wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

1. Thema Retail hst. 1 Werken in de retail

Total questions: 39

Worksheet time: 39mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een voorbeeld van een runshopper?

a)

Een klant die uit nieuwsgierigheid een winkel binnenstapt

b)

Een klant die zich uitgebreid in de winkel oriënteert

c)

Een klant met een lijstje waar hij zich aan houdt

2.

Wat is een voorbeeld van een funshopper?

a)

Een klant die van tevoren al bepaald heeft wat hij gaat kopen

b)

Een klant die zich uitgebreid in de winkel oriënteert

c)

Een klant met een lijstje waar hij zich aan houdt

3.

Klanten kunnen worden ingedeeld in funshoppers en runshoppers. Dit is een voorbeeld van

a)

marktpositionering

b)

marktsegmentatie

c)

marktstrategie

d)

marktwerking

4.

Klanten kunnen ingedeeld worden in mannen, vrouwen en kinderen. Dit is een voorbeeld van

a)

marktpositionering

b)

marktsegmentatie

c)

marktstrategie

d)

marktwerking

5.

Klanten kunnen ingedeeld worden op basis van leeftijd, inkomen of woonplaats. Er is dan sprake van

a)

marktpositionering

b)

marktsegmentatie

c)

marktstrategie

d)

marktwerking

6.

De winkelformule bestaat naast het distributiesysteem uit de volgende onderdelen:

a)

Assortiment en marktpositionering

b)

Doelgroep en verkoopsysteem

c)

Marktpositionering en verkoopsysteem

d)

Verkoopsysteem en assortiment

7.

Wat is de definitie van een distributiesysteem?

a)

Het thema van het assortiment van een winkel

b)

Het uitgangspunt van een winkel bij de verkoop van producten

c)

De unieke manier van een winkel om goederen aan te bieden

8.

Winkels met servicedistributie staan vooral bekend om hun

a)

brede assortiment

b)

huismerken

c)

lage prijzen

d)

luxe uitstraling

9.

Een winkel met servicedistributie biedt veel

a)

dezelfde soorten artikelen aan tegen hogere prijzen

b)

dezelfde soorten artikelen aan tegen lagere prijzen

c)

verschillende soorten artikelen aan tegen hogere prijzen

d)

verschillende soorten artikelen aan tegen lagere prijzen

10.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving:


Een thema in het totale assortiment dat een winkel verkoopt.

a)

Assortimentsgroep

b)

Artikelgroep

c)

Artikelsoort

11.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving:


Een verzameling van ongeveer dezelfde artikelen.

a)

Assortimentsgroep

b)

Artikelgroep

c)

Artikelsoort

12.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving:


Verschillende varianten of merken binnen een verzameling van dezelfde artikelen.

a)

Assortimentsgroep

b)

Artikelgroep

c)

Artikelsoort

13.

De schoenenafdeling van een sportwinkel heeft voetbal-, tennis- en bergschoenen te koop. Dit is een indeling naar

a)

assortimentsgroepen

b)

artikelgroepen

c)

artikelsoorten

14.

Welk assortimentsniveau is in de afbeelding met het cijfer 3 aangegeven?

a)

Artikelgroep

b)

Artikelsoort

c)

Assortimentsgroep

15.

Welk assortimentsniveau is in de afbeelding met het cijfer 2 aangegeven?

a)

Artikelgroep

b)

Artikelsoort

c)

Assortimentsgroep

16.

Een winkel met veel artikelgroepen en één of twee artikelsoorten heeft een

a)

breed en diep assortiment

b)

breed en ondiep assortiment

c)

smal en diep assortiment

d)

smal en ondiep assortiment

17.

Een winkel heeft twee productgroepen. In elke productgroep zitten meerdere varianten en merken. Het assortiment is

a)

breed en diep

b)

breed en ondiep

c)

smal en diep

d)

smal en ondiep

18.

Een winkel heeft veel verschillende productgroepen. Iedere groep heeft meerdere varianten en merken. De winkel heeft een

a)

breed en diep assortiment

b)

breed en ondiep assortiment

c)

smal en diep assortiment

d)

smal en ondiep assortiment

19.

Een winkel heeft twee productgroepen. Elke productgroep bevat één of twee artikelsoorten. Het assortiment is

a)

breed en diep

b)

breed en ondiep

c)

smal en diep

d)

smal en ondiep

20.

Wat is een voorbeeld van semi-zelfbediening?

a)

Bij de kaasboer vraagt een klant om 500 gr. Franse kaas

b)

Een klant haalt producten uit het schap en rekent bij kassier af

c)

Een klant twijfelt en vraagt advies aan een medewerker

21.

Een klant zoekt verf om een tuinmeubel te schilderen en vraagt advies aan een medewerker. Er is sprake van

a)

bediening

b)

semi-zelfbediening

c)

zelfbediening

22.

