wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Signaalwoorden

Total questions: 25

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Ik ga straks eerst naar huis, dan ga ik mijn huiswerk maken en daarna ga ik tv-kijken.

a)

Opsommend

b)

Chronologisch

c)

Redengevend

d)

Doel-middel

2.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Hij blijft langer weg dan normaal, dus er zal wel iets aan de hand zijn.

a)

Redengevend

b)

Samenvattend

c)

Concluderend

d)

Oorzakelijk

3.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Ik heb je verhaal gelezen, maar je opdracht nog niet nagekeken.

a)

Tegenstellend

b)

Toelichtend

c)

Vergelijkend

d)

Voorwaardelijk

4.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Hij viel van zijn fiets, doordat hij teveel gedronken had.

a)

Doel-middel

b)

Toelichtend

c)

Oorzakelijk

d)

Voorwaardelijk

5.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'vervolgens'?

a)

Toelichtend

b)

Samenvattend

c)

Chronologisch

d)

Vergelijkend

6.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'kortom'?

a)

Concluderend

b)

Doel-middel

c)

Voorwaardelijk

d)

Oorzakelijk

7.
'Ten eerste', 'ten tweede' en 'daarna' geven een opsomming aan
a)
Ja dat is waar
b)
Nee dat is niet waar
8.

Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?

Mijn tante houdt niet van winkelen, maar mijn moeder vindt het heel erg leuk.

a)

tijd

b)

reden

c)

tegenstelling

d)

opsomming

9.

Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?


Mijn oom is heel erg avontuurlijk. Mijn tante daarentegen is helemaal niet avontuurlijk en wil niet graag nieuwe dingen beleven.

a)

opsomming

b)

volgorde

c)

voorbeeld

d)

tegenstelling

10.

Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?


Eerst deed ik mijn pyjama aan en vervolgens poetste ik mijn tanden. Daarna stapte ik in bed en uiteindelijk viel ik weer in slaap.

a)

reden

b)

tegenstelling

c)

tijd

d)

voorbeeld

11.

Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?


Mijn moeder wil groenten en fruit kopen. Verder brood en daarnaast wat broodbeleg en tot slot een paar toetjes.

a)

tijd

b)

opsomming

c)

voorbeeld

d)

reden

12.

'Ik vind je aardig, maar ik kan je niet helpen'

a)

'Maar' geeft een vergelijking aan

b)

'Maar' geeft een tegenstelling aan

13.

Voorbeelden van signaalwoorden zijn:

a)

Maar, en, toch, daarna, ten slotte.

b)

Dat, doen, daar, het, om, uit.

c)

Juist, deze, hij, die.

d)

Geen van allen.

14.

Welk verband hoort bij: bijvoorbeeld, zo, zoals?

a)

reden

b)

voorbeeld

c)

tegenstelling

d)

opsomming

15.

Welk signaalwoorden passen het beste in de volgende zin:

Als eerste sta ik op, ???was ik mij.

a)

Daarna

b)

Tenslotte

c)

Vervolgens

16.

Welk signaalwoord past het beste in de volgende zin?

Ik moet eerst de groentjes wassen om ze ???in de saus te mengen.

a)

Uiteindelijk

b)

Ten slotte

c)

Vervolgens

d)

Daarna

17.

Welk signaalwoord past het beste in de volgende zin?

Tijdens de zomer had ik een vakantiejob, ???nu heb ik daar geen tijd meer voor.

a)

Dan

b)

Daarna

c)

Doordat

d)

Maar

18.

Welk signaalwoord past het beste in de zin?

Eerst ga ik naar de kapper, ???kom ik bij jou langs.

(a)  

19.

Welk signaalwoord past het beste in de zin?

???het morgen regent, gaat de sportdag niet door.

(a)  

20.

Welk signaalwoord past het beste in de zin?

Het regent, ???ik word nat.

(a)  

21.

Welk signaalwoord past het beste in de zin?

Het regent, ???word ik nat.

(a)  

22.

Welk signaalwoord past het beste in de zin?

Ik gebruik een paraplu ???niet nat te worden.

(a)  

23.

Welk signaalwoord past het beste in de zin?

Mijn band is plat ???ik over een stuk glas reed.

(a)  

24.

Welk signaalwoord kan ik gebruiken?

Ik krijg elke week zakgeld???ik kan sparen voor een nieuwe fiets.

a)

Daardoor

b)

Doordat

c)

Zodat

d)

Maar

25.

Welk signaalwoord kan ik gebruiken?

Ik ga snel naar huis, ???mijn mama ging pannenkoeken bakken.

a)

Want

b)

Doordat

c)

Zodat

d)

Maar