wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Brugklas thema 2 en thema 6

Total questions: 58

Worksheet time: 31mins

Name
Class
Date
1.

Welk orgaan heeft deze taak:

Voor transport van stoffen en rechtop houden (stevigheid) van de plant.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

2.

Welk orgaan heeft deze taak:

Zorgen voor de voortplanting, de ontwikkeling van vruchten en zaden.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

3.

Bij welk soort vat hoort deze omschrijving:

Hierdoor stroomt water met mineralen uit de wortels omhoog.

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

4.

Bij welk soort vat hoort deze omschrijving:

Vervoer van water met glucose vanuit de bladeren naar de andere delen van de plant.

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

5.

Wat is de volledige formule van fotosynthese?

a)

Water + zonlicht -> glucose + zuurstof

b)

Water + koolstofdioxide + zonlicht -> zuurstof

c)

Water + koolstofdioxide + zonlicht -> glucose + zuurstof + water

d)

Water + koolstofdioxide + zonlicht -> glucose + zuurstof

6.

De kroonbladeren hebben nummer

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

7.

Op dit plaatje

a)

Is er wel bestuiving maar nog geen bevruchting

b)

Is er wel bestuiving en ook bevruchting geweest

c)

Is er geen bestuiving maar wel bevruchting geweest

d)

Is er geen bestuiving en geen bevruchting geweest

8.
Welk kenmerk zie je WEL bij een windbloem?
a)
Nectar
b)
Gele kleur
c)
Veel stuifmeelkorrels
d)
Lange meeldraden
9.
Welke pijl stelt kruisbestuiving voor?
a)
Pijl 1
b)
Pijl 2
c)
Pijl 3
d)
Pijl 4
10.

Wat is een orgaan?

a)

Een deel van een organisme met een eigen taak

b)

Het bladerenstelsel

c)

Het wortelstelsel

d)

Een cel

11.

Een stengel is een orgaan van een plant

a)

Waar

b)

Niet waar

12.
wat veroorzaakt de gele kleur van de paprika?
a)
Plastiden
b)
Bladgroenkorrels
c)
Zetmeelkorrels
d)
Kleurstofkorrels
13.

Bij welk type bloemen steken de helmknoppen en stempels vaak buiten de bloem uit?

a)

Bij insectenbloemen

b)

Bij windbloemen

14.

Dit is een..

a)

Windbloem

b)

Insectenbloem

15.

Op welke manier verspreidt deze plant zijn zaden?

a)

Door de wind

b)

Door de plant zelf

c)

Door dieren

d)

Door het water

16.

In de afbeelding is met onderdeel 1 een deel van de sperzieboon aangegeven. Welk deel van de bloem was dit?

a)

Dit waren de kroonbladeren

b)

Dit waren de meeldraden

c)

Dit was de stamper

d)

Dit waren de kelkbladeren

17.

de stamper van een bloem is:

a)

een mannelijk voortplantingsorgaan

b)

een vrouwelijk voortplantingsorgaan

c)

Geen voortplantingsorgaan

18.

Waar bevindt bevruchting plaats?

a)

op de stamper

b)

op de bij

c)

in de lucht

d)

in het zaadbeginsel

19.

Wat is de functie van meeldraden?

a)

het ontvangen van stuifmeel

b)

daar vindt de bevruchting plaats

c)

het afgeven van stuifmeel

d)

de plant beschermen

20.

Dit is een

a)

windbloem

b)

insectenbloem

21.

Nummer 2 is een

a)

helmknop

b)

meeldraad

c)

stamper

d)

kroonblad

22.

Nummer is 7 is het

a)

helmknop

b)

meeldraad

c)

stamper

d)

vruchtbeginsel

23.

Let op, meerdere antwoorden goed! Je kunt insectbloemen herkennen aan,

a)

korte meeldraden

b)

gekleurde kroonbladeren

c)

een lekkere geur

d)

lange meeldraden

24.

Nectar wordt gebruikt door insectenbloemen om insecten te lokken

a)

Juist

b)

Onjuist

25.

In de afbeelding zijn drie bloeiende planten getekend.
Insecten kunnen stuifmeel overbrengen zoals met de pijlen is aangegeven.

