wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

ZINTUIGEN

Total questions: 70

Worksheet time: 49mins

Name
Class
Date
1.
Uit welke twee lagen bestaat de opperhuid?
a)
opperhuid en kiemlaag
b)
hoornlaag en opperhuid
c)
hoornlaag en kiemlaag
d)
kiemlaag en lederhuid
2.
In welke laag van de huid vind je de zweetkliertjes?
a)
Opperhuid
b)
Lederhuid
c)
Onderhuids bindweefsel
3.
In welke laag van de huid vind je de zintuigen?
a)
Opperhuid
b)
Lederhuid
c)
Onderhuidsbindweefsel
4.
nummer 2 is?
a)
haarvat
b)
bloedvat
5.
Welk nummer is de zweetklier
a)
6
b)
1
c)
14
d)
5
6.
Welke nummer is de oorgang
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
7.
Welke nummers  hamer en aambeeld en stijgbeugel
a)
4, 5 en 10
b)
3, 4 en 5
c)
3, 4 en 6
d)
4 , 5 en 9
8.
Wat is nummer 10
a)
oorgang
b)
trommelvlies
c)
buis van eustachius
d)
oorzenuw
9.
welk nummer is het slakkenhuis?
a)
6
b)
7
c)
8
d)
9
10.
Regelt de luchtdruk in de trommelvlies
a)
hamer en aambeeld
b)
buis van eustachius
c)
slakkenhuis
11.
Houden het trommelvlies soepel?
a)
oorgang
b)
oorschelp
c)
trommelvlies
d)
oorsmeerkliertjes
12.
vervoert impulsen naar de hersenen
a)
slakkenhuis
b)
buis van eustachius
c)
oorzenuw
d)
trommelvlies
13.

Het gekleurde deel van het oog heet ..

a)

Het hoornvlies

b)

De iris

c)

De pupil

14.

In het midden van het gekleurde gedeelte van het oog zit een opening, dat is ..

a)

De hoornvlies

b)

De iris

c)

De pupil

15.

Wat geeft onderdeel 5 weer?

a)

Netvlies

b)

Glasachtig lichaam

c)

Gele vlek

16.

Wat geeft onderdeel 6 weer?

a)

Netvlies

b)

Gele vlek

c)

Vaatvlies

17.

Wat is de functie van de wenkbrauwen?

a)

Beschermen je oog tegen stof en fel licht

b)

Beschermt het oog en verspreid het traanvocht

c)

Zorgen dat vocht en zweet niet in je oog komt

d)

Beschermen van de onderdelen van het oog

18.

Welk nummer geeft het hoornvlies aan

a)

2

b)

3

c)

4

d)

9

19.

'Beschermt de ogen tegen vuil en fel licht'

Deze functie hoort bij:

a)

Wenkbrauwen

b)

Wimpers

c)

Oogleden

d)

Traanvocht

e)

Traanbuizen

20.

Wat geeft onderdeel a weer?

a)

Traanbuis

b)

Traanpunt

c)

Traanklier

d)

Traankanaal

e)

Traanzak

21.

Wat is de functie van het ooglid?

a)

Beschermen je oog tegen stof en fel licht.

b)

Zorgen dat vocht en zweet niet in je oog komt.

c)

Beschermt het oog en verspreid het traanvocht.

d)

Beschermen van de onderdelen van het oog.

22.
De blinde vlek:
a)
Bevat geen zintuigcellen.
b)
Is bij blinde mensen groter.
c)
Is bij blinde mensen niet aanwezig.
d)
Bevat minder zintuigcellen.
23.

Met welke zintuigcel kun je bij heel weinig licht toch wat zien

a)

Staafjes

b)

Kegeltjes

24.
Wat is de adequate prikkel van het oor?
a)
Geluidstrillingen
b)
Licht
c)
Geur
d)
Waarnemen
25.
Welk onderdeel is hier aangegeven?
a)
Buis van Eustachius
b)
Gehoorgang
c)
Gehoorzenuw
26.
Welk onderdeel is hier aangegeven?
a)
Slakkenhuis
b)
Gehoorbeentjes
c)
Evenwichtsorgaan
27.
Welk onderdeel is hier aangegeven?
a)
Slakkenhuis
b)
Evenwichtsorgaan
c)
Gehoorbeentjes
28.
Welk onderdeel is hier aangegeven?
a)
Keelholte
b)
Gehoorgang
c)
Trommelholte
29.

Via de gehoorbeentjes komen de trillingen aan bij

a)

Het trommelvlies

b)

Stijgbeugel

c)

Slakkenhuis

30.

