wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Forensisch onderzoek

Total questions: 57

Worksheet time: 1hrs 4mins

Name
Class
Date
1.

In welk antwoord is het complementaire karakter van de stikstofbases in DNA goed weergegeven?

a)

C-G | A-T

b)

A-T | C-U

c)

G-T | A-C

d)

A-U | G-C

2.

Wat vormt een nucleotide?

a)

Fosfaatgroep en stikstofbase

b)

Fosfaatgroep, suikergroep en stikstofbase

c)

Twee complementaire stikstofbases

d)

Suikergroep en stikstofbase

3.

Welk antwoord is onjuist?

a)

In een huidcel zit het gen voor de oogkleur.

b)

In een levercel staat het gen voor de oogkleur uit.

c)

Als een longcel zich deelt, vermenigvuldigen zich ook de genen voor de oogkleur.

d)

In cellen van het wangslijmvlies kun je niet alle genen aantonen.

4.

Zet op volgorde van klein naar groot

a)

DNA-genoom-celkern-chromosoom-cel

b)

Genoom-DNA-chromosoom-celkern-cel

c)

DNA-chromosoom-genoom-celkern-cel

d)

Genoom-chromosoom-celkern-genoom-cel

5.

Wat is er mogelijk met PCR-technologie?

a)

DNA-fragmenten vermeerderen

b)

DNA-fragmenten afbreken

c)

DNA-fragmenten splitsen op een gel

d)

DNA-fragmenten isoleren

6.

Wat is geen verschil tussen DNA en RNA?

a)

Uracil in RNA in plaats van Thymine in DNA

b)

RNA is dubbelstrengs, DNA enkelstrengs

c)

In DNA zit desoxyribose, in RNA ribose

d)

RNA kan de celkern uit, DNA niet

7.

Tijdens het 'runnen' van een PCR-apparaat is de temperatuur achtereenvolgens...

a)

95 gaden - 72 graden - 68 graden

b)

72 graden - 68 graden - 95 graden

c)

68 graden - 72 gaden - 95 graden

d)

68 graden - 95 graden - 72 graden

8.

Waarom is DNA belangrijk?

a)

het is erg klein en erg ingewikkeld

b)

het zit in alles

c)

het dient als de blauwdruk (blue-print) voor eigenschappen van alle levende wezens

d)

omdat we het elke dag eten voor energie

9.

Wat zijn de 4 stikstofbasen?

a)

adenine, thymine, cytoplasma, and guanine

b)
adenine, thymine cytosine, and guanine
c)

adenine, thymine, cytosine, and glycerol

d)
adenine, thymine, cytosine, and glucose
10.

Waar staat DNA voor?

a)

Deoxyribonucleïnezuur

b)

stikstofhoudend zuur

c)

Deribonucleïnezuur

d)

Diribonucleïnezuur

11.

Welke van de volgende moleculen worden herhaaldelijk samengevoegd om een ​​DNA-streng te vormen?

a)

aminozuren

b)

nucleotiden

c)

vetzuren

d)

polysachariden

12.

Identificeer #2.

a)

Stikstofbase

b)

Fosfaat groep

c)

deoxyribose suiker

d)
nucleotide
13.

volgorde van replicatie

a)
3, 4, 2, 1
b)
3, 1, 4, 2
c)
2, 1, 4, 3
d)
3, 4, 1, 2
14.

U krijgt de DNA-streng 5'ATGCTCAGCTGA3'. Wat is de bijbehorende DNA-streng?

a)

5'UACGAGUCGACU3'

b)

5'TACGAGTCGACT3'

c)

3'UACGAGUCGACU5'

d)

3'TACGAGTCGACT5'

15.

Als een DNA-molecuul voor 29% uit guanine bestaat, hoeveel cytosine zal het dan bevatten?

a)
29%
b)
58%
c)
21%
d)
I have no idea.
16.

DNA fiingerprinting werkt omdat....

a)

de meeste genen dominant zijn.

b)

alle organismen bevatten RNA

c)

de belangrijkste genen zijn bij de meeste mensen verschillend

d)

Geen twee mensen, behalve eeneiige tweelingen, hebben precies hetzelfde DNA

17.

Welke van de volgende is de sjabloon voor de productie van RNA in een cel?

a)

DNA

b)

ATP

c)

Eiwit

d)

Koolhydraten

18.

Wat is de relatie tussen een eiwit, de cel en DNA?

a)

DNA wordt geproduceerd door eiwit dat in de cel wordt geproduceerd

b)

Eiwit is opgebouwd uit DNA dat in de cel wordt geproduceerd

c)

DNA regelt de productie van eiwitten in de cel

d)

Een cel is opgebouwd uit DNA en eiwitten.

19.

