wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Grammatica pers bez vnw voegw samengest zin

Total questions: 35

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Een enkelvoudige zin heeft ......

a)

twee persoonsvormen

b)

een persoonsvorm

c)

drie persoonsvormen

2.

Een samengestelde zin heeft ......

a)

een persoonsvorm.

b)

meer persoonsvormen.

3.

Wat zijn voegwoorden?

a)

Dat zijn woorden waarmee je zinnen aan elkaar voegt.

b)

Voegwoorden zijn woorden die een zin vragend maken.

4.

Wat is het voegwoord?


Wanneer ik Femke zie, zal ik het haar vragen.

a)

wanneer

b)

zal

c)

zie

5.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Kampioen zullen zij niet worden, … er een wonder gebeurt.

a)

tenzij

b)

indien

c)

doordat

6.

Wat is het voegwoord?


Zodra het startschot klinkt, starten de schaatsers.

a)

klinkt

b)

starten

c)

zodra

7.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Ik doe er niet aan mee, ........ ik het zaakje niet vertrouw.

a)

mits

b)

dus

c)

omdat

d)

hoewel

8.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Lees eerst de gebruiksaanwijzing …. u het apparaat in gebruik neemt.

a)

voordat

b)

als

c)

nadat

9.

Is het onderstreepte woord een bezittelijk of een persoonlijk voornaamwoord?

Uw moeder komt vanavond ook.

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

10.

Is het onderstreepte woord een bezittelijk of een persoonlijk voornaamwoord?

Ik heb jouw broer ook uitgenodigd.

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

11.

Is het onderstreepte woord een bezittelijk of een persoonlijk voornaamwoord?

Zal ik jou even helpen?

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

12.

Is het onderstreepte woord een bezittelijk of een persoonlijk voornaamwoord?

Is dat schrift van jou?

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

13.

Is het onderstreepte woord een bezittelijk of een persoonlijk voornaamwoord?

Hij heeft jouw jas naar de garderobe gebracht.

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

14.

Is het onderstreepte woord een bezittelijk of een persoonlijk voornaamwoord?

Alex vindt jouw recept toch beter.

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

15.

Is het onderstreepte woord een bezittelijk of een persoonlijk voornaamwoord?

Hij heeft jou jouw brommer zien stallen.

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

16.

Is het onderstreepte woord een bezittelijk of een persoonlijk voornaamwoord?

Of is die soms niet van jou?

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

17.

Is het onderstreepte woord een bezittelijk of een persoonlijk voornaamwoord?

Is dat jouw schrift?

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

18.

Is het onderstreepte woord een bezittelijk of een persoonlijk voornaamwoord?

Jou waarschuw ik niet meer.

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

19.

Is het onderstreepte woord een bezittelijk of een persoonlijk voornaamwoord?

Is dat uw mening?

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

20.

Is het onderstreepte woord een bezittelijk of een persoonlijk voornaamwoord?

Ik heb u gisteren gebeld.

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

21.

Welk woord is het bezittelijk voornaamwoord?

Dit is mijn kamer.

a)

Dit

b)

mijn

c)

kamer

22.

Welk woord is het bezittelijk voornaamwoord?

Mijn kamer is een grote bende.

a)

Mijn

b)

grote

c)

bende

23.

Welk woord is het bezittelijk voornaamwoord?

Je(1) hebt de spelcomputer van je(2) broer geleend.

a)

Je(1)

b)

spelcomputer

c)

je(2)

24.

Welk woord is het bezittelijk voornaamwoord?

De taxi bracht ons (1) naar ons (2) hotel.

a)

bracht

b)

ons (1)

c)

ons (2)

25.

Welk woord is het bezittelijk voornaamwoord?

Jullie (1) verhaal werd door jullie (2) met veel enthousiasme verteld.

a)

Jullie (1)

b)

jullie (2)

c)

enthousiasme

26.

Welke zin bevat een persoonlijk voornaamwoord?

a)

De hond blaft luid

b)

Hij loopt snel

c)

De kat ligt op de bank

d)

Het boek is dik

27.

Wat is het persoonlijk voornaamwoord in deze zin: "Zij fietst naar school"?

a)

school

b)

fietst

c)

zij

d)

naar

28.

Welke zin bevat géén persoonlijk voornaamwoord?

a)

Ik ga naar de winkel op melk te kopen

b)

Hij speelt buiten met zijn vrienden

c)

wij lezen een boek over de geschiedenis van Karel de Groot

d)

De vogels zingen in de ochtend

29.

Wat is het persoonlijk voornaamwoord in deze zin: "Wij eten pizza vanavond"?

a)

wij

b)

eten

c)

pizza

d)

vanavond

30.

Wat is het persoonlijk voornaamwoord in deze zin: "Hij heeft een nieuwe bal"?

a)

bal

b)

heeft

c)

nieuwe

d)

hij

31.

Welke van de volgende zinnen bevat een meervoudig persoonlijk voornaamwoord?

a)

Jij leest snel

b)

Zij spelen voetbal

c)

Hij maakt een tekening

d)

Ik zwem graag

32.

Wat is het juiste persoonlijk voornaamwoord in deze zin: "___ hebben het boek uitgelezen."

a)

ik

b)

jij

c)

wij

d)

hij

33.

Vul het juiste persoonlijk voornaamwoord in: "___ eten een ijsje."

a)

zij

b)

hij

c)

jij

d)

het

34.

Wat is het persoonlijk voornaamwoord in deze zin: "Jullie komen te laat."

a)

komen

b)

jullie

c)

te

d)

laat

35.

Wat is het persoonlijk voornaamwoord in deze zin: "Het regent hard"?

a)

het

b)

regent

c)

hard

d)

er is geen persoonlijk voornaamwoord