wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

voortplanting en planten 4e klas

Total questions: 85

Worksheet time: 50mins

Name
Class
Date
1.

In de afbeelding is met onderdeel 1 een deel van de sperzieboon aangegeven. Welk deel van de bloem was dit?

a)

Dit waren de kroonbladeren

b)

Dit waren de meeldraden

c)

Dit was de stamper

d)

Dit waren de kelkbladeren

2.

Op welke manier verspreidt deze plant zijn zaden?

a)

Door de wind

b)

Door de plant zelf

c)

Door dieren

d)

Door het water

3.

Welk kenmerk hoort WEL bij een windbloem?

a)

Nectar

b)

Rode kleur

c)

Veel stuifmeelkorrels

d)

korte meeldraden

4.

Op dit plaatje zie je..

a)

Wel bestuiving, geen bevruchting

b)

Wel bestuiving, wel bevruchting

c)

Geen bestuiving, Wel bevruchting

d)

Geen bestuiving, geen bevruchting

5.

Op dit plaatje zie je

a)

bestuiving

b)

bevruchting

c)

bevlekking

6.

De stamper heeft nummer

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

5

7.

Dit is een..

a)

Windbloem

b)

Insectenbloem

8.

Nectar wordt gebruikt door insectenbloemen om insecten te lokken

a)

Juist

b)

Onjuist

9.

Stuifmeelkorrels zijn de mannelijke geslachtscellen van een plant

a)

Juist

b)

Onjuist

10.

Nummer 2 LINKS is hetzelfde als nummer

a)

8 RECHTS

b)

2 RECHTS

c)

5 RECHTS

d)

4 RECHTS

11.

Wat mist op dit plaatje?

a)

Een stamper

b)

Meeldraden

c)

Kroonbladeren

12.

Wat is waar, kijk even naar die mooie paarse bloembladeren...

a)

De kroonbladeren zijn om insecten te lokken, de kelkbladeren om de bloem te beschermen

b)

De kroonbladeren zijn om de bloem te beschermen, de kelkbladeren lokken insecten

c)

De kroonbladeren en de kelkbladeren lokken insekten

d)

De kelkbladeren en de kroonbladen zijn om de bloem te beschermen

13.

Bloemen gebruiken insecten voor bestuiving. Stuifmeel blijft aan een insect plakken en op een andere bloem komt het stuifmeel op de stamper. De eicellen in de stamper kunnen dan met het stuifmeel bevrucht worden. Wat is waar voor de bloem op het plaatje?

a)

De bloem maakt stuifmeel

b)

De bloem maakt geen stuifmeel

c)

Dat kan je aan dit plaatje niet zien

14.

Wat is waar?

a)

Geslachtelijke voortplanting is met bloemen

b)

Ongeslachtelijke voortplanting kan met bollen, knollen en uitlopers

c)

Bij planten komt het voor dat zowel geslachtelijke als ongeslachtelijke voortplanting plaatsvindt, bijvoorbeeld bij een aardbeienplant.

15.

Als de stamper van een appelbloem niet wordt bestoven

a)

Ontstaat een appel zonder zaden

b)

Ontstaat een appel met zaden

c)

Ontstaat geen appel

16.

Nummer is 7 is het

a)

helmknop

b)

meeldraad

c)

stamper

d)

vruchtbeginsel

17.

Dit is een

a)

windbloem

b)

insectenbloem

c)

geen bloem

d)

kabloem

18.

Dit is een

a)

windbloem

b)

insectenbloem

c)

geen bloem

d)

kabloem

19.

Dit is een voorbeeld van

a)

Geslachtelijke voortplanting

b)

Ongeslachtelijke voortplanting

c)

Geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting

d)

Geen voortplanting

20.

Dit is een voorbeeld van

a)

Geslachtelijke voortplanting

b)

Ongeslachtelijke voortplanting

c)

Geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting

d)

Geen voortplanting

21.

