wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Grammatica | Ontleden

Total questions: 20

Worksheet time: 40mins

Name
Class
Date
1.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


De bakker heeft de broden alsnog kunnen verkopen.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

2.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


Tijdens de ouderavond krijgen alle ouders koffie of thee.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

3.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


Sinds wanneer heeft elke voetballer een nieuw t-shirt?

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

4.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


Mijn moeder heeft voor de visite een cake gebakken.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

5.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


De heksen toveren de prins om in een kikker.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

6.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


Ik wil een nieuwe outfit voor het feest morgen.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

7.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


Heeft Tom de kartonnen doos hier neergezet?

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

8.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


Mijn broertje ruimt nooit zijn spullen op.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

9.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


Ik heb voor school mijn agenda nodig.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

10.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


De meester deelt lastige toetsen uit aan groep 8.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

11.

Wat is het onderwerp in de zin?


Mijn nicht heeft een verrassingsreis geboekt.

a)

Mijn nicht

b)

heeft

c)

een verrassingsreis

d)

heeft geboekt

12.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de zin?


Mijn moeder heeft de auto op slot gedaan.

a)

Mijn moeder

b)

heeft

c)

de auto

d)

heeft gedaan

13.

Wat is het onderwerp in zin?


De kinderen van mijn nicht hebben skeelers gekocht.

a)

De kinderen

b)

De kinderen van mijn nicht

c)

hebben gekocht

d)

skeelers

14.

Wat is het lijdend voorwerp in de zin?


Van mijn zakgeld heeft Maarten een nieuwe telefoon gekocht.

a)

mijn zakgeld

b)

Maarten

c)

een nieuwe telefoon

d)

heeft gekocht

15.

Wat is de persoonsvorm in de zin?


Mijn oom wil een auto voor zeven personen kopen.

a)

Mijn oom

b)

wil

c)

een auto

d)

wil kopen

16.

Wat is het lijdend voorwerp in de zin?


Heb jij dit weekend de woordjes voor Frans wel geleerd?

a)

Heb

b)

jij

c)

de woordjes voor Frans

d)

heb geleerd

17.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de zin?


Jullie winkel verkocht een klein schilderij op vrijdag.

a)

Jullie winkel

b)

verkocht

c)

een klein schilderij

d)

op vrijdag

18.

Wat is het onderwerp in de zin?


Ik ben het pionnetje van het bordspel kwijtgeraakt.

a)

Ik

b)

ben

c)

het pionnetje

d)

ben kwijtgeraakt

19.

Wat is het lijdend voorwerp in de zin?


Alle leerlingen hebben hun eigen rekenschrift.

a)

Alle leerlingen

b)

hebben

c)

hun eigen rekenschrift

d)

eigen rekenschrift

20.

Wat is het onderwerp in de zin?


Aan Marieke geef ik volgende week een presentje.

a)

Marieke

b)

geef

c)

ik

d)

een presentje