Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Geldquiz 1

Total questions: 35

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

Indirecte ruil is..

a)

Product ruilen tegen product.

b)

Product ruilen tegen geld.

c)

Ruilen via een tussenpersoon.

d)

Product ruilen tegen een dienst.

2.

Wat is chartaal geld?

a)

Chartale rekening.

b)

Contant geld.

c)

Elektronisch geld.

d)

Crypto.

3.

Een ander woord voor een positief saldo is..

a)

Debetsaldo

b)

Creditsaldo

4.

Welk rentepercentage kan op ieder moment wijzigen?

a)

Variabele rente

b)

Vaste rente

c)

Wisselkoers

5.

Een consumptiefkrediet is

a)

Lening die je als consument krijgt bij een bank of leverancier.

b)

Lening voor de koop van een huis. 

c)

Krediet.

6.

Noem twee leenmotieven.

a)

Persoonlijke lening en doorlopendkrediet.

b)

Voor een onverwacht geldtekort en de koop van een gebruiksgoed.

7.

Bij welke lening kun je tussentijds weer geld opnemen?

a)

Persoonlijke lening.

b)

Doorlopend krediet.

8.

Wat is inflatie?

a)

Het gaat slechter met de economie.

b)

Geld wordt minder waard door stijgende prijzen.

c)

Hoge werkloosheid.

9.

Wat is de eurozone?

a)

Landen in Europa waar je met de euro kan betalen.

b)

Een zone met geld.

c)

Vreemde valuta.

10.

Wat is provisie?

a)

Dat je professor bent in economie.

b)

Geld voor de huis.

c)

Vergoeding die je betaalt voor diensten die de bank verleent.

11.

Welke van onderstaande is GEEN leenmotief?

a)

Je hebt dringend geld nodig.

b)

Je wilt een nieuwe aankoop, zoals een tv, niet uitstellen door ervoor te sparen.

c)

Je wilt een nieuwe scooter kopen.

d)

Je hebt een tijdelijk geldtekort.

12.

Wat is een ander woord voor lening?

a)

Geld krijgen

b)

Krediet

c)

Credit

13.

Welke van onderstaande is een lening? (meerdere goed)

a)

Doorlopend krediet

b)

Aflossing

c)

Creditsaldo

d)

Persoonlijke lening

14.

Aflossen betekent:

a)

het ontvangen van een lening.

b)

het terugbetalen van een lening.

c)

rente en andere kosten bij elkaar opgeteld.

d)

de maandtermijn van een lening.

15.

Wat zijn kredietkosten?

a)

Andere kosten van de lening

b)

Administratiekosten

c)

De aflossing van een lening

d)

Rente en andere kosten (bv. administratiekosten) van de lening

16.

Lening heet ook wel een krediet, daarom heet de lening voor een consumptie goed een consumptief krediet.

a)

Juist

b)

Onjuist

17.

Je hebt tijdelijk geldtekort.

a)

Dit is een leenmotief.

b)

Dit is GEEN leenmotief.

18.

Je wilt een nieuwe aankoop, zoals een tv, niet uitstellen door ervoor te sparen.

a)

Dit is een leenmotief.

b)

Dit is GEEN leenmotief.

19.

Koop op afbetaling

a)

Is het betalen van een product in termijnen.

b)

Is het direct afbetalen van een product-

c)

Is het betalen van een product na bijvoorbeeld 3 maanden.

20.

Bij koop op afbetaling,

a)

ben je gelijk eigenaar.

b)

ben je eigenaar als je de eerste termijn betaald hebt.

c)

ben je eigenaar als je alle termijnen betaald hebt.

21.

Lenen is duurder dan gelijk het hele bedrag betalen.

a)

Nee, het kost evenveel geld.

b)

Ja, het kost meer.

c)

Nee, het kost minder geld.

22.

Persoonlijke lening betekent:

a)

je mag telkens tot een maximum afgesproken bedrag lenen. Het bedrag dat je hebt afgelost, mag je weer opnieuw lenen.

b)

je krijgt een bedrag dat je in een vast aantal termijnen moet terugbetalen.

c)

dat je rood mag staan op je rekening.

23.

Doorlopend krediet betekent:

a)

je mag telkens tot een maximum afgesproken bedrag lenen. Het bedrag dat je hebt afgelost, mag je weer opnieuw lenen.

b)

je krijgt een bedrag dat je in een vast aantal termijnen moet terugbetalen.

c)

dat je rood mag staan op je rekening.

24.

Salariskrediet is:

a)

je mag telkens tot een maximum afgesproken bedrag lenen.

b)

hetzelfde als creditsaldo.

c)

hetzelfde als koop op afbetaling.

d)

je mag meer geld uitgeven dan er op je rekening staat, je mag rood staan.

25.

Wat is de correcte definitie van een doelgroep?

a)

De specifieke groep mensen die het product als eerste kopen.

b)

De specifieke groep mensen die interesse tonen in soortgelijke producten.

c)

De specifieke groep mensen die het product meerdere keren kopen.

d)

De specifieke groep mensen die de reclamemaker wil bereiken met zijn aanbod.

26.

Wat is een social influencer?

a)

Een product met sociale kenmerken

b)

Een persoon die reclame maakt bij zijn vrienden voor een product

c)

Een product dat inspeelt op sociale vaardigheden

d)

Een (beroemd) persoon die reclame maakt voor een product

27.

Wat is waar over social influencers?

a)

Zij maken alleen reclame voor hun eigen producten

b)

Zij verdienen geld met gesponsorde posts

c)

Zij vinden alles wat ze aanprijzen ook altijd echt goed

d)

Zij krijgen bijvoorbeeld een gratis vakantie als ze een product aanprijzen

28.

Waar of niet waar?

Bloggers en vloggers moeten het melden als ze betaald krijgen voor iets dat ze zeggen of doen

a)

waar

b)

niet waar

29.

Waarvoor kunnen deepfakes gebruikt worden?

a)

Om op een snelle manier de video's te vinden op YouTube die voor jou het meest interessant zijn.

b)

Bewerkte foto's herkennen.

c)

Het verspreiden van fake news.

30.

Kan iedereen youtuber worden?

a)

misschien

b)

nee

c)

ja

d)

ik weet het niet

31.

Crypto is gevoeliger voor fraude dan beleggen in aandelen 

a)

Waar

b)

Niet waar

32.

Beleggen is riskanter dan sparen

a)

Waar

b)

Niet waar

33.

Waarom is het verstandig om je risico te spreiden als je belegt?

a)

Omdat je dan een grotere kans hebt dat je geld meer waard wordt.

b)

Omdat het risico dan kleiner is dat je veel geld verliest.

34.

Beleggen voor kortetermijnwinst is veiliger dan voor langetermijnwinst.

a)

Waar

b)

Niet waar

35.

Wat is een spaarbuffer?

a)

Het geld dat je achter de hand hebt voor onverwachte uitgaven.

b)

Het geld dat je hebt om op lange termijn iets te kunnen kopen.

c)

Het geld dat je over hebt om bijvoorbeeld mee te gaan beleggen