Dit is een voorbeeld van

a)

Geslachtelijke voortplanting

b)

Ongeslachtelijke voortplanting

c)

Geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting

d)

Geen voortplanting

22.

Wat is de functie van wortels?

a)

Water en mineralen opnemen

b)

Bloemen dragen

c)

Lucht opnemen

d)

Bladeren maken

23.

Wat is de functie van bastvaten?

a)

Vervoeren voedingsstoffen

b)

Vervoeren lucht

c)

Vervoeren water en glucose

d)

Vervoeren water en mineralen

24.

Wat vervoeren houtvaten?

a)

Zuurstof

b)

Glucose

c)

Water en mineralen

d)

Voedingsstoffen

25.

Wat is de juiste volgorde van zuigkracht?

  1. De bladcellen verliezen water
  2. De wortels nemen weer nieuw water op.
  3. Er verdampt water uit de huidmondjes.
  4. Er stroomt water vanuit de houtvaten naar de bladcellen.
a)

3-1-4-2

b)

1-2-3-4

c)

2-4-1-3

d)

4-3-2-1

26.

In welk deel van de wortel wordt reservevoedsel vooral opgeslagen?

a)

Hoofdwortel

b)

Zijwortel

c)

Wortelhaar

d)

Stengel

27.

glucose + zuurstof ==> koolstofdioxide + water + energie.

Dit is de reactie vergelijking van...

a)

Fotosynthese

b)

Verbranding

28.

Welke geslachtscellen kunnen zelf bewegen?

a)

Zaadcellen

b)

Eicellen

29.

Welke geslachtscellen zijn het grootst?

a)

Zaadcellen

b)

Eicellen

30.

Welke geslachtscellen bevatten veel reservevoedsel?

a)

Zaadcellen

b)

Eicellen

31.

Van welke geslachtscellen worden de meeste gevormd?

a)

Zaadcellen

b)

Eicellen

32.

Iris had op 3 maart haar eerste dag van de menstruatie. Op welke dag zal haar eerstevolgende eisprong vermoedelijk zijn?

a)

14 maart

b)

17 maart

c)

31 maart

d)

24 maart

33.

Waarvoor dient de opbouw van het baarmoederslijmvlies?

a)

Om bevruchting mogelijk te maken

b)

Om innesteling mogelijk te maken

c)

Om menstruatie mogelijk te maken

34.

Wanneer is een vrouw het meest vruchtbaar?

a)

Vlak na de menstruatie

b)

Vlak voor de menstruatie

c)

Vlak na de eisprong

d)

Vlak voor de eisprong

35.

Hoeveel dagen duurt een menstruatiecyclus ongeveer?

a)

10

b)

14

c)

28

d)

35

36.
Op welke dag van de menstruatie vindt gemiddeld de eisprong plaats?
a)
10
b)
12
c)
14
d)
16
37.
In de bijballen worden de zaadcellen tijdelijk opgeslagen
a)
Juist
b)
Onjuist
38.
De prostaat voegt samen met de prostaat vocht toe aan de zaadcellen
a)
Juist
b)
Onjuist
39.
Bij een vrouw komt gemiddeld maar één follikel per twee weken tot volledige rijping
a)
Juist
b)
Onjuist
40.
Nisa is op 1 maart voor het eerst ongesteld. Wanneer vindt haar volgende menstruatie weer plaats?
a)
29 Maart
b)
30 Maart
c)
31 Maart
d)
1 April
41.
Britt is op 28 februari voor het eerst ongesteld. Wanneer vind haar ovulatie plaats?
a)
13 maart
b)
14 maart
c)
15 maart
d)
16 maart
42.
Op welke dag vindt op de afbeelding de eisprong plaats? 
a)
21 April
b)
22 April
c)
23 April 
d)
24 April 
43.

Op welke dag (nummer) begint de menstruatie?

a)

1

b)

4

c)

14

d)

8

44.

De menstruatie van een vrouw is een cyclus. Wat betekent dit?

a)

Dat het een keer gebeurd.

b)

Dat het steeds opnieuw gebeurd.

c)

Dat het normaal is.

d)

Dat het onregelmatig gebeurd.

