wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H4: Thema 5 en 6.1 en 6.2

Total questions: 66

Worksheet time: 2hrs 31mins

Name
Class
Date
1.
Wat betekend het begrip: bloedsuikerspiegel?
a)
Dat is de hoeveelheid suiker dat zich in het bloed bevind
b)
Dat is bloed met suiker gemengd 
c)
Dat is het glucosegehalte van het bloed
d)
Dat betekenend helemaal niks
2.
Welk hormoon produceren die bijnieren?
a)
Adrenaline
b)
Groeihormoon
c)
Insuline 
d)
Geslachshormonen
3.

In welk orgaan (of in welke organen) wordt het groeihormoon geproduceerd?

a)

in de bijnieren

b)

in de eierstokken

c)

in de hypofyse

d)

in de schildklier

e)

in de teelballen

4.

Het zenuwstelsel bestaat uit meerdere organen. Het Centrale Zenuwstelsel bestaat uit ..

a)

De grote hersenen, de zenuwbanen en de kleine hersenen

b)

De grote hersenen, de kleine hersenen, hersenstam en het ruggenmerg

c)

De grote hersenen, de hersenstam de zenuwbanen en het ruggenmerg

d)

De grote hersenen, kleine hersenen, hersenstam de hersenstam en de zenuwbanen

5.

Waar in het centrale zenuwstelsel word je je bewust van de prikkeling van een bepaald zintuig?

a)

de grote hersenen

b)

de kleine hersenen

c)

de hersenstam

d)

in het ruggenmerg

6.

de kleur van het witte stof wordt veroorzaakt door ....

a)

de dendrieten

b)

de axonen

c)

de synaps

d)

cellichamen

7.

het grijze stof bestaat vooral uit cellichamen

a)

juist

b)

onjuist

8.

In welke kant van het ruggenmerg worden gevoelszenuwcellen ontvangen?

a)

de rugzijde

b)

de buikzijde

c)

aan allebei kanten

9.

welk deel van het zenuwstelsel stimuleert de 'vecht-modus'?

a)

ortho-sympatisch deel

b)

para-sympathisch deel

10.

welk deel van het zenuwstelsel bedoelen we met de periferie?

a)

de grote hersenen

b)

de zenuwen buiten het Centrale deel

c)

het ruggenmerg

d)

de kleine hersenen

11.

Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Gevoelszenuwcel

b)

Bewegingszenuwcel

c)

Schakelcel

12.

Waar bevindt het cellichaam van de bewegingszenuwcel?

a)

Bij de spieren

b)

In het centraal zenuwstelsel

c)

Bij de zintuigen

13.

Als er een vuiltje in je oog komt, knipper je met je oogleden. Dit heet ooglidreflex.

Via welk deel van het centrale zenuwstelsel verlopen de impulsen bij deze ooglidreflex?

a)

Via de grote hersenen

b)

Via de kleine hersenen

c)

Via de hersenstam

d)

Via het ruggenmerg

14.

Wat is geen voorbeeld van een inwendige prikkel? (Meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Aanraking

b)

Geluid

c)

Honger

d)

Geur

15.

Wat is een zintuig?

a)

Een orgaan waarmee je prikkels opvangt

b)

Een orgaan waarmee je impulsen opvangt

c)

Een onderdeel van de hersenen

d)

Een cel die impulsen vervoert door het lichaam

16.

welke zintuigcel is gevoeliger voor een bepaalde prikkel

a)

een zintuigcel met een lage drempelwaarde

b)

een zintuig met een hoge dremelwaarde

17.

Als een spier of klier wordt aangestuurd gebeurt dit door een ..

a)

schakelzenuwcel

b)

gevoelszenuwcel

c)

bewegingszenuwcel

18.

bevat veel bloedvaten die voedingsstoffen en zuurstof naar het oog brengen.

a)

het harde oogvlies

b)

hoornvlies

c)

netvlies

d)

vaatvlies

19.

Bij mechanische receptoren wordt het celmembraan gebogen waardoor een impuls ontstaat

a)

juist

b)

onjuist

20.

je reukzintuig bestaat uit mechanische receptoren

a)

juist

b)

onjuist

21.
Als de lensbandjes zijn ontspannen dan is de ooglens:
a)
Bol
b)
Plat
c)
Dat is niet te zeggen.
22.

Als je iets dichtbij wilt zien moet de lens boller zijn dan voor iets verder weg.

a)

Waar

b)

Niet waar

23.

