Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

voeding en beweging

Total questions: 39

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Vooral een tekort aan deze voedingsstoffen kan ziekte veroorzaken

a)

beschermende stoffen

b)

brandstoffen

c)

bouwstoffen

d)

reservestoffen

2.

Welke groepen van voedingsstoffen zijn er?

a)

Eiwitten, koolhydraten, vetten, zouten en vitaminen

b)

Eiwitten, koolhydraten, vetten, mineralen, water en vitaminen

c)

Eiwitten, vetten, mineralen, zouten, water en vitaminen

d)

Eiwitten, koolhydraten, vetten, zouten, mineralen, water en vitaminen

3.

Welke voedingsmiddelen zijn beter voor de goede werking van de darmen?

a)

plantaardige

b)

dierlijke

4.
Op de afbeelding zien we:
a)
Voedingsmiddelen
b)
Voedingsstoffen
5.
Wat is/zijn de functie(s) van mineralen?
a)
Brandstof
b)
Reservestof
c)
Beiden
d)
Geen van beiden
6.
Wat is/zijn de functie(s) van koolhydraten
a)
Brandstof
b)
Reservestof
c)
Beiden
d)
Geen van beiden
7.
Zijn vetten bouwstoffen?
a)
Ja
b)
Nee
8.
Wat is geen functie van een voedingsstof?
a)
Beschermen
b)
Bouwen
c)
Reserve
d)
Afbreken
9.

Welke zin over voedingsvezels is juist

a)

voedingsvezels kunnen niet worden verteerd

b)

Voedingsvezels zorgen voor energie

c)

Voedingsvezels zorgen voor bouwstoffen

d)

Voedingsvezels is een voedingstof

10.

Wanneer een bloedvat verstopt is geraakt door cholesterol.

a)

trombose

b)

cholesterol

c)

dierlijke voedingsmiddelen

d)

plantaardige voedingsmiddelen

e)

slagaderverkalking

11.

Stof waardoor een bloedvat nauwer kan worden.

a)

trombose

b)

cholesterol

c)

dierlijke voedingsmiddelen

d)

plantaardige voedingsmiddelen

e)

slagaderverkalking

12.

Wat is een hartinfarct?

a)

een deel van het hart krijgt geen bloed meer door slagaderverkalking

b)

het hart sterft volledig af doordat het te stevig samentrekt

c)

het hart pompt bloed te hart de bloedvaten in

13.

In de afbeelding zie je Klaas en Piet. Zij doen aan waterpolo. Wordt door sporten de kans op hart- en vaatziekten groter. kleiner of verandert de kans niet?

a)

De kans op hart- en vaatziekten wordt groter.

b)

De kans op hart- en vaatziekten wordt kleiner.

c)

De kans op hart- en vaatziekten verandert niet.

14.

Hebben mensen die veel zout eten minder kans op een hartinfarct?

a)

Juist

b)

Onjuist

15.

Heeft iemand die rookt meer kans op hart- en vaatziekten??

a)

Juist

b)

Onjuist

16.

Heeft iemand met overgewicht meer kans op een hartinfarct dan iemand met een normaal gewicht?

a)

Juist

b)

Onjuist

17.

Door stress verloopt het proces slagaderverkalking sneller.

a)

Juist

b)

Onjuist

18.

Wat is bloeddruk?

a)

De druk van het bloed tegen de wand van bloedvaten

b)

De pompkracht van het hart

c)

Heeft iets te doen met aders

19.

Als je veel dropjes eet verhoog je de kans op slagaderverkalking.

Op welke manier zorgen dropjes voor een verhoogde kans op slagaderverkalking?

(meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Te zout eten

b)

Stress

c)

Overgewicht

d)

Roken

20.

Hoeveel gram groenten moet je per dag eten?

a)

150 gram

b)

200 gram

c)

250 gram

d)

300 gram

21.

Waar staat de afkorting THT voor?

a)

Tenminste Houdbaar Tot

b)

Tot Hier Toe

22.

Wat betekent de term ‘geconserveerd voedsel’?

a)

Dat betekent dat al het voedsel in plastic verpakt zit.

b)

Dat betekent dat het voedsel bewerkt is, waardoor het langer goed blijft.

c)

Dat betekent dat het voedsel rauw is en dat het snel opgegeten moet worden.

d)

Dat betekent dat het voedsel over de houdbaarheidsdatum heen is.

23.

Er zijn ziekten, waarbij slechte voedingsgewoonten een grote rol spelen. Bij welke van de onderstaande ziekten is dit het geval?

a)

Bof

b)

Hart en vaatziekten

c)

Mazelen

d)

Ziekte van Alzheimer

24.