45.

Wat is de ovulatie

a)

Menstruatie

b)

Eisprong

c)

Eilancering

d)

Bevruchting

46.

Wat is menstrueren?

a)

Afstoten van baarmoederslijmvlies

b)

Afstoten van de eicel

c)

Afstoten van hormonen

d)

Afstoten van vervelende gevoelend

47.

Wanneer begint de eerste dag van een nieuwe cyclus?

a)

dag 14

b)

dag 1

c)

dag 7

d)

dag 28

48.
 Met welke letter wordt de plek aangegeven waar een eicel wordt bevrucht?
a)
P
b)
Q
c)
S
d)
R
49.
Waar worden zaadcellen gemaakt?
a)
Bijbal
b)
Zwellichaam
c)
Teelbal
d)
Zaadleider
50.

Welke vorm van geboorteregeling wordt hieronder beschreven

In de vruchtbare periode rond de eisprong hebben man en vrouw geen gemeenschap. Zeer onbetrouwbaar.

a)

Onderbroken geslachtsgemeenschap

b)

Periodieke onthouding

c)

Coïtus interruptus

51.

Judith slikt de pil. Vindt er bij haar nog de ovulatie plaats? En menstruatie?

a)

Wel ovulatie; wel menstruatie

b)

Wel ovulatie; geen menstruatie

c)

Geen ovulatie; wel menstruatie

d)

Geen ovulatie; geen menstruatie

52.

Twee uitspraken over de pil:

Gerdien zegt als je per ongeluk 1 dag de pil bent vergeten, je dan nog steeds betrouwbaar bent beschermd tegen zwangerschap.

Hans zegt dat de pil hormonen bevat.

Wie heeft /hebben gelijk

a)

Alleen Gerdien

b)

Alleen Hans

c)

Beide gelijk

d)

Beide ongelijk

53.

Welk(e) voorbehoedsmiddel(en) bescherm(t) (en) tegen soa's?

(meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Spiraal

b)

Sterilisatie

c)

Condoom

d)

Pil

e)

Vrouwencondoom

54.

Een vrouw komt drie weken nadat ze geslachtsgemeenschap heeft gehad bij de dokter, omdat ze niet zwanger wil worden.


Wat zal de dokter haar voorschrijven?

a)

Abortus pil

b)

Morning- afterpil

c)

Zuigcurretage

55.

Is de balzak een primaire of secundaire geslachtskenmerk?

a)

Primaire

b)

Secundaire

56.

Welke situatie laat een heteroseksuele relatie zien?

a)

Jongen - Jongen

b)

Jongen - Meisje

c)

Meisje - Meisje

d)

Zowel verliefd kunnen worden op jongens en meisjes

57.

Welke situatie laat een biseksuele relatie zien?

a)

Jongen - Jongen

b)

Jongen - Meisje

c)

Meisje - Meisje

d)

Zowel verliefd kunnen worden op jongens en meisjes

58.

Wat is bevruchting?

a)

de eicel en de zaadcellen treffen elkaar

b)

de kern van de eicel smelt samen met de kern van de zaadcel

c)

de eicel nestelt zich in het baarmoederslijmvlies

d)

de spermacel zwemt naar de eicel toe

59.

Er zijn verschillende fase bij de bevalling.

1 Uitdrijving.

2 Ontsluiting.

3 Weeën.

Wat is de juiste volgorde tijdens een bevalling?

a)

1 - 2 - 3

b)

2- 3 - 1

c)

3 - 2 - 1

d)

3 - 1 - 2

60.

Welke voorbehoedsmiddelen beschermen tegen zwangerschap?

(meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Spiraal

b)

Condoom

c)

Vrouwencondoom

d)

Pil

e)

Sterilisatie

61.

Bij een sterilisatie wordt het volgende doorgeknipt/dichtgebonden

a)

Baarmoedermond

b)

Baarmoeder

c)

Eileider

d)

Eierstok

62.

