wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H456 3BKGT

Total questions: 60

Worksheet time: 31mins

Name
Class
Date
1.

De hoofdgedachte van een tekst vind je door....

a)

de vraag te stellen: "waar gaat de tekst over?"

b)

de vraag te stellen: "wat schrijft de schrijver over het onderwerp?"

c)

te kijken naar tussenkopjes / deeltitels

d)

te kijken wat de bron van de tekst is

2.

Wat helpt niet om de hoofdgedachte te vinden?

a)

alleen de plaatjes bekijken

b)

de inleiding en het slot van een tekst lezen

c)

het onderwerp van een tekst bepalen

d)

in één zin samenvatten wat de schrijver over het onderwerp zegt

3.

Wat is de hoofdgedachte van een tekst?

a)

waar de tekst over gaat in een woord of paar woorden

b)

waar de tekst over gaat in een hele zin

c)

het belangrijkste wat er in de tekst over het onderwerp wordt gezegd in een woord of paar woorden

d)

het belangrijkste wat er in de tekst over het onderwerp wordt gezegd in een hele zin

4.

Waar kun je de hoofdgedachte meestal vinden?

a)

in de eerste of laatste zin van iedere alinea

b)

in de titel

c)

in het middenstuk

d)

in de inleiding of het slot

5.

Waar de tekst over gaat is:

a)

de hoofdgedachte

b)

het thema

c)

het onderwerp

d)

de titel

6.

Een tekst bestaat meestal uit:

a)

begin, vervolg, eind

b)

inleiding, middenstuk, slot

c)

anekdote, deelonderwerp, conclusie

d)

voorbeeld, kern, eind

7.
De belangrijkste informatie over een deelonderwerp staat vaak in de laatste zin van de alinea.
a)
dit is goed
b)
fout, het is de eerste zin
8.
Hierin wordt duidelijk wat het onderwerp van de tekst is.
a)
in het middenstuk
b)
in het slot
c)
in de inleiding
9.

Welke zin(nen) is/zijn juist?

a)

Tekstverbanden kun je herkennen aan signaalwoorden.

b)

Signaalwoorden staan alleen aan het begin van een zin.

c)

Signaalwoorden verbinden zinnen of alinea's met elkaar.

d)

Een tekst kan maar één tekstverband hebben.

10.
Vaak worden er in het middenstuk verschillende delen van het onderwerp besproken. Dit noemen we
a)
alinea's
b)
inleiding
c)
tussenkopjes
d)
deelonderwerpen
11.

Wat is het argument:

'Er ligt een dun laagje ijs op de gracht. Het vriest kennelijk.'

a)

Er ligt een dun laagje ijs.

b)

Het vriest kennelijk.

c)

Er ligt een dun laagje ijs op de gracht. Het vriest kennelijk.

12.

Wat is het argument?

'Je mag doorrijden, het licht staat op groen.'

a)

Je mag doorrijden

b)

het licht staat op groen

c)

Je mag doorrijden, het licht staat op groen.

13.

Letterlijk of figuurlijk?

Feline is een zacht ei.

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

14.

Letterlijk of figuurlijk?

Mijn opa nam me mee naar het circus op het plein.

a)

Letterlijk

b)

Figuurlijk

15.

Letterlijk of figuurlijk?

Mijn vader ziet op tegen dat circus van online lessen in Teams.

a)

Letterlijk

b)

Figuurlijk

16.

Letterlijk of figuurlijk?

Mariska wil graag een zacht ei bij haar ontbijt.

a)

Letterlijk

b)

Figuurlijk

17.

Vanochtend was ik doodziek.

a)

ironie

b)

overdrijving

18.

'Eet nog meer chocola, dat is goed voor je.'

a)

ironie

b)

overdrijving

19.

'Een voldoende voor rekenen? Dat gaat nog jaren duren!'

a)

ironie

b)

overdrijving

20.

'Je wordt bedankt!'

a)

ironie

b)

overdrijving

21.

1/12

Aan elkaar of los?

a)

acht uur journaal

b)

achtuur journaal

c)

acht uurjournaal

d)

achtuurjournaal

22.

2/12

Aan elkaar of los?

a)

dode hoek spiegel

b)

dodehoek spiegel

c)

dode hoekspiegel

d)

dodehoekspiegel

23.

