Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

K3 Thema 1 Herhaling bs 1 t/m 4

Total questions: 25

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Een groep organen die samen een bepaalde functie hebben is een ......

a)

Cel

b)

Weefsel

c)

Orgaan

d)

Organenstelsel

e)

Organisme

2.

De lever hoort bij het .......

a)

Bloedvatenstelsel

b)

Verteringsstelsel

c)

Spierstelsel

d)

Zenuwstelsel

3.
Vervoert zuurstof en voedingsstoffen naar de organen.
a)
ademhalingsstelsel
b)
bloedvatenstelsel
c)
spierstelsel
d)
zenuwstelsel
4.
welke orgaan wordt aan gegeven met nr. 1
a)
slokdarm
b)
keel
c)
luchtpijp
d)
strot
5.
Welk orgaan wordt aangegeven met nr. 5 
a)
lever
b)
dikke darm
c)
maag
d)
alvleesklier
6.
Welk organenstelsel is hier afgebeeld?
a)
bloedvatenstelsel
b)
zenuwstelsel
c)
spierenstelsel
d)
verteringsstelsel 
7.
Wat is de juiste volgorde van groot naar klein?
a)
Organenstelsel - Organisme - Weefsel - Cellen
b)
Organisme - Organenstelsel - Weefsel - Cellen
c)
Organisme - Organenstelsel - Organen - Weefsel - Cellen
d)
Organenstelsel- Organisme - Organen
8.
Wat is een weefsel?
a)
een groep cellen met dezelfde vorm en functie
b)
cellen die delen
c)
een groep cellen met een verschillende vorm
9.

Wat voor orgaan is nummer 4?

a)

Maag

b)

Hart

c)

Lever

d)

Dunne darm

10.

Wat is nummer 8?

a)

Dikke darm

b)

Dunne darm

c)

Maag

d)

Nier

11.

Wat is tussencelstof?

a)

Een stof die tussen de cellen van weefsels zit (levende stof)

b)

Een stof die tussen verschillende weefsels zit

c)

Een ander woord voor weefsel

d)

Een stof die tussen de cellen van weefsels zit (levenloze stof)

12.

Een chromosoom bestaat uit ...

a)

DNA

b)

DNA en eiwitten

c)

eiwitten

d)

celkern

13.

In lichaamscellen komen chromosomen altijd ...

a)

enkel voor

b)

in paren voor

14.

Waar vind je de chromosomen in een levercel?

a)

celkern

b)

celwand

c)

cytosplasma

15.

Hoeveel chromosomen bevinden zich in een lichaamscel van een mens?

a)

23

b)

46

16.

Welk nummer geeft de celwand aan?

a)

nummer 2

b)

nummer 3

c)

nummer 4

d)

nummer 5

17.

In welke levensfase zit jij nu?

a)

Schoolkind

b)

Puber

c)

Jong volwassene

d)

Volwassene

18.

In welke levensfase zit jou mentor nu?

Pas op he!

a)

Schoolkind

b)

Puber

c)

Volwassene

d)

Bejaarde

19.

Twee levenskenmerken zijn ademhalen en reageren op prikkels.

Welke levenskenmerken zijn er nog meer?

a)

Ademhalen

b)

Bewegen

c)

Proeven

d)

Ruiken

20.

Welke van deze onderdelen hebben dierlijke cellen niet?

a)

Celkern

b)

Celmembraan

c)

Cytoplasma

d)

Celwand

21.

Dierlijke cellen hebben bladgroenkorrels

a)

Waar

b)

Niet waar

22.

Een stengel is een orgaan van een plant

a)

Waar

b)

Niet waar

23.

Stofwisseling is een levenskenmerk. Wat zijn voorbeelden van stofwisseling?

a)

ademen en groeien

b)

groeien en ontwikkelen

c)

waarnemen en bewegen

d)

ademen en uitscheiden

24.

DNA bevindt zich in ..

a)

de celkern

b)

in een vacuole

c)

in de celwand

d)

in de celmembraan

25.

Welke onderdelen hebben een plantencel wel maar een dierlijke cel niet? (er zijn meer antwoorden goed)

a)

celmembraan

b)

bladgroenkorrels

c)

celwand

d)

mitochondriën

e)

vacuole