriën dood Let op, twee goede antwoorden!

a)

gal

b)

alvleessap

c)

maagsap

d)

speeksel

9.

Nummer 2 is de

a)

maag

b)

lever

c)

dikke darm

d)

slokdarm

10.

Nummer 7 is de

a)

maag

b)

dunne darm

c)

lever

d)

alvleesklier

11.

nummer 9 is de

a)

slokdarn

b)

twaalfvingerige darm

c)

dunne darm

d)

dikke darm

12.

Nummer 11 is de

a)

slokdarm

b)

twaalfvingerige darm

c)

dunne darm

d)

dikke darm

13.

De juiste weg waarlangs je eten gaat is(goed kijken, extra tijd!)

a)

2-3-7-8-12

b)

2-5-6-7-9

c)

2-4-6-11-12

d)

2-3-5-9-11-12

14.

Een mens beschikt over een dubbele bloedsomloop. Hierbij is er een kleine bloedsomloop en een grote bloedsomloop. Binnen welke bloedsomloop wordt het zuurstofarme bloed weer zuurstofrijk gemaakt?

a)

Tijdens de kleine bloedsomloop

b)

Tijdens de grote bloedsomloop

15.

Hoevaak stroom het bloed tijdens een omloop binnen een enkelvoudige bloedsomloop door het hart?

a)

1 keer

b)

2 keer

c)

3 keer

d)

4 keer

16.

Wat is de naam van de grootste slagader van ons lichaam?

a)

Longslagader

b)

Beenslagader

c)

Armslagader

d)

Aorta

17.

Het bloed stroomt van een kuitspier via de longen weer terug naar dezelfde kuitspier. Het bloed gaat daarbij minstens tweemaal door het hart. De weg die het bloed hierbij door het hart aflegt is achtereenvolgens:

a)

linkerkamer - linkerboezem - rechterkamer - rechterboezem

b)

linkerboezem - linkerkamer - rechterboezem - rechterkamer

c)

rechterkamer - rechterboezem - linkerkamer - linkerboezem

d)

rechterboezem - rechterkamer - linkerboezem - linkerkamer

18.

Een kransslagader van de mens is een aftakking van

a)

de aorta

b)

de armslagader

c)

de halsslagader

d)

de longslagader

19.

Bij zoogdieren is de wand van de linkerkamer dikker dan die van de rechterkamer. Dit staat in verband met het feit dat de linkerkamer:

a)

kleiner is dan de rechter hartkamer en daardoor sneller moet kunnen pompen

b)

slechts zuurstofarm bloed ontvangt en dit bloed snel moet kunnen afvoeren

c)

het bloed door het sterkt vertakte haarvatennet van de longen moet pompen

d)

het bloed door het hele lichaam, behalve de longen, moet pompen

20.
waar bestaat bloed uit?
a)
bloedplasma, bloedcellen en bloedplaatjes
b)
bloedplasma, lymfevloeistof, witte bloedcellen
c)
bloedplasma, bloedcellen, mineralen
d)
zuurstof, koolstofdioxide, bloedplasma
21.

Rode Bloedcellen hebben geen celkern en vervoeren zuurstof

a)
Juist
b)
Onjuist
22.

Bij iemand komt een afwijking van de bloedplaatjes voor, waardoor deze hun inhoud niet kunnen afgegeven.


Wat kan daarvan het gevolg zijn?

a)

het bloed stolt te snel

b)

het bloed kan niet stollen

c)

het bloed kan geen zuurstof vervoeren

d)

het bloed kan een virus niet meer aanvallen

23.

Welke bloedcellen spelen een belangrijke rol binnen ons afweersysteem tegen ziekteverwekkers?

a)

Rode bloedcellen

b)

Witte bloedcellen

c)

bloedplaatjes

24.
Waar worden rode bloedcellen gemaakt?
a)
Lymfeklieren
b)
In het rode beenmerg
c)
In de lever
d)

In het gele beenmerg

25.

Het bloedplasma vervoert voedingsstoffen.

a)

juist

b)

onjuist

26.

De kransaders maken deel uit van de kleine bloedsomloop.

a)

juist

b)

onjuist

27.

Naar welk orgaan stroomt het bloed in

de poortader toe?

a)

dunne darm

b)

nieren

c)

lever

d)

hart

28.

Lymfe wordt geproduceerd in lymfeknopen.

a)

juist

b)

onjuist

29.

Wat wordt bedoeld met gaswisseling?

a)

Zuurstof gaat het bloed in en koolstofdioxide gaat het bloed uit

b)

Zuurstof en Koolstofdioxide wordt met elkaar gemengd

c)

Koolstofdioxide gaat het bloed uit en zuurstof gaat het bloed in

30.

In de afbeelding zie je de wand van de luchtwegen. Wat is de naam van onderdeel R?

a)

Slijm producerende cellen

b)

Trilhaarcellen

c)

Neusharen

d)

Reukzintuig

31.

In de afbeelding is een deel van de wand van de luchtwegen te zien. Wat is de functie van R?

a)

De ingeademde lucht keuren

b)

Ingeademde stofdeeltjes keuren

c)

Slijm produceren

d)

Slijm verplaatsen naar de keelholte

32.

Welke functie heeft de huig?

a)

De huig sluit tijdens het ademhalen de neusholte af.

b)

De huig sluit tijdens het slikken de luchtpijp af

c)

De huig sluit tijdens het slikken de neusholte af

33.

Je ziet een schematische tekening van enkele longblaasjes met longhaarvaten. Drie plaatsen zijn aangegeven met P, Q en R. De pijlen geven de stroomrichting van het bloed aan.