Wat is een gen?

a)

Een bundel (zoals een hotdogbroodje) waar het DNA in is verpakt

b)

Iets in de celkern

c)

een sectie/stuk DNA

d)

al je DNA

20.

Wat is de naam van deze structuur?

a)

chromosoom

b)

DNA

c)

Gen

d)

Ribosoom

21.

Waar vindt de translatie plaats?

a)

In de celkern

b)

In het cytoplasma

22.

Waar vindt de transcriptie plaats?

a)

In de celkern

b)

In het cytoplasma

23.

Drie opeenvolgende stikstofbasen in het RNA noem je...

a)

adenines

b)

fosfaatgroepen

c)

codons

d)

anticodons

e)

mRNA

24.

Lange ketens van aminozuren heten ook wel:

a)

vetten

b)

DNA

c)

mRNA

d)

eiwitten

e)

koolhydraten

25.

Transcriptie is ...

a)

Het overschrijven van de mRNA-code op aminozuren

b)

Het overschrijven van de mRNA-code op DNA

c)

Het overschrijven van de DNA-code op mRNA

d)

Het overschrijven van de DNA-code op aminozuren

26.

Het hele proces van overschrijven van DNA op mRNA en het uiteindelijke vormen van een functioneel eiwit noem je...

a)

transcriptie

b)

translatie

c)

eiwitsynthese

d)

exocytose

27.

Wat is de correcte aminozuursequentie voor de mRNA code AUGCCAGUAUGA?

a)

Met-Pro-Val-Stop

b)

Met-Pro-Arg-Stop

c)

Met-Tyr-Gly-His

d)

Tyr-Gly-Arg-His

28.

Welk proces wordt hier voorgesteld?

a)

translatie

b)

replicatie

c)

mitose

d)

transcriptie

29.

n RNA, Uracil paren met ______.

a)

cytosine

b)

adenine

c)

guanine

d)

thymine

30.

Zijn alle mutaties slecht?

a)

Ja

b)

Nee

31.

Hoeveel basenparen zie je hier?

a)

2

b)

4

c)

6

d)

12

32.

papierchromatografie: stof A komt hoog op het papier t.o.v andere stoffen. Stof A heeft de volgende eigenschappen:

a)

Oplosbaarheid is goed, aanhechtingsvermogen is goed.

b)

Oplosbaarheid is slecht, aanhechtingsvermogen is goed.

c)

Oplosbaarheid is goed, aanhechtingsvermogen is slecht.

d)

Oplosbaarheid is slecht, aanhechtingsvermogen is slecht.

33.

papierchromatografie: stof A komt laag op het papier t.o.v andere stoffen. Stof A heeft de volgende eigenschappen:

a)

Oplosbaarheid is goed, aanhechtingsvermogen is goed.

b)

Oplosbaarheid is slecht, aanhechtingsvermogen is goed.

c)

Oplosbaarheid is goed, aanhechtingsvermogen is slecht.

d)

Oplosbaarheid is slecht, aanhechtingsvermogen is slecht.

34.

papierchromatografie: stof A komt halverwege op het papier t.o.v andere stoffen. Stof A heeft de volgende eigenschappen:

a)

Oplosbaarheid is goed, aanhechtingsvermogen is slecht.

b)

Oplosbaarheid is slecht, aanhechtingsvermogen is goed.

c)

Oplosbaarheid is matig, aanhechtingsvermogen is matig.

35.

Bij kolomchromatografie stroomt een vloeistof door een kolom. Uit een ingebracht mengsel komt stof A als eerste uit de kolom. Voor stof A geldt:

a)

De retentietijd van stof A is het langst.

b)

De retentietijd van stof A is het kortst.

36.

Bij kolomchromatografie stroomt een vloeistof door een kolom. Uit een ingebracht mengsel komt stof A als eerste uit de kolom. Voor stof A geldt:

a)

Oplosbaarheid in mobiele fase is goed, aanhechtingsvermogen aan stationaire fase is goed.

b)

Oplosbaarheid in mobiele fase is slecht, aanhechtingsvermogen aan stationaire fase is goed.

c)

Oplosbaarheid in mobiele fase is goed, aanhechtingsvermogen aan stationaire fase is slecht.

d)

Oplosbaarheid in mobiele fase is slecht, aanhechtingsvermogen aan stationaire fase is slecht.

37.

Kolomchromatografie: Op de grafiek staat stof A het meest links op de print. Stof A....

a)

heeft de kortste retentietijd.

b)

heeft de langste retentietijd.

38.

Kolomchromatografie: de concentratie van stof A is ..... dan de concentratie van de andere stof in het mengsel.

a)

hoger

b)

lager

39.

Met jodium toon je ... aan

a)

amylase

b)

zetmeel

c)

glucose

d)

speeksel

40.

Amylase is een

a)

indicator

b)

suiker

c)

enzym

41.