Wat is de juiste route die de trillingen afleggen om in de hersenen te komen?

a)

Gehoorgang-trommelvlies-gehoorbeentjes-slakkenhuis-oorzenuw

b)

Trommelvlies-gehoorgang-gehoorbeentjes-slakkenhuis-oorzenuw

c)

Gehoorgang-gehoorbeentjes-trommelvlies-slakkenhuis-oorzenuw

d)

Gehoorgang-trommelvlies-gehoorbeentjes-oorzenuw-slakkenhuis

31.

Wat is de functie van de oorschelp?

a)

Het opvangen van geluid

b)

Hierin zitten de gehoor zintuigen

c)

Geeft door middel van trillingen geluid door aan het slakkenhuis

32.

Welke twee holtes worden met elkaar verbonden via de buis van Eustachius?

a)

De gehoorgang en de trommelholte

b)

De trommelholte en keelholte

c)

De trommelholte en het slakkenhuis

33.

Wat is de juiste volgorde ?

a)

Zintuig- Prikkel- Impuls- Hersenen- Zenuw- Waarnemen

b)

Prikkel- Zintuig- Impuls- Zenuw- Hersenen- Waarnemen

c)

Impuls- Zintuig- Prikkel- Zenuw- Hersenen- Waarnemen

d)

Prikkel- Zintuig- Impuls- Zenuw- Waarnemen- Hersenen

34.

De bovenste huidlaag noemt men

a)

de opperhuid

b)

de lederhuid

c)

het onderhuids bindweefsel

35.

Welke huidlaag heeft volgende kenmerken?

* 1 - 3 mm dik

* bloedvaten

* lymfevaten

* klieren

* zenuwen

* zintuigcellen

a)

opperhuid

b)

lederhuid

c)

onderhuids bindweefsel

36.

Welk cijfer wijst het talgkliertje aan?

a)

11

b)

12

c)

6

d)

7

37.

wat is de adequate prikkel voor de zintuigen op je netvlies?

a)

licht

b)

zien

38.

De drempelwaarde voor het proeven van suiker ligt in dit geval tussen 1 en 10 mg/L.

a)

waar

b)

niet waar

39.

bij welke van de ogen zou het waarschijnlijk donker zijn?

a)

oog 1

b)

oog 2

c)

bij beide

40.

wat is de functie van het vaatvlies

a)

het geven van stevigheid aan je oog

b)

het regelen van hoeveelheid licht dat op je netvlies valt

c)

je oog van zuurstof en voedingstoffen voorzien

d)

het kunnen aanpassen van de scherpte

41.

bij welk nummer in de afbeelding wordt er een voorwerp van dichtbij bekeken?

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

dat is in deze afbeelding niet te zien

42.

welke zintuigcellen bevinden zich in de gele vlek

a)

alleen staafjes

b)

alleen kegeltjes

c)

zowel staafjes als kegeltjes

d)

geen van beide

43.

wat is de functie van het pupilreflex?

a)

ervoor zorgen dat er steeds een scherp beeld op netvlies ontstaat

b)

de hoeveelheid licht regelen die op het netvlies valt

c)

de ogen beschermen tegen indringend vuil

44.
Het boller en platter worden van de lens noemen we:
a)
Accomodaty
b)
Accomoderen
c)
Accomolatie
d)
Accodilatie
45.
Als de lensbandjes zijn ontspannen dan is de ooglens:
a)
Bol
b)
Plat
c)
Dat is niet te zeggen.
46.

De lens van een oog is bol. Kijkt dit oog nu naar een voorwerp ver weg of dichtbij?

a)

ver weg

b)

dichtbij

47.

Waarom proef je je eten minder goed als je verkouden bent?

a)

Het reukzintuig wordt geblokkeerd door snot

b)

Er liggen te veel bacteriën op je tong

c)

Je krijgt traanogen

d)

Je tong maakt minder impulsen

48.

Waar in het oog liggen de zintuigcellen?

a)

Op het harde oogvlies

b)

Op het vaatvlies

c)

Op het netvlies

d)

Op de iris

49.

Als je vanuit een donkere ruimte naar een lichte ruimte loopt, welke spiertjes in de iris spannen zich dan aan?

a)

De kringspieren

b)

De lengtespieren

c)

Er zitten geen spieren in de iris

d)

Zowel de kringspieren als de lengtespieren

50.

Het knorren van je maag omdat je honger hebt is een voorbeeld van een ....

a)

Uitwendige prikkel

b)

Inwendige prikkel

51.