Welke productgroep is in de Schijf van 5 het grootste?

a)

Brood, graanproducten en aardappelen

b)

Dranken

c)

Groente en fruit

d)

Vlees, ei, zuivel, noten, vis en peulvruchten

25.

Er zijn producten die niet in de schijf van 5 zitten. Waarom is dat?

a)

omdat ze geen keurmerk hebben

b)

omdat ze milieu onvriendelijk gemaakt zijn

c)

omdat ze te duur zijn

d)

omdat ze teveel vet en suiker bevatten

26.

Wie verzorgt in Nederland het advies wat betreft goede voeding?

a)

het consultatiebureau

b)

de huisarts

c)

het Rode Kruis

d)

het Voedingscentrum

27.

Pasteuriseren

a)

Ziekte verwekkende micro- organismen BV salmonella, staphylococcus, MRSA (ziekenhuisbacterie), Bacillus cereus

b)

Hier verwarm je het product voor een bepaalde tijd bij een verhoogde temperatuur, de meeste ziekteverwekkende micro- organismen worden dan gedood

c)

Dit is bedoeld om bederf uit te stellen door middel van conserveringsmiddelen die de micro- organismen zijn groei remt of stopt.

28.

Hieronder staan twee beweringen:

I. Door voedsel te drogen kun je het langer houdbaar maken, omdat bacterien en schimmels niet kunnen leven zonder zuurstof.

II. Door voedsel vacuum te verpakken kan je het langer houdbaar maken, omdat bacterien en schimmels dan heel langzaam groeien

a)

Alleen I is waar

b)

Alleen II is waar

c)

I en II zijn beide waar

d)

I en II zijn beide niet waar

29.

Welke volgorde van de productieketen is juist?

a)

Grondstof, Fabriek, Eindproduct, Distributiecentrum, Supermarkt, Klant.

b)

Grondstof, Fabriek, Eindproduct, Supermarkt, Distributiecentrum, Klant

c)

Fabriek, Grondstof, Eindproduct, Supermarkt, Distributiecentrum, Klant

d)

Grondstof, Fabriek, Eindproduct, Supermarkt, Distributiecentrum,Klant

30.
Manieren om voedsel te conserveren zijn
a)
vacuüm verpakken
b)
drogen
c)
steriliseren
d)
alle antwoorden zijn manieren van conserveren
31.
Conserveren is:
a)
Voedsel behandelen zodat schimmels en bacteriën doodgaan en goed kunnen groeien
b)
Voedsel behandelen zodat schimmels en bacteriën niet doodgaan en niet goed kunnen groeien
c)
Voedsel behandelen zodat schimmels en bacteriën doodgaan en niet goed kunnen groeien
32.

Wat betekent het woord conserveren?

a)

Dat is een ander woord voor geur.

b)

Delen van een plant die het eten smaak geven, zoals kaneel.

c)

Genieten van lekker eten.

d)

Zorgen dat het eten langer goed blijft.

33.

Drie methoden om voedselbederf door bacteriën en schimmels tegen te gaan, zijn invriezen, pasteuriseren en steriliseren.

Bij welke van deze methoden kan voedsel het langst houdbaar worden gemaakt?

a)

invriezen

b)

pasteuriseren

c)

steriliseren

34.
wat is je BMI?
a)
de verhouding tussen je lengte en je gewicht
b)
een maat voor gezond gewicht per leeftijd
c)
een instelling die bepaald hoeveel je mag eten per dag
35.
Wanneer eet je gezond?
a)
als je minder eet dan dat je verbruikt
b)
als je alle voedingstoffen binnen krijgt
c)
als je niet te vet eet
d)
al je niet te zout eet
36.

In het product in de afbeelding komen veel voedingsvezels voor.

Juist. Onjuist.

a)

juist

b)

onjuist

37.
Conserveren is:
a)
Voedsel behandelen zodat schimmels en bacteriën doodgaan en goed kunnen groeien
b)
Voedsel behandelen zodat schimmels en bacteriën niet doodgaan en niet goed kunnen groeien
c)
Voedsel behandelen zodat schimmels en bacteriën doodgaan en niet goed kunnen groeien
38.
Manieren om voedsel te conserveren zijn
a)
vacuüm verpakken
b)
drogen
c)
steriliseren
d)
alle antwoorden zijn manieren van conserveren
39.
BMI = Body Mass Individu
a)
juist
b)
onjuist