wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

V1 H4 t/m H6

Total questions: 120

Worksheet time: 2hrs 36mins

Name
Class
Date
1.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'een maatschappij waarin bijna iedereen als boer werkt en er vrijwel geen steden zijn'

(a)  

2.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'letterlijk: zelfvoorziening. Een economie waarin een gebied in zijn eigen economische behoeften voorziet'

(a)  

3.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'kerkvergadering'

(a)  

4.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'Gebied waar een heer de baas was en waarvan hij de inkomsten kreeg. Het bestond uit vroonland, hoeveland en woeste gronden'

(a)  

5.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'De naam die christenen gaven aan mensen die geloofden in natuurgoden en -krachten'

(a)  

6.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'werkzaamheden die horigen gratis voor de heer moesten doen'

(a)  

7.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'economisch systeem waarbij een heer de horigen in zijn gebied beschermde in ruil voor herendiensten en een deel van de opbrengst van het land'

(a)  

8.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'boer die geen eigen grond had, maar die moest werken op het land van de heer en die de grond van de heer niet mocht verlaten zonder zijn toestemming'

(a)  

9.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'geloof in Allah, volgens de leer van Mohammed'

(a)  

10.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'leider van het islamitische rijk, opvolger van Mohammed'

(a)  

11.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'Heilig boek van de islam, waarin de belangrijkste regels en voorschriften van het islamitische geloof staan'

(a)  

12.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'iemand die stukken land uitleent aan leenmannen in ruil voor hun trouw en steun'

(a)  

13.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'iemand die een heer hielp bij de oorlogvoering, het bestuur en de rechtspraak en die als beloning van een stuk land in leen had.'

(a)  

14.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'systeem waarbij een heer stukken land aan leenmannen uitleende, in ruil voor hun trouw en steun'

(a)  

15.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'periode van 500 tot 1500'

(a)  

16.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'priester die mensen tot het christelijke geloof wil bekeren'

(a)  

17.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'groep met een vaste plek en een eigen taak in de samenleving. Middeleeuwers verdeelden de samenleving in drie ...: de geestelijken, de adel en de boeren'

(a)  

18.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'tijdvak van 500 tot 1000'

(a)  

19.

Wat veranderde er rond 500 in West-Europa?

a)

Het West-Romeinse Rijk was uiteengevallen in kleine, aparte koninkrijken

b)

De steden verdwenen en er kwam een agrarische samenleving

c)

Het West-Romeinse en Oost-Romeinse Rijk werden samen één rijk

d)

Er ontstaan weer steden

20.

Waarom zochten veel kleine boeren bescherming bij een machtige boer in de buurt?

a)

Er was veel oorlog

b)

Ze hadden geen zin om zelf te vechten

c)

Er waren veel plunderingen

d)

Bij een machtige boer konden ze meer geld verdienen

21.

Wat zijn de gevolgen van het verdwijnen van de handel in de vroege middeleeuwen?

a)

Mensen konden geen producten meer krijgen

b)

Boeren hadden geen werk meer

c)

De economie wordt zelfvoorzienend

d)

Mensen hadden geen geld meer nodig: er ontstond een ruilhandel

22.

Wat moesten de horigen doen?

a)

Grond aan de heer geven

b)

Vechten in het leger van de heer

c)

Opbrengst aan de heer afstaan

d)

Herendiensten

23.

Waarom ontstond het leenstelsel?

a)

Koningen hadden meer geld nodig. Dit kregen ze van machtige mannen die in ruil daarvoor een stuk land kregen

b)

Koningen hadden een betrouwbaar leger nodig

c)

Koningen hadden meer geld nodig.

d)

Koningen hadden een betrouwbaar leger nodig. Deze kregen ze van machtige mannen die in ruil daarvoor een stuk land kregen.

24.

Eerst lukte het de missionarissen niet om de heidenen in Europa te bekeren. Hoe is het toch uiteindelijk gelukt?

a)

De heidenen werden door de missionarissen gedwongen om het christelijke geloof over te nemen

b)

De christelijke kerk koppelde heidense gebruiken en feesten aan belangrijke christelijke gebeurtenissen

c)

Ze gingen meer geweld gebruiken

d)

De missionarissen gingen heidense gebruiken en feesten belachelijk maken.

25.

Uit welke drie standen bestond de standensamenleving in de middeleeuwen?

a)
  1. 1. Boeren

  2. 2. Adel

  3. 3. Geestelijkheid

b)
  1. 1. Adel

  2. 2. Geestelijkheid

  3. 3. Boeren

c)
  1. 1. Geestelijkheid

  2. 2. Adel

  3. 3. Boeren

d)
  1. 1. Geestelijkheid

  2. 2. Boeren

  3. 3. Adel

26.

Waar of niet waar?

De islam ontstond rond het jaar 600 in het Midden-Oosten

a)

Waar

b)

Niet waar

27.

Wat was de belangrijkste verandering rond het jaar 1000?

a)

Er kwamen weer steden doordat de handel en nijverheid opbloeide

b)

De handel en nijverheid bloeide

c)

De meeste mensen woonden op het platteland

d)

Het geweer werd uitgevonden

28.

Waardoor stegen de landbouwopbrengsten rond het jaar 1000?

a)

Verschillende uitvindingen (bv de ijzeren ploeg)

b)

Het drieslagstelsel

c)

Meer landbouwgrond door het ontginnen

d)

Het klimaat werd beter

29.

Waarom trokken boeren naar de stad?

a)

Ze waren vrij in de stad

b)

Ze konden niet genoeg eten produceren

c)

In de stad waren mooiere huizen

d)

De boeren konden daar als ambachtsman of handelaar werken

30.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'een landbouwmethode waarin een stuk land in het eerste jaar wordt gebruikt voor wintergraan en in het tweede jaar voor zomergraan, voordat het een jaar braak komt te liggen'

(a)  

31.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'Het voor landbouw bruikbaar maken van bossen en moerassen'

(a)  

32.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'Periode van 1000 tot 1500 na Chr.'

(a)  

33.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'Een maatschappij waarin de meeste mensen op het platteland wonen en in de landbouw werken, maar waar ook steden zijn, waarin veel mensen hun brood verdienen als ambachtsman of handelaar'

(a)  

34.

Waarom ontstond er een geldeconomie in de late middeleeuwen?

a)

Hierdoor konden ze meer geld verdienen

b)

Er wordt veel handel gedreven met Spanje

c)

Betalen met producten was heel onhandig

d)

Zilver en goud was mooier

35.

Welke twee nadelen had de geldeconomie in de late middeleeuwen?

a)

Het geld verging heel snel

b)