wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

TC A1 thema 3 werkwoorden

Total questions: 28

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.

De man ... water.

a)

drink

b)

drinket

c)

drinkt

d)

drinken

2.

Maak goede zinnen.

a)

Ik

1.

drink water.

b)

Jij

2.

drinkt melk.

c)

Wij

3.

drinken cola.

d)

Drink

4.

jij thee?

e)

Drinkt

5.

u koffie?

3.

Maak een zin.

a)

Hij

b)

drinkt

c)

koffie

d)

met

e)

suiker.

1)
2)
3)
4)
5)
4.

Jij ... in een groot huis.

a)

woon

b)

woont

c)

wont

d)

wonet

5.

De familie wonen in een flat.

a)

goed

b)

fout

6.

Ik​ (a)   in Nederland.

Jij​ (b)   ook in Nederland.

Zij ​ (c)   niet in Nederland, maar in Duitsland.

Choose from the below words
woon
won
wone
woont
wont
wonen
7.

Zoek bij elkaar.

a)

ik

1.

ben

b)

jij

2.

bent

c)

hij

3.

is

d)

wij

4.

zijn

8.

Bent jij in de woonkamer?

a)

goed

b)

fout

9.

De vrouw is in de woonkamer.

a)

goed

b)

fout

10.

De stoel ... rood.

a)

is

b)

heeft

11.

Match the following

a)

ik

1.

heb

b)

jij

2.

hebt

c)

hij

3.

heeft

d)

jullie

4.

hebben

12.

Zij ... een nieuwe buurman.

a)

zijn

b)

hebben

13.

Wij ... een grote tuin.

a)

heb

b)

hebben

c)

ben

d)

zijn

14.

De banken ... geel.

a)

heeft

b)

hebben

c)

is

d)

zijn

15.

Ik ... met een pen.

a)

schrijv

b)

schrijf

c)

schrijve

d)

schrijft

16.

Ik​ (a)   een e-mail.

Hij​ (b)   een woord op het bord.

Jullie​ (c)   veel in je schrift.

Choose from the below words
schrijf
schrijv
schrijft
schrijven
schrijvt
schrijfen
schrijve
17.

Maak een zin.

a)

Zij

b)

schrijft

c)

met

d)

een

e)

potlood.

1)
2)
3)
4)
5)
18.

Welk boek ... jij?

a)

kiest

b)

kiez

c)

kies

d)

kiesen

19.

Ik ... een antwoord. (kiezen)

(a)  

20.

Ik​ (a)   de suiker.

Hij​ (b)   de melk.

​ (c)   jullie de koffie?

Choose from the below words
pak
Pakken
pakt
pakk
pakkt
pakken
paken
21.

Hij ... zijn naam. (zeggen)

(a)  

22.

Maak goede zinnen.

a)

Ik

1.

huur een huis.

b)

Jij

2.

huurt een kamer.

c)

Wij

3.

huren een flat.

d)

Huurt

4.

zij een auto?

e)

Huur

5.

jij een fiets?

23.

Ik geef de sleutel aan jou.

a)

goed

b)

fout

24.

Hij lest een boek.

a)

goed

b)

fout

25.

Zij ... in bed. (slapen)

(a)  

26.

Hoe oud​ (a)   jij?

Choose from the below words
ben
bent
hebt
heb
heeft
is
27.

De man ... op de bank. (zitten)

(a)  

28.

Wat ... u graag? (drinken)

(a)