3/12

Aan elkaar of los?

a)

er over heen springen

b)

erover heen springen

c)

eroverheen springen

d)

eroverheenspringen

24.

5/12

Aan elkaar of los?

a)

gebruik maken

b)

gebruikmaken

25.

Maak de samenstelling:

te + kort

(a)  

26.

Welke samenstelling is juist?

a)

open dag

b)

opendag

c)

open-dag

27.
Mijn broer is in een nieuwe fase: hij laat nu zijn ... staan.
a)
bakkebaarden
b)
bakkenbaarden
28.
Mijn horloge is stuk. Morgen moet ik naar de ...
a)
horlogesmaker
b)
horlogenmaker
c)
horlogemaker
29.
Vroeger maalde men het graan op een ...
a)
molensteen
b)
molesteen
c)
molenssteen
30.
Als ik volgend jaar op kot ga in Gent, dan moet ik tijdig beginnen zoeken naar een leuke ...
a)
studentenkamer
b)
studentekamer
c)
studenteskamer
31.
In de GFT bak hoort het...
a)
groentenafval
b)
groentesafval
c)
groenteafval
32.
Wat is goed?
a)
varkensstal
b)
varkenstal
33.

Het nieuws (verbreiden) (a)   (v.t.) zich snel door Caïro.

34.

De (verkleden) (a)   leraren werden toch herkend.

35.

Toen de speler er genoeg van had, (luchten) (a)   (v.t.) hij zijn hart.

36.

De regering (aanvaarden) (a)   (v.t.)de voorgestelde wijzigingen niet.

37.

Ik heb de proefwerken nog niet (corrigeren) (a)  

38.

Hij (hoesten) (v.t.).......... en (proesten) (v.t.) .................... doordat hij zich verslikte.

(a)  

39.

Messi stichten (v.t.) (a)   verwarring in de achterhoede van de tegenstander.

40.

De kaartjes voor Duitsland kunnen worden bestellen (a)  

41.

De (stranden) ................. olietanker (bevinden) ...............(t.t.) zich bij de kust van Texel.

(a)  

42.

De opnieuw (bekleden) ...... bank (worden)........... (t.t.) wordt morgen (afleveren) .............

a)

bekleeddden

wordt

afgeleverd

b)

bekleden

word

afgelevert

c)

beklede

wordt

afgeleverd

d)

bekleedde

wordt

afgelevert

43.

De veehouder (melden) (a)   (v.t.) een toegenomen tekort aan opslagruimte voor mest.

44.

De spelers (wensen) (a)   gisteren echter niet met de pers te praten.

45.

De gemeente (realiseren) (a)   (tt) zich nauwelijks wat voor een overlast door het feest wordt veroorzaakt.

46.

Hij (vermoeden) ...............(tt) dat het niet (worden) ..............(t.t.)(vergoeden).............

(a)  

47.

Worden (a)   je vader niet gek van jou?

48.

Vul een D of T in

Sonja vertel (a)   een verhaal

49.

Vul een D of T in

Maarten heeft een verhaal vertel...

(a)  

50.

Vul een D of een T in

Ik weet dat Monique een verhaal vertel (a)  

51.

Vul een D of een T in

De dokter behandel (a)   de wond zorgvuldig

52.

Vul een D of een T in

De tandarts heeft de kies zorgvuldig behandel (a)  

53.

Vul een D of een T in

Ik weet dat de dierenarts die wond van die kat zorgvuldig behandel (a)  

54.

Vul een D of een T in

Er gebeur (a)   daar iets

55.

Vul een D of een T in

Er is daar iets gebeur (a)  

56.

Vul een D of een T in

Hij weet dat daar iets gebeur (a)  

57.

Welke functie heeft het gekleurde woord in de zin? Zij zijn ervan uitgegaan dat er niets gebeurt.

a)

persoonsvorm

b)

voltooid deelwoord

58.

Welke functie heeft het gekleurde woord in de zin? Ik vertrouw erop dat jullie goed zijn voorbereid.

a)

persoonsvorm

b)

voltooid deelwoord

59.

Welke functie heeft het gekleurde woord in de zin? Vind je dat niet heel erg tegenvallen?

a)

persoonsvorm

b)

voltooid deelwoord

60.

Welke functie heeft het gekleurde woord in de zin? Ik verwacht dat zij zich voor dat feestje nog verkleedt.

a)

persoonsvorm

b)

voltooid deelwoord