Marieke heeft 3 reageerbuizen met speeksel (met daarin speekselenzymen).

Aan elke reageerbuis wordt zetmeel toegevoegd. Zetmeel kan aangetoond worden met de stof jodium. Jodium is van zichzelf geel maar komt het in contact met zetmeel dan wordt het blauwzwart.

buis 1 = verhitten, buis 2 = koelen en buis 3 = 37 graden celcius.

Nu brengt ze alle buizen op 37 graden en voegt aan alle buizen een druppel jodium toe.

Welke buis of welke buizen zullen blauwzwart worden?

a)

buis 1

b)

buis 2

c)

buis 3

d)

buis 1 en 2

42.
Als er ergens glucose in zit, wat is dan de kleurverandering van Fehling A en B?
a)
Van blauw naar oranje
b)
Van oranje naar blauw
c)
Van blauw naar zwart
d)
Van zwart naar blauw
43.

Tom doet een experiment. Hij heeft twee buisjes; één met zetmeel, één zonder zetmeel. Hij voegt de indicator toe aan beide buisjes. Er treedt een kleurverandering op. Welke indiactor heeft Tom toegevoegd? Wat zal de kleur zijn van het buisje ZONDER zetmeel?

a)

Jodium; geel

b)

Jodium; blauw

c)

DCPIP; geel

d)

DCPIP; blauw

44.

DCPIP is de indicator voor

a)

Vitamine C

b)

Glucose

c)

Zetmeel

d)

Eiwit

45.

Met welk van onderstaande indicatoren toon je glucose aan?

a)

Fehlings A en B

b)

DCPIP

c)

Jodium

d)

NaOH en CuSO4

46.

Met welke indicator toon je zetmeel aan?

a)

Jodium

b)

DCPIP

c)

NaOH en CuSO4

d)

Fehlings A en B

47.

Eiwit toon je aan met ...

a)

Fehlings A en B

b)

Jodium

c)

NaOH en CuSO4

d)

DCPIP

48.

Marieke wil aantonen of in sinaasappelsap vitamine C zit. Ze voegt enkele druppels DCPIP toe aan een reageerbuis met sinaasappelsap. Wat wordt de kleur van de buis?

a)

Blauw

b)

Doorzichtig (de buis ontkleurt)

c)

Geel (van de sinaasappelsap)

d)

Licht paars

49.

Welke onderdelen migreren bij DNA-gelelektroforese het snelst?

a)

Lange fragmenten

b)

Korte fragmenten

50.

Wat is er mogelijk met PCR-technologie?

a)

DNA-fragmenten vermeerderen

b)

DNA-fragmenten afbreken

c)

DNA-fragmenten splitsen op een gel

d)

DNA-fragmenten isoleren

51.

Een student voerde een gelelektroforese-experiment uit. De resultaten zijn weergegeven in het diagram

onderstaand. Vergeleken met de fragmenten aan de bovenkant van de gel, zijn de fragmenten aan de onderkant dat wel

a)

groter en beweeg langzamer

b)

groter en sneller bewegen

c)

kleiner en sneller bewegen

d)

kleiner en beweeg langzamer

52.

Op basis van deze resultaten wiens bloed werd gevonden in de bloedvlek op de plaats delict?

a)

Bob

b)

Sue

c)

John

d)

Lisa

53.

DNA-fingerprinting werken omdat

a)

De meeste genen zijn dominant

b)

Alle organismen bevatten RNA

c)

De belangrijkste genen zijn bij de meeste mensen verschillend

d)

Geen twee mensen, behalve een identieke tweeling, hebben precies hetzelfde DNA

54.

Waarom bewegen de DNA-fragmenten bij gelelektroforese weg van de negatieve elektrode?

a)

DNA is negatief geladen en wordt dus aangetrokken door het positieve uiteinde van de eenheid

b)

DNA is positief geladen en wordt aangetrokken door het negatieve uiteinde van de eenheid

c)

de agarosegel is negatief geladen

d)

de agarosegel is positief geladen

55.

Welke twee vleermuissoorten zijn het nauwst verwant?

a)

 Bat 1 en Bat 2

b)

Bat 1 en Bat 3

c)

Bat 2 en Bat 3

d)

Er is geen manier om het te vertellen

56.

Een techniek om miljoenen kopieën te maken van een specifiek stukje DNA.

a)

DNA ligase

b)

restriction enzymes

c)

gel electrophoresis

d)

polymerase chain reaction

57.

Wat is de functie van een primer?

a)

Om het specifieke DNA-gebied te identificeren dat door PCR moet worden gekopieerd.

b)

Om DNA te kopiëren

c)

Om DNA-nucleotiden te maken.

d)

Om de temperatuur van de PCR-reactie te handhaven.