BINAS tabel 88 L. Welke van onderstaande processen gebeuren onder invloed van het (ortho)sympatische zenuwstelsel? LET OP: meerdere antwoorden mogelijk.

a)

Pupillen verwijden

b)

Remt de activiteit van de alvleesklier

c)

Bevorderd afgifte adrenaline

d)

Stimuleert erectie

e)

Stimuleert orgasme

24.

Wat zijn de algemene verschillen tussen het hormoonstelsel en het zenuwstelsel? (Meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Hormoonstelsel werkt snel, zenuwstelsel werkt traag

b)

Hormoonstelsel werkt traag, zenuwstelsel werkt snel

c)

Hormoonstelsel zorgt voor reacties op korte termijn, zenuwstelsel op lange termijn.

d)

Hormoonstelsel zorgt voor reacties op lange termijn, zenuwstelsel op korte termijn.

25.

Onder invloed van welk hormoon wordt glycogeen omgezet in glucose?

(a)  

26.

Er is een hormoon dat een soortgelijke functie vervult van glucagon. Typ de naam van dat hormoon (geen hoofdletter gebruiken).

(a)  

27.

Insuline en glucagon regelen ...

a)

het constant houden van de bloedsuikerspiegel

b)

de hartslag

c)

de productie van hormonen in de schildklier

d)

de productie van testosteron

e)

de productie van adrenaline

28.

Is deze persoon verziend of bijziend?

a)

Verziend

b)

Bijziend

29.

Ontstaan er bij de situatie zoals in dit plaatje impulsen?

a)

Ja

b)

Nee

30.

Welke zintuigcellen in het oog zorgen ervoor dat je kleuren kunt zien?

a)

staafjes

b)

kegeltjes

c)

eilandjes

d)

spiraaltjes

31.

De zweetklier is een ... klier

a)

ectocriene klier

b)

endocriene klier

c)

exocriene klier

d)

gemengde klier

32.

In de lever wordt glucose opgeslagen als..

a)

Glucagon

b)

Glycogeen

c)

Insuline

33.

Het stabiel zijn van het interne milieu heet?

a)

Homeostase

b)

Effectoren

c)

Regeling

34.

Wat is homeostase?

a)

Een dynamisch evenwicht in het inwendige milieu van organismen

b)

Een precies evenwicht in het inwendige milieu van organismen

c)

De mogelijkheid van organismen om zich aan te passen aan prikkels

d)

Positieve en negatieve terugkoppeling

35.

Wat zorgt ervoor dat de omstandigheden in het inwendige milieu niet te veel veranderen?

a)

Veranderingen in uitwendige milieu

b)

Stimulering van processen

c)

Positieve feedback

d)

Homeostatische regelkringen

36.

Bij een regelkring waarin een toename van het resultaat een remming van het proces veroorzaakt, spreek je van een

a)

negatieve terugkoppeling

b)

positieve terugkoppeling

37.

Bij een regelkring waarin een toename van het resultaat het proces versterkt, spreek je van een

a)

negatieve terugkoppeling

b)

positieve terugkoppeling

38.

De anatomische indeling van het zenuwstelsel bestaat uit de volgende onderdelen? (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Centrale deel

b)

Perifere deel

c)

Animale deel

d)

Autonome deel

39.

Zie deze foto. Welk deel van je zenuwstelsel wordt geactiveerd?

a)

(Ortho)sympatisch

b)

Parasympatisch

40.

Je kiest ervoor om in te loggen op Teams. Welk deel van je zenuwstelsel regelt de aansturing hiervan?

a)

Animaal

b)

Autonoom

41.

Welke processen horen bij activatie van het parasympatische deel van je zenuwstelsel? (meerdere opties mogelijk)

a)

meer maagsapproductie

b)

verwijdt bronchiën

c)

verlaagt hartfrequentie

d)

verhoogt hartfrequentie

42.

Het sympathisch zenuwstelsel is een onderdeel van:

a)

animaal zenuwstelsel

b)

autonoom zenuwstelsel

c)

willekeurig zenuwstelsel

d)

parasympathisch zenuwstelsel

43.