Bij welke pijl is er geen sprake van bestuiving?

a)

pijl 1

b)

pijl 2

c)

pijl 3

26.

In de afbeelding is een bloempje van de rogge getekend.

De bloemen van de rogge zijn windbloemen

(maak de zin af)

a)

en bevatten wel nectar.

b)

en bevatten geen nectar.

27.

Hier staan enkele gebeurtenissen die een rol spelen bij de vruchtvorming.
1) Een bevruchte eicel ontwikkelt zich tot een kiem in een zaad.
2) De kern van een stuifmeelkorrel versmelt met de eicelkern.
3) Er ontstaat een rijpe vrucht.

In welke volgorde treden deze gebeurtenissen op bij het ontstaan van een zaad?

a)

1 - 2- 3

b)

1 - 3 - 2

c)

2 - 3 - 1

d)

2 - 1 - 3

28.

In de afbeelding zie je een voorbeeld van een vrucht van een peul.

Uit welk deel van een bloem is een boon ontstaan?

a)

uit een bevruchte eicel

b)

uit het vruchtbeginsel

c)

uit het zaadbeginsel

29.

Waar bevindt de eicel zich in een plant? (Kies het beste antwoord)

a)

In stuifmeelkorrels.

b)

In de stempel

c)

In het vruchtbeginsel.

d)

In de helmknoppen.

e)

In het zaadbeginsel

30.

Een blaasbloem (paardenbloem) verspreid de pollen van de bloem.

a)

Juist

b)

Onjuist

31.

Zaden worden verspreid door: (Meerdere antwoorden mogelijk)

a)

regen

b)

dieren

c)

wind

d)

de plant zelf

32.

In de afbeelding zie je de vruchten van kleefkruid. Hoe zullen deze vruchten verspreid worden?

a)

Door de wind

b)

Door de plant zelf

c)

Worden opgegeten en uitgepoept door dieren

d)

Blijven hangen aan de vacht van dieren

33.

In een vrucht zitten 4 zaden. Hoeveel stuifmeelbuizen zijn hiervoor gegroeid? En hoeveel eicellen waren hier voor nodig?

a)

4 stuifmeelbuis; 1 eicel

b)

1 stuifmeelbuis; 4 eicellen

c)

4 stuifmeelbuizen; 4 eicellen

d)

1 stuifmeelbuis; 1 eicel

34.

Twee uitspraken:
Mark zegt: Windbloemen maken glad en licht stuifmeel, want dat vliegt makkelijker weg
Maxime zegt: Bevruchting vindt plaats in de stijl van een plant
Wie heeft er gelijk?

a)

Alleen Maxime heeft gelijk

b)

Beide gelijk

c)

Beide ongelijk

d)

Alleen Mark heeft gelijk

35.

Kijk naar de afbeelding van de bloem:

Is deze plant één of tweehuizig? En één of tweeslachtig?

a)

Eenhuizig en eenslachtig

b)

Eenhuizig en tweeslachtig

c)

Tweehuizig en tweeslachtig

d)

Tweehuizig en eenslachtig

36.

Wat wordt aangewezen met nummer 2?

a)

stempel

b)

stijl

c)

vruchtbeginsel

37.

Wat zie je op dit plaatje?

a)

Bestuiving

b)

Bevruchting

38.

Een tomaat heeft veel zaden. Is bij de vorming van een tomaat slechts één stuifmeelkorrel betrokken geweest?

a)

goed

b)

fout

39.

Is bij de vorming van één tomaat slechts één vruchtbeginsel betrokken geweest?

a)

goed

b)

fout

40.

De afbeelding hieronder geeft een doorsnede weer van een blad van een plant, gezien door een microscoop.
Enkele delen zijn met een letter aangegeven.

Welke letter geeft een deel van het blad aan dat uit één soort weefsel bestaat?

a)

P en Q

b)

P

c)

R

d)

R en P

e)

Q en R

41.

Waar in een plantencel bevinden zich de bladgroenkorrels?

a)

in het cytoplasma

b)

in de celkern

c)

in de vacuole

d)

tegen de celwand aan

42.

Bij welk nummer heeft de boom een aantal jaren te maken gehad met een enorme droogte?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

43.

