Font size
Worksheetsaller, avoir, être présent (2HV)
Total questions: 20
Worksheet time: 17mins
Papa et moi, nous ____ (aller) à la plage.
avons
allons
êtes
sommes
Tu ____ (être) un garçon sympa.
as
a
vas
es
Les filles ____ (avoir) une grande maison.
ont
sont
vont
a
Wat is de vertaling van het onderstreepte werkwoord?
Elle va en Espagne.
zij hebben
zij zijn
zij heeft
zij gaat
Wat is de vertaling van het onderstreepte werkwoord?
Je ne suis pas un lapin.
ik heb
ik ga
ik ben
ik vertrek
Wat is de vertaling van het onderstreepte werkwoord?
Madame, vous êtes aux Pays-Bas?
wij gaan
wij zijn
jullie zijn
u bent
Wat is de vertaling van het onderstreepte werkwoord?
Tu as une belle robe !
ik ben
jij bent
ik ga
jij hebt
Zet het werkwoord tussen haakjes in de juiste vorm.
Vous (a) (être) dans un hôtel à Paris.
Zet het werkwoord tussen haakjes in de juiste vorm.
Je (a) (aller) au Danemark.
Zet het werkwoord tussen haakjes in de juiste vorm.
Nous (a) (aller) à Rome.
Zet het werkwoord tussen haakjes in de juiste vorm.
Le lapin (a) (avoir) un frère, il s'appelle Snuffie.
Zet het werkwoord tussen haakjes in de juiste vorm.
Julien (a) (avoir) deux sœurs.
Zet het werkwoord tussen haakjes in de juiste vorm.
Menno et Adrien (a) (aller) en France.
Zet het werkwoord tussen haakjes in de juiste vorm.
Tu (a) (être) le frère de Paul.
Zet het werkwoord tussen haakjes in de juiste vorm.
Mes parents (a) (avoir) un chien et un chat.
Zet het werkwoord tussen haakjes in de juiste vorm.
Les amis (a) (être) intelligents et sympas.
Zet het werkwoord tussen haakjes in de juiste vorm.
Je (a) (être) fatigué.
Zet het werkwoord tussen haakjes in de juiste vorm.
On (a) (être) très grand ici.
Zet het werkwoord tussen haakjes in de juiste vorm.
Nous (a) (avoir) douze ans.
Zet het werkwoord tussen haakjes in de juiste vorm.
Papa, tu (a) (aller) au supermarché ?