Het op rood springen van een stoplicht waardoor je gaat remmen is een voorbeeld van een....

a)

Uitwendige prikkel

b)

Inwendige prikkel

52.

Als je kleurenblind bent dan...

a)

zie je helemaal geen kleuren

b)

zie je het sommige kleuren niet of minder goed

c)

zie je niet of het licht aan of uit staat

d)

zie je alleen wit

53.

Met je pupil kan je scherp zien.

a)

Waar

b)

Niet waar

54.

Om diepte te zien heb je

a)

één oog nodig

b)

twee ogen nodig

c)

je lenzen nodig

55.

.... geeft seintjes naar de hersenen

a)

je zintuigen

b)

een zenuw

c)

een prikkel

56.

Geef de naam van onderdeel 6

(a)  

57.

Geef de naam van onderdeel 4

(a)  

58.

Geef het nummer waarmee de stijgbeugel wordt aangewezen (alleen het nummer invullen)

(a)  

59.

Geef het nummer van het onderdeel dat veel bloedvaten bevat (alleen het nummer invullen)

(a)  

60.

Geef het nummer van de pupil (alleen het nummer invullen)

(a)  

61.

Als het licht naast de gele vlek valt, zien we niks.

a)

Juist

b)

Onjuist

62.

Als je verkouden bent is er een kans op een oorontsteking, omdat...

a)

De bacteriën via het bloed naar de trommelholte kunnen gaan

b)

Bij het verkeerd snuiten de bacteriën via de buis van Eustachius in de trommelholte kunnen komen

c)

Het trommelvlies geirriteerd kan raken en er meer oorsmeer aangemaakt wordt

d)

De buis van Eustachius dan verstopt kan raken en er geen lucht meer naar de trommelholte kan

63.

Als je ineens stopt na het draaien kun je flink misselijk worden, omdat...

a)

De vloeistof in het evenwichtsorgaan niet direct stilstaat en dus nog signalen van draaiing doorgeven

b)

De vloeistof in het evenwichtsorgaan de andere kant op gaat en het gaat botsen

c)

Je ogen nog nabewegen van de draaiing en ze moeten herstellen en bijkomen

d)

Je ogen geen scherp beeld hebben gegeven naar de hersenen en dit even moet herstellen

64.

Kies de definitie van een prikkel

a)

Een verandering in de omgeving die op een zintuig valt

b)

Organen die zijn ontwikkeld om signalen van buitenaf op te vangen

c)

Een elektrisch stroompje dat door een zenuw wordt geleid

d)

Een automatische reactie op een signaal van buitenaf

65.

Kies de naam van zintuigcellen die signalen versturen van het centrale zenuwstelsel naar een spier of een klier

a)

Gevoelszenuwcellen

b)

Schakelzenuwcellen

c)

Bewegingszenuwcellen

66.

Een tandarts gebruikt bij het boren een verdoving, omdat...

a)

Zintuigen dan geen prikkels kunnen waarnemen

b)

Zintuigen dan geen impulsen aan kunnen maken

c)

Impulsen niet doorgegeven kunnen worden over de zenuwen

d)

De hersenen geen impulsen kunnen verwerken en het betreffende gebied kort is stilgelegd

67.

Mensen ademen vaak diep in als ze iets goed willen ruiken, omdat...

a)

Er zoveel mogelijk lucht gekeurd kan worden

b)

De lucht ook 'geproefd' kan worden in de mondholte

c)

De reukzintuigen in het bovenste gedeelte van de neusholte liggen

d)

De reukzintuigen veel prikkels nodig hebben voor ze een impuls versturen

68.

Als je in een vliegtuig zit, krijg je vaak pijn in je oor tijdens het stijgen. Dit komt omdat...

a)

De druk in de trommelholte dan lager is dan daarbuiten. Het trommelvlies staat dan bol (naar buiten).

b)

De druk in de trommelholte dan lager is dan daarbuiten. Het trommelvlies staat dan hol (naar binnen).

c)

De druk in de trommelholte dan hoger is dan daarbuiten. Het trommelvlies staat dan bol (naar buiten).

d)

De druk in de trommelholte dan hoger is dan daarbuiten. Het trommelvlies staat dan hol (naar binnen).

69.


Bij het maken van een foto kan het zijn dat er rode pupillen ontstaan. Geef de naam van het onderdeel dat te zien is als 'rode ogen'.

(a)  

70.

Ontstaan er bij de situatie zoals in dit plaatje impulsen?

a)

Ja

b)

Nee