Van welk verkoopsysteem is sprake in deze dameskledingwinkel?


Caitlin ziet dat een klant al een tijdje met een jurk in haar hand staat. Ze vraagt of ze haar ergens mee kan helpen. De klant vraagt of de jurk ook in andere kleuren beschikbaar is. Caitlin toont haar vervolgens andere kleuren.

a)

Bediening

b)

Semi-zelfbediening

c)

Zelfbediening

23.

Lees de volgende situatie. Van welk verkoopsysteem is sprake in deze slagerij?


Bob gaat morgen barbecueën met zijn vrienden en hij is bij de slager om vlees te kopen. Als Bob aan de beurt is, vertelt hij welke soorten vlees hij graag wil hebben. De slager weegt het vlees en verpakt het.

a)

Bediening

b)

Semi-zelfbediening

c)

Zelfbediening

24.

Onder de retailmix vallen 7 kenmerken. Bij welk kenmerk hoort het begrip 'specialisatie'?

a)

Personeel

b)

Plaats

c)

Product

d)

Promotie

25.

Onder de retailmix vallen 7 kenmerken. Bij welk kenmerk hoort het begrip ‘parallellisatie’?

a)

Personeel

b)

Prijs

c)

Product

d)

Promotie

26.

Onder de retailmix vallen 7 kenmerken. Wat zijn voorbeelden van het kenmerk ‘presentatie’?

a)

Folders en tv-reclames

b)

Logo en huisstijl

c)

Verzorging en aankleding van het personeel

27.

[cohort 2019] Klanten vragen steeds vaker om maatwerk. Ze willen meer service en een persoonlijke benadering. Van welke trend is hier sprake?

a)

Cross channel retail

b)

Individuele consumenten

c)

Openheid naar de klant

d)

Prioriteiten van de klant

28.

Klanten willen producten op allerlei momenten en op allerlei manieren kunnen kopen. Van welke trend is hier sprake?

a)

Cross channel retail

b)

Nieuwe markten

c)

Ontwikkeling van de bevolking

d)

Openheid naar de klant

29.

[cohort 2019] Tot welke consumententrend behoort het volgende kenmerk?


Soms willen klanten snel winkelen: ze kiezen dan voor eenvoudige producten. Soms willen ze uitgebreid winkelen: dan kiezen ze voor luxe producten.

a)

Cross channel retail

b)

Individuele consumenten

c)

Prioriteiten van de klant

d)

Verdwijnen van de middenweg

30.

[cohort 2019] Bij welke consumententrend hoort de volgende beschrijving?


Sommige klanten willen snelle, goedkope producten, terwijl anderen kiezen voor luxe en service. Winkels moeten bewust kiezen voor prijsdistributie of servicedistributie.

a)

Individuele consumenten

b)

Openheid naar de klant

c)

Prioriteiten van de klant

d)

Verdwijnen van de middenweg

31.

Bij welke consumententrend hoort de volgende beschrijving?

Klanten bepalen steeds meer waar, wanneer en op welke manier ze toegang krijgen tot hun bestelling. De bezorging wordt efficiënter en er is meer aandacht voor het milieu.

a)

Besteden en bijdragen

b)

Bezit en gebruik

c)

Check-in en check-out

d)

Timeslot en timefit

32.

Als goederen op alle mogelijke manieren en met alle mogelijke voorzieningen aangeboden worden, is dit een voorbeeld van

a)

cross channel retail

b)

multi channel retail

c)

omni channel retail

d)

single channel retail

33.

Als er slechts één mogelijkheid is om producten te kopen en te verkopen, is dit een voorbeeld van

a)

cross channel retail

b)

multi channel retail

c)

omni channel retail

d)

single channel retail

34.

Als je goederen op meerdere manieren kunt kopen, is dit een voorbeeld van

a)

cross channel retail

b)

multi channel retail

c)

omni channel retail

d)

single channel retail

35.

Als goederen op diverse manieren gekocht kunnen worden, en de verschillende verkoopkanalen met elkaar samenwerken, is dit een voorbeeld van

a)

cross channel retail

b)

multi channel retail

c)

omni channel retail

d)

single channel retail

36.

Welk begrip hoort bij deze afbeelding?

a)

Cross channel retail

b)

Multi channel retail

c)

Omni channel retail

d)

Single channel retail

37.

Welk begrip hoort bij deze afbeelding?

a)

Cross channel retail

b)

Multi channel retail

c)

Omni channel retail

d)

Single channel retail

38.

Welk begrip hoort bij deze afbeelding?

a)

Cross channel retail

b)

Multi channel retail

c)

Omni channel retail

d)

Single channel retail

39.

Welk begrip hoort bij deze afbeelding?

a)

Cross channel retail

b)

Multi channel retail

c)

Omni channel retail

d)

Single channel retail