Bij een gesteriliseerde vrouw rijpen er nog eicellen.

a)

Waar

b)

Niet waar

63.

Vinden bij een zwangere vrouw menstruatie plaats? En ovulatie?

a)

Zowel menstruatie als ovulatie

b)

Wel menstruatie maar geen ovulatie

c)

Wel ovulatie maar geen menstruatie

d)

Geen ovulatie en geen menstruatie

64.

Het genotype van een organisme komt tot stand op het moment van de bevruchting.

a)

Juist

b)

Onjuist

65.

Een eeneiige tweeling ontstaat uit....

a)

Een eicel en een zaadcel

b)

Een eicel en twee zaadcellen

c)

Twee eicellen en een zaadcel

d)

Twee eicellen en twee zaadcellen

66.

Wanneer spreken we van een embryo

a)

Tijdens de hele zwangerschap

b)

Na drie maanden van de zwangerschap

c)

De eerste drie maanden van de zwangerschap

d)

Wanneer de baby geboren is

67.

Wat is een foetus?

a)

Een embryo

b)

Een ongeboren baby vanaf 3 maanden van de zwangerschap tot aan de geboorte

c)

Een ongeboren baby tot aan 3 maanden van de zwangerschap

d)

Een baby

68.

Wat is de duur van de zwangerschap?

a)

35 weken

b)

39 weken

c)

40 weken

d)

28 weken

69.
Roken is minder erg dan drinken tijdens een zwangerschap.
a)
Onzin, beide zijn ontzettend schadelijk voor een ongeboren kind.
b)
Klopt.
70.

Welke volgorde van levensfasen klopt?

a)

Baby - peuter - kleuter - schoolkind

b)

Baby - kleuter - peuter - schoolkind

c)

Peuter - baby - schoolkind - kleuter

71.

Welke levensfase duurt tot je ongeveer 65 bent?

a)

Bejaarde

b)

Volwassene

c)

Puber

d)

Adolescent

72.

Wat voor soort ontwikkeling is leren lezen?

a)

Motorische ontwikkeling

b)

Geestelijke ontwikkeling

c)

Lichamelijke ontwikkeling

73.

Een meisje kan al zwanger worden van de eerste keer seks

a)

waar

b)

niet waar

74.

Wanneer je klaar bent voor seks, is voor iedereen anders

a)

waar

b)

niet waar

75.

De meeste soa's gaan vanzelf over

a)

waar

b)

niet waar

76.

Als je een soa hebt, merk je dat altijd

a)

waar

b)

niet waar

77.

Als je jezelf goed wast na de seks, krijg je geen soa

a)

waar

b)

niet waar

78.

De pil beschermt ook tegen soa's

a)

waar

b)

niet waar

79.

Als een jongen niet klaarkomt tijdens de seks, kan een meisje toch zwanger worden

a)

waar

b)

niet waar

80.

Het is normaal dat meisjes pijn hebben bij de eerste keer seks

a)

waar

b)

niet waar

81.

Anticonceptiemiddelen zorgen ervoor dat een vrouw niet zwanger raakt.

a)

Juist

b)

Onjuist

82.

een condoom..

a)

kan meerdere malen gebruikt worden en gaat niet over de datum.

b)

kan maar één maal gebruikt worden en gaat niet over de datum.

c)

kan maar één maal gebruikt worden en gaat wel over de datum.

d)

kan meerdere malen gebruikt worden en gaat wel over de datum.

83.

Wat zijn betrouwbare geboorteregelingen?

a)

Condoom, spiraaltje, de pil en periodieke onthouding.

b)

Condoom, pil en periodieke onthouding.

c)

geen van allen.

d)

Condoom, spiraaltje en de pil.

84.

De morning-afterpil...

a)

Moet binnen 12 uur ingenomen worden.

b)

Moet binnen 3 dagen ingenomen worden.

c)

Moet binnen 24 uur binnen genomen worden.

85.

is deze vrouw zwanger?

a)

ja

b)

nee