Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

eco 3

Total questions: 9

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een behoefte?

a)

Iets dat je graag wil hebben

b)

Iets wat je nodig hebt of naar verlangt

c)

Iets dat alleen voor producenten geldt

d)

Een dienst die gratis wordt aangeboden

2.

Welke van de volgende behoeften kun je niet bevredigen door iets te kopen?

a)

Een fiets

b)

Vriendschap

c)

Internet

d)

Kleding

3.

Wat zijn primaire behoeften?

a)

Luxegoederen zoals dure auto's

b)

Niet-noodzakelijke behoeften zoals uitgaan

c)

Levensnoodzakelijke behoeften zoals eten en drinken

d)

Goederen die je kunt gebruiken maar niet kunt verbruiken

4.

Wat is het verschil tussen economische en niet-economische behoeften?

a)

Economische behoeften kosten geld, niet-economische niet

b)

Niet-economische behoeften zijn onbelangrijk

c)

Economische behoeften kunnen enkel door bedrijven worden bevredigd

d)

Economische behoeften kun je bevredigen door diensten en goederen te kopen

5.

Welke van de volgende goederen zijn verbruiksgoederen?

a)

Brood en shampoo

b)

Laptop en TV

c)

Auto en wasmachine

d)

Brood en kappersbeurt

6.

Welke van de volgende is een collectief goed?

a)

Een smartphone

b)

Straatverlichting

c)

Een tas koffie

d)

Een auto

7.

Welke keuze moet een producent maken in verband met het aanbod?

a)

Of ze goederen willen ruilen met andere producenten

b)

Hoeveel goederen en diensten ze kunnen produceren met de beschikbare middelen

c)

Of ze producten willen kopen of verkopen

d)

Welke consumenten ze als doelgroep kiezen

8.

Wat betekent schaarste in de economie?

a)

Het feit dat er altijd genoeg goederen en diensten beschikbaar zijn

b)

Dat alleen consumenten te maken hebben met beperkte middelen

c)

Dat de middelen ontoereikend zijn om alle behoeften te bevredigen

d)

De oneindige toegang tot natuurlijke grondstoffen

9.

Een producent wil smartphones maken, maar hij heeft een beperkt budget van €100.000 en beperkte grondstoffen. Hij moet beslissen hoeveel smartphones hij kan produceren, rekening houdend met de kosten van materialen (€150 per smartphone), arbeidskosten (€50 per smartphone), en overige vaste kosten (€20.000). Hoeveel smartphones kan de producent maximaal maken binnen zijn budget?

a)

400 smartphones

b)

600 smartphones

c)

800 smartphones

d)

500 smartphones