WorksheetsTC A1 thema 3 werkwoorden
Total questions: 28
Worksheet time: 26mins
De man ... water.
drink
drinket
drinkt
drinken
Maak goede zinnen.
Ik
drink water.
Jij
drinkt melk.
Wij
drinken cola.
Drink
jij thee?
Drinkt
u koffie?
Maak een zin.
Hij
drinkt
koffie
met
suiker.
Jij ... in een groot huis.
woon
woont
wont
wonet
De familie wonen in een flat.
goed
fout
Ik (a) in Nederland.
Jij (b) ook in Nederland.
Zij (c) niet in Nederland, maar in Duitsland.
Zoek bij elkaar.
ik
ben
jij
bent
hij
is
wij
zijn
Bent jij in de woonkamer?
goed
fout
De vrouw is in de woonkamer.
goed
fout
De stoel ... rood.
is
heeft
Match the following
ik
heb
jij
hebt
hij
heeft
jullie
hebben
Zij ... een nieuwe buurman.
zijn
hebben
Wij ... een grote tuin.
heb
hebben
ben
zijn
De banken ... geel.
heeft
hebben
is
zijn
Ik ... met een pen.
schrijv
schrijf
schrijve
schrijft
Ik (a) een e-mail.
Hij (b) een woord op het bord.
Jullie (c) veel in je schrift.
Maak een zin.
Zij
schrijft
met
een
potlood.
Welk boek ... jij?
kiest
kiez
kies
kiesen
Ik ... een antwoord. (kiezen)
(a)
Ik (a) de suiker.
Hij (b) de melk.
(c) jullie de koffie?
Hij ... zijn naam. (zeggen)
(a)
Maak goede zinnen.
Ik
huur een huis.
Jij
huurt een kamer.
Wij
huren een flat.
Huurt
zij een auto?
Huur
jij een fiets?
Ik geef de sleutel aan jou.
goed
fout
Hij lest een boek.
goed
fout
Zij ... in bed. (slapen)
(a)
Hoe oud (a) jij?
De man ... op de bank. (zitten)
(a)
Wat ... u graag? (drinken)
(a)
