wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Kosten

Total questions: 8

Worksheet time: 4mins

Name
Class
Date
1.

Wat zijn kosten?

a)

Alle uitgaven die van je winst afgaan

b)

Alle uitgaven die van je omzet afgaan

c)

Alle zaken die ten laste van je eigen vermogen gaan

d)

Alle zaken waarmee je schulden maakt

2.

Welke kosten zijn momenteel voor vrijwel alle bedrijven enorm gestegen door de hoge energieprijzen?

a)

Kosten van duurzame productiemiddelen

b)

Kosten van diensten van derden

c)

Inkoopwaarde van de omzet

d)

Kostprijsverhogende belastingen

3.

Wat is het verschil tussen een handelsonderneming en een productieonderneming?

a)

Een handelsonderneming verkoopt iets en een productieonderneming maakt iets

b)

Bij een handelsonderneming is de input hetzelfde als bij de output; bij een productieonderneming is dat niet zo

c)

Een handelsonderneming is gericht op winst; een productieonderneming is gericht op productinnovatie

d)

Bij een handelsonderneming is de input anders dan de output; bij een productieonderneming is dat niet zo

4.

Wat zijn de kostensoorten van een productiebedrijf?

a)

Inkoopwaarde van de omzet; kosten van diensten van derden; kosten van arbeid, vermogen en grond, belastingen

b)

Inkoopwaarde van de omzet; kosten van diensten van derden; kosten van arbeid, vermogen en grond, afschrijvingen

c)

Kosten van grond- en hulpstoffen en diensten van derden; kosten van arbeid, vermogen en grond, afschrijvingen en belastingen

d)

Kosten van grond- en hulpstoffen en diensten van derden; kosten van vermogen en grond, afschrijvingen en kosten van arbeid

5.

Welke formules zijn de juiste?

a)

Afschrijvingen: (A-R)/2;

Kosten van vermogen: (A+R)/n x i%

b)

Afschrijvingen: (A-R)/n;

Kosten van vermogen: (A+R)/n

c)

Afschrijvingen: (A-R)/n;

Kosten van vermogen: (A+R)/2

d)

Afschrijvingen: (A-R)/n;

Kosten van vermogen: (A+R)/2 x i%

6.

Brutowinst is 30% van de inkoopprijs. Verkoopprijs is € 26. Wat is de inkoopprijs?

a)

€ 20

b)

€ 18,20

c)

€ 7,80

7.

Kostprijsverhogende belastingen zijn

a)

waterschapsbelasting, motorrijtuigenbelasting, hondenbelasting, onroerendezaakbelasting; accijnzen

b)

waterschapsbelasting, motorrijtuigenbelasting, onroerendezaakbelasting; belasting op toegevoegde waarde, accijnzen

c)

waterschapsbelasting, motorrijtuigenbelasting, onroerendezaakbelasting; winstbelasting; accijnzen

d)

waterschapsbelasting, motorrijtuigenbelasting, hondenbelasting, onroerendezaakbelasting; assurantiebelasting

8.

I Werkgevers betalen de premies voor de werknemersverzekeringen; II Het factureertarief is altijd hoger dan het arbeidsuurtarief

a)

Stelling I is waar;

Stelling II is waar

b)

Stelling I is waar;

Stelling II is onwaar

c)

Stelling I is waar;

Stelling II is onwaar

d)

Stelling I is onwaar;

Stelling II is onwaar