Johan heeft sinds een tijd last van spierkrampen en oncontroleerbare spiersamentrekkingen van het gezicht en de tong. Hierdoor heeft hij ook slikproblemen. Zijn huisarts denkt aan een spierziekte en verwijst Johan door naar een neuroloog.

De neuroloog stelt na DNA-onderzoek de diagnose: ziekte van Kennedy. Dit is een zeldzame ziekte die vrijwel alleen bij mannen voorkomt. De eerste verschijnselen kunnen zich rond het vijftiende levensjaar voordoen, maar openbaren zich vooral tussen de dertig en vijftig jaar. In eerste instantie is niet de werking van spiercellen verstoord, maar die van zenuwcellen.

De neuroloog vertelt Johan dat de ziekte van Kennedy de

levensverwachting niet beïnvloedt doordat vitale functies, zoals de ademhaling en de werking van het hart, niet worden aangetast.


Zijn bij Johan de zenuwcellen van het autonome zenuwstelsel of van het animale zenuwstelsel verstoord? Zijn dit bewegings- of gevoelszenuwcellen?

a)

animaal en bewegingszenuwcellen

b)

animaal en gevoelszenuwcellen

c)

autonoom en bewegingszenuwcellen

d)

autonoom en gevoelszenuwcellen

44.

Een signaal wordt via de oogzenuw naar de hersenen verstuurd. In de hersenen wordt de informatie verwerkt. In welk gedeelte van de hersenen wordt het beeld gevormd?

a)

In de grote hersenen

b)

In de kleine hersenen

c)

In de hersenstam

d)

In de thalamus

45.

Als iemand met een hamertje op je knie slaat en er treedt een reflex op. Welk deel van het zenuwstelsel wordt dan als eerste gepasseerd?

a)

Hypothalamus

b)

Kleine hersenen

c)

Hersenstam

d)

Grote hersenen

e)

Ruggenmerg

46.

Waaruit bestaan onze skeletspieren?

a)

dwarsgestreept spierweefsel

b)

hartspierweefsel

c)

glad spierweefsel

47.
Glad spierweefsel wordt bestuurd door het autonome zenuwstelsel. 
a)
Fout
b)
Juist
48.
Zowel dwarsgestreept spierweefsel als gladspierweefsel staan onder invloed van de wil. 
a)
fout
b)
juist
49.

Welk soort spier zie je hier?

a)

glad spierweefsel

b)

dwarsgestreept spierweefsel

c)

hartspier

50.

Impulsgeleiding loopt van

a)

dendriet naar axon

b)

axon naar dendriet

51.

Welke deel van het zenuwstelsel verzorgt de coördinatie van de spierbewegingen?

a)

de kleine hersenen

b)

de grote hersenen

c)

het ruggenmerg

d)

de hersenstam

52.

De hoeveelheid neurotransmitter, die per tijdseenheid door een bepaalde zenuwcel in een synapsspleet wordt gebracht, is niet constant.Waar hangt deze hoeveelheid vanaf?

a)

De sterkte van aankomende impulsen

b)

 De frequentie waarmee impulsen aankomen

c)

De herkomst van aankomende impulsen

d)

De mate van depolarisatie van het presynaptische membraan

53.

Iemand schrijft een brief. Is op dat moment het animale zenuwstelsel actief? En het autonome zenuwstelsel?

a)

alleen het autonome zenuwstelsel

b)

zowel het animale als het autonome zenuwstelsel

c)

alleen het animale zenuwstelsel

d)

geen van beide zenuwstelsels

54.

Welke uitlopers zitten er in een gemengde zenuw?

a)

schakel en gevoelzenuwcellen

b)

gevoelzenuwcellen en bewegings-zenuwcellen

c)

bewegings-zenuwcellen en schakelcellen

55.

Sven is bijziend, hij kan van dichtbij dus scherp zien en veraf niet. De lens in het oog van Sven is van zichzelf 1: platter/boller. Daarom heeft hij een bril met 2: platte/bolle lenzen nodig.

a)

1: platter

2: platte

b)

1: platter

2: bolle

c)

1: boller

2: bolle

d)

1: boller

2: platte

56.

Wat is een endocriene (hormoon)klier?

a)

Een verzameling kliercellen die het product (hormoon) afgeeft aan een klierholte

b)

Een verzameling kliercellen die het product (hormoon) afgeeft aan het bloed

c)

Een verzameling kliercellen die het product (hormoon) zelf gebruikt

57.

