wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H2 Stoffen

Total questions: 48

Worksheet time: 29mins

Name
Class
Date
1.

Een suspensie is een vloeistof waarin fijn poeder zweeft.

a)

waar

b)

niet waar

2.

1.       Een oplossing is

a)

altijd gekleurd

b)

is altijd helder

c)

is soms troebel

3.

Sprite is een heldere kleurloze drank, dit is een voorbeeld van

a)

zuivere stof

b)

mengsel

4.
a)

links is helder, rechts is troebel

b)

links is troebel, rechts is helder

c)

beide zijn troebel

d)

beide zijn helder

5.

Thee is een:

a)

mengsel

b)

zuivere stof

6.

Verf is een

a)

oplossing

b)

suspensie

c)

zuivere stof

7.

zuivere boslucht is een

a)

zuivere stof

b)

mengsel

8.

24 Karaats goud is een

a)

zuivere stof

b)

mengsel

9.

Iedere stof bestaat uit een ______ of een ________

a)

Mengsel

b)

Oplossing

c)

Suspensie

d)

Zuivere stof

10.

Welke bewering over een oplossing is ONJUIST?

a)

Een oplossing is altijd gekleurd

b)

Een oplossing is altijd helder

c)

Een oplossing is altijd een mengsel

11.

Welke bewering over een suspensie is ONJUIST?

a)

Een suspensie is altijd troebel

b)

Een suspensie is een mengsel van een fijn verdeelde vaste stof in een vloeistof

c)

Een suspensie is een mengsel van twee vloeistoffen

d)

Een suspensie is wit of gekleurd, maar nooit kleurloos

12.
Wat is de moleculaire naam van water
a)

NH4

b)
CO2
c)
H2O
13.

Het kleinste deeltje van een stof dat nog de eigenschappen van die stof heeft, noem je een:

a)

Atoom

b)

Atomos

c)

Molecuul

d)

Water

14.

massa...

a)

is een eenheid met gram als grootheid

b)

is een eenheid met gewicht als grootheid

c)

is een grootheid met gram als eenheid

d)

is een grootheid met gewicht als eenheid

15.

m3 spreek je uit als...

a)

vierkante meter

b)

kubieke meter

c)

meter drie

16.

mL is...

a)

een grootheid van volume

b)

een eenheid van volume

c)

grootheid van liter

d)

eenheid van liter

17.

40 mL = .....

a)

40 cm3

b)

40 mm3

c)

4000 cm3

d)

4000 mm3

18.

Welke formule is juist omgevormd

a)

A

b)

B

c)

C

19.

Welk van deze blokje is het zwaarst?

a)

goud

b)

aluminium

c)

lood

20.

Welk van deze blokjes is het grootst?

a)

goud

b)

aluminium

c)

lood

21.

welk van deze blokjes heeft de grootste dichtheid?

a)

goud

b)

aluminium

c)

lood

22.

Welke eenheid hoort bij volume

a)

cm

b)

L

c)

kg

d)

K

23.

Wat is de massa?

Volume = 32,0 cm3

Dichtheid = 2,90 g/cm3

ρ=mV\rho=\frac{m}{V}  

(a)  

24.

Dichtheid:

Volume = 12 cm3

massa = 33 gram

ρ=mV\rho=\frac{m}{V}  

(a)  

25.

Bereken de dichtheid van de steen

a)

1.6 g/cm3

b)

2.7 g/cm3

c)

64 g/cm3

d)

Dat kun je niet zeggen

26.

Massa meet je niet met

a)

Weegschaal

b)

Balans

c)

Bovenweger

d)

Maatcilinder

27.

Volume en inhoud gebruiken dezelfde eenheden.

a)

True

b)

False

28.

Het volume van een rechthoekig voorwerp bereken je met:

a)

Onderdompelmethode

b)

V = lbhV\ =\ l\cdot b\cdot h  

c)

V = πr2hV\ =\ \pi\cdot r^2\cdot h  

29.

Het volume van een onregelmatig voorwerp bereken je met:

a)

Onderdompelmethode

b)

V = lbhV\ =\ l\cdot b\cdot h  

c)

V = πr2hV\ =\ \pi\cdot r^2\cdot h  

30.

De eenheid die wij vaak gebruiken voor het volume van voorwerpen is:

a)

cm3

b)

mlml

31.

De eenheid die wij vaak gebruiken voor het volume van vloeistoffen is:

a)

cm3

b)

mlml

32.

Volume heeft als symbool

a)

v

b)

V

c)

volume heeft geen symbool

33.

Er staat als antwoord van een leerling: het volume is 25 V.

Wat klopt er niet?

a)

de eenheid van volume is niet V maar bijvoorbeeld cm3

b)

De eenheid is onjuist. De eenheid van volume is niet V maar g

c)

Er had moeten staan: V = 25 V

34.

Welke scheidingsmethoden wordt er hier uitgebeeld?

a)

Filtreren

b)

Destilleren

c)

Extraheren

d)

Bezinken en afschenken

35.

Wat wordt aangegeven met de letter C?

a)

Het filter

b)

Filtreerpapier

c)

Filtraat

d)

Residu

36.

Van welke scheidingsmethode zie je hierin afgebeeld?

a)

Bezinken

b)

Bezinken en afschenken

c)

Filtreren

d)

Indampen

37.

de oplossing na filtreren noemen we het

a)

filter

b)

filtraat

c)

residu

d)

zuivere stof

38.

extraheren berust op het verschil in oplosbaarheid

a)

juist

b)

onjuist

39.

filtreren berust op het verschil in kookpunt

a)

juist

b)

onjuist

40.

een reactiemengsel moet troebel zijn om het te scheiden door filtratie

a)

juist

b)

onjuist

41.

Sommige scheidingmethoden zijn zowel in het groot als in het klein toepasbaar.

Welke scheidingmethode is toegepast?

noteer het begrip wat op de plek van het vraagteken moet staan,


Bij het zuiveren van drinkwater met zand in de duinen wordt …?... toegepast

(a)  

42.

Sommige scheidingmethoden zijn zowel in het groot als in het klein toepasbaar.

Welke scheidingmethode is toegepast?

noteer het begrip wat op de plek van het vraagteken moet staan,


Zout uit de bodem lost op in water, zand niet. Zout wordt uit de bodem gehaald door …?...

(a)  

43.

Welke twee scheidingsmethoden zie je in de afbeelding?

a)

Extraheren en filtreren

b)

Indampen en extraheren

c)

Sorteren en extraheren

d)

Destilleren en filteren

44.

Bij de bovenstaande foto is de linker

a)

Een heldere oplossing

b)

Een troebele suspensie

c)

Een heldere suspensie

d)

Een troebele oplossing

45.

Welke scheidingsmethode maakt gebruik van het verschil in deeltjesgrootte?

a)

Destilleren

b)

Filtreren

c)

Extraheren

d)

Indampen

46.

Welke gevarensymbool betekend bijtend/corrosief

a)
b)
c)
d)
47.

iedere stof is opgebouwd kleine deeltjes, dit noemen wij ......

a)
cellen
b)
moleculen
c)
elektronen
48.

Welk van de volgende materialen heeft de hoogste dichtheid?

a)

Hout

b)

Staal

c)

Plastic