Op welke plaats is het koolstofdioxidegehalte het hoogst?

a)

op plaats P

b)

op plaats Q

c)

op plaats R

34.

Door welke manier van ademhalen kun je tijdens het sporten de longen zo groot mogelijk maken?

a)

Door borstademhaling

b)

Door borstademhaling en buikademhaling om en om

c)

Door borstademhaling en buikademhaling tegelijkertijd

d)

Door buikademhaling

35.

Bij de hik trekken de middenrifspieren krampachtig samen. Hierdoor beweegt het middenrif ...…….

a)
omlaag
b)

omhoog

36.

Bij de hik trekken de middenrifspieren krampachtig samen. Daarbij stroomt lucht de longen...

a)

in

b)

uit

c)

aan

d)

onder

37.

COPD is een verzamelnaam voor twee aandoeningen.

Welke aandoeningen worden aangeduid met COPD?

a)

Astma

b)

Chronische bronchitis

c)

longemfyseem

38.

Bij een astma-aanval worden de luchtwegen nauwer. Daarom moeten mensen met astma bij een astma-aanval medicijnen gebruiken.

Bij welke manier van toedienen zal het medicijn het snelst werken?

a)

Bij het inslikken van de pil

b)

bij injecteren

c)

bij innemen met een inhalator

39.

In de afbeelding zie je de onderste helft van de bek en de kieuwholten van een vis.

Met welk nummer worden de kieuwplaatjes aangegeven?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

40.

Een snoek is een roofvis die in helder, zoet water leeft. Op een bepaald moment is bij een snoek de bek gesloten en zijn de kieuwdeksels geopend. Op dat moment wordt er water naar …...

a)

buiten geperst

b)

binnen geperst

41.

Op de bodem van een diepe vijver kan een kikker goed overwinteren. De temperatuur wordt daar nooit lager dan 0 °C.

Met welk orgaan zal de kikker tijdens de winter ademhalen?

a)

Alleen met de huid

b)

alleen met de longen

c)

met de huid en longen

42.

Een muggenlarve leeft in het water en heeft een adembuis waarmee lucht kan worden opgenomen. Via deze adembuis gaat de lucht naar het ademhalingsorgaan.

Welk ademhalingsorgaan heeft een muggenlarve?

a)

Celmembraan

b)

Kieuwen

c)

Tracheeën

43.

Als je slikt, sluit het strotklepje de ...... af.

a)

keelholte

b)

neusholte

c)

luchtpijp

d)

slokdarm

44.

Welke letter geeft de luchtpijp aan?

a)

J

b)

K

45.

Wat is geen onderdeel van het inwendige milieu?

a)

Weefselvloeistof

b)

Slijmlaag in de longen

c)

Bloedplasma

46.

Voedsel in je darmen horen bij...

a)

Inwendig milieu

b)

Uitwendig milieu

47.

De onderdelen van de nier van buiten naar binnen zijn:

a)

Nierschors - niermerg - nierbekken

b)

Nierschors - nierbekken - niermerg

c)

Niermerg - nierbekken - nierschors

d)

Niermerg - nierschors - nierbekken

48.

Wat hoort bij de beschrijving:

VAN inwendig milieu NAAR uitwendig milieu

a)

Uitscheiding

b)

Voedsel opnemen

c)

Reserves aanvullen

d)

Inademen

49.

Wat doen de nieren met je urine?

a)

Opslaan

b)

Uitscheiden

c)

Opnemen

50.

De lucht in je longen hoort bij het ...

a)

Inwendige milieu

b)

Uitwendige milieu

c)

Allebei

51.

Waar hoort bloed bij?

a)

Inwendig milieu

b)

Uitwendig milieu

52.

Hoe kan je immuun raken?

a)

Wanneer je een vaccinatie hebt gehad

b)

Wanneer je de ziekte al een keer hebt gehad

c)

Beide antwoorden zijn goed

53.

Welke organismen kan je bestrijden met antibiotica?

a)

Virussen

b)

Schimmels

c)

Bacteriën

d)

Allemaal

54.

Wat is de functie van koorts?

a)

Bacteriën er uit zweten

b)

Ziekteverwekkers kunnen dan niet goed groeien

c)

Dat krijg je als het koud is

d)

Virussen er uit zweten

55.

Wat gebeurt er wanneer je het warm hebt? (meerdere antwoorden goed)

a)

Bloedvaten worden wijder

b)

Bloedvaten worden nauwer

c)

Je krijgt kippenvel

d)

Je gaat zweten

56.

Wat is de functie van talg?

a)

De huid soepel houden

b)

Bacteriën onschadelijk maken

c)

Virussen onschadelijk maken

d)

Het heeft geen functie

57.

Uit welke twee lagen bestaat de opperhuid?

a)

Hoornlaag

b)

Kiemlaag

c)

Opperhuid

d)

Lederhuid

58.

Wat is de functie van gal?

a)

Emulgeert vetten

b)

Breekt glucose af

c)

Zorgt voor de opbouw van rode bloedcellen

d)

Maakt vetten

59.

Wat zijn de functies van de lever? (meerdere antwoorden goed)

a)

Gal maken

b)

Gifstoffen afbreken

c)

Afvalstoffen afbreken

d)

Rode bloedcellen maken

60.

Op welke twee plekken in ons lichaam slaan we vet op?

a)

Onderhuids bindweefsel

b)

Lever

c)

Gele beenmerg

d)

Alle antwoorden zijn goed

61.

Waar hoort weefselvocht bij?

a)

Inwendig milieu

b)

Uitwendig milieu