Uit onderzoek aan een cel, die in het midden van een plantenwortel zat, blijkt dat hij veel plastiden bevat.
Welke plastiden zullen dat zeer waarschijnlijk zijn geweest?

a)

Zetmeelkorrels en kleurstofkorrels

b)

Kleurstofkorrels

c)

Zetmeelkorrels

d)

Bladgroenkorrels, zetmeelkorrels en kleurstofkorrels

e)

Bladgroenkorrels

44.

Hoe heten de kleine openingen in de opperhuid van bladeren? (zonder hoofdletter schrijven)

(a)  

45.

Als een rozenbottel rijp wordt, verandert de kleur van groen naar rood.
Welke verandering in de plastiden is hiervan de oorzaak?

a)

Kleurstofkorrels worden bladgroenkorrels

b)

Bladgroenkorrels worden zetmeelkorrels

c)

Bladgroenkorrels worden kleurstofkorrels

46.

In de stengels van een plant komen vaatbundels voor.
Komen vaatbundels ook in de wortels voor? En in de bladeren?

a)

Alleen in de stengels komen vaatbundels voor.

b)

In de stengels, in de wortels en in de bladeren komen vaatbundels voor

c)

Alleen in de stengels en in de wortels komen vaatbundels voor.

d)

Alleen in de stengels en in de bladeren komen vaatbundels voor

47.

De bladeren van een plantje op de zijn slap. Wat is er aan de hand?

a)

De bladeren verdampen minder water dan de wortels opnemen

b)

De bladeren verdampen helemaal geen water meer

c)

De bladeren verdampen meer water dan de wortels opnemen.

48.

Iemand bekijkt een cel onder de microscoop. Hij neemt het volgende waar: celkern, plastiden en een vacuole.
Op basis van welke kenmerken weet de leerling zeker dat dit cellen zijn van een plant?

a)

Op basis van de plastiden

b)

Op basis van de plastiden en vacuole

c)

Op basis van de plastiden, celkern en vacuole

d)

Op basis van en vacuole en celkern

e)

Op basis van de plastiden en celkern

49.

Mandy zegt: dat huidmondjes vooral aan de onderkant van het blad liggen.
Karin zegt: dat door de huidmondjes lucht en water kan verplaatsen.
Ruben zegt: dat als een plant teveel water dreigt te verdampen, de huidmondjes dicht gaan.

Wie heeft/hebben er gelijk?

a)

Ruben en Mandy

b)

Ruben, Mandy en Karin

c)

Ruben en Karin

d)

Karin en mandy

e)

Mandy

50.

Waarmee is de vacuole gevuld?

a)

Cytoplasma

b)

Lucht

c)

Plastiden

d)

Water met opgeloste stoffen

51.

Tine zegt: Een plant slaat reservevoedsel op in de wortel. Daarmee kan de plant de winter doorkomen.
Rudy zegt: Dat reservevoedsel wordt opgeslagen in de vorm van glucose.
Lotte zegt: De plant neemt water en voedingsstoffen op en vervoert ze naar de bladeren. De stoffen worden vervoerd door vaatbundels.

Wie heeft er gelijk?

a)

Tine en Lotte

b)

Tine, Lotte en Ruby

c)

Ruby en Lotte

d)

Tine en Ruby

52.

Onderdeel 1 heet

a)

Cytoplasma

b)

Vacuole

c)

Kern

53.

Welke plastiden zitten er in een aardappel.

a)

Kleurstofkorrels

b)

Bladgroenkorrels

c)

Zetmeelkorrels

54.

Welk onderdeel van de cel regelt wat er in de cel gebeurd?

a)

Celkern

b)

Kernmembraan

c)

Cytoplasma

d)

Bladgroenkorrels

55.

De celkern is aangegeven met

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

7

56.

In welk celorganel vindt verbranding plaats?

a)

Celmembraan

b)

Mitochondriën

c)

Bladgroenkorrels

d)

Celwand

57.

De plant staat in de zon en heeft genoeg water. De muis heeft reserves genoeg voor het experiment. Kan de muis blijven leven?

a)

ja

b)

nee

58.

De functie van dit orgaan is;

a)

Zuurstof opnemen en koolstofdioxide afgeven

b)

Koolstofdioxide opnemen en zuurstof afgeven