Wat is thyroxine?

a)

Een hormoon uit je alvleesklier dat je stofwisseling afremt.

b)

Een hormoon uit je alvleesklier dat je stofwisseling stimuleert.

c)

Een hormoon uit je schildklier dat je stofwisseling afremt.

d)

Een hormoon uit je schildklier dat je stofwisseling stimuleert.

58.

Wat is een parasympathisch zenuwstelsel?

a)

Het deel van je animale zenuwstelsel dat werkt als je in rust bent.

b)

Het deel van je animale zenuwstelsel dat werkt als je actief bent.

c)

Het deel van je autonome zenuwstelsel dat werkt als je in rust bent.

d)

Het deel van je animale zenuwstelsel dat werkt als je actief bent.

59.

Wat is een neurotransmitter?

a)

Een regelstofje dat vrijkomt in de synapsspleet en de impulsoverdracht afremt.

b)

Een regelstofje dat vrijkomt in de dendriet en de impulsoverdracht afremt.

c)

Een regelstofje dat vrijkomt in de synapsspleet en de impulsoverdracht realiseert.

d)

Een regelstofje dat vrijkomt in de dendriet en de impulsoverdracht realiseert.

60.

Wat is een prikkel?

a)

De impuls waardoor in je zenuwcellen een stroompje begint te lopen.

b)

Het signaal uit je omgeving waardoor in je zenuwcellen een prikkel begint te lopen.

c)

Een signaal uit je omgeving waardoor in je zintuig(cel) natriumkanaaltjes open gaan.

d)

De impuls waardoor in je zenuwcellen de kaliumkanalen open gaan.

61.

Wat is impulsfrequentie?

a)

De hoeveelheid neurotransmitter dat in de synapsspleet wordt losgelaten.

b)

De hoeveelheid natrium-ionen dat naar binnenstroomt bij de start van een impuls.

c)

Het aantal impulsen per tijdseenheid.

d)

Hoeveel impulsen er gemiddeld door je zenuwcellen stromen.

62.

Behoort de motorische zenuwcel in een reflexboog tot het animale zenuwstelsel, tot het orthosympatische of tot het parasympatische deel van het autonome zenuwstelsel?

a)

Tot het animale zenuwstelsel

b)

Tot het orthosympatische deel van het autonome zenuwstelsel

c)

  Tot het parasympatische deel van het autonome zenuwstelsel

d)

Tot geen van de genoemde onderdelen

63.

In de afbeelding is schematisch weergegeven wat er in de lever van de mens kan gebeuren met glucose die in de dunne darm uit het voedsel wordt opgenomen.

Welke van de processen 1, 2, 3 en 4 worden door glucagon bevorderd?

a)

De processen 1 en 3

b)

De processen 1 en 4

c)

 De processen 2 en 3

d)

De processen 2 en 4

64.

In het lichaam van de mens vinden onder andere de volgende processen plaats:
1 pupilreflex,
2 ademhaling tijdens de slaap,
3 constant houden van het glucosegehalte van het bloed.

a)

 Alleen bij proces 1

b)

Alleen bij proces 3

c)

Alleen bij de processen 1 en 2

d)

Bij de processen 1, 2 en 3

65.

De bron geeft schematisch een motorische zenuwcel weer die is verbonden met een schakelcel en met drie spiervezels. Enkele verbindingsplaatsen zijn met cijfers aangegeven.
De schakelcel wordt op plaats P kunstmatig geprikkeld, waardoor impulsen ontstaan en alle drie de spiervezels zich samentrekken.

Op welke van de aangegeven verbindingsplaatsen wordt als gevolg van deze prikkeling een stof afgegeven die de overdracht van impulsen mogelijk maakt?

a)

Alleen op plaats 1

b)

Alleen op plaats 3

c)

Alleen op plaats 2, plaats 3 en plaats 4

d)

Op de plaatsen 1, 2, 3 en 4

66.

"Zebravink oefent zang tijdens slaap"
Wat hebben de onderzoekers bij metingen aan de neuronen waargenomen tijdens uitbarstingen van grote activiteit?

a)

Toename van de impulssterkte

b)

Toename van de impulsfrequentie

c)

Toename van het aantal synapsen toename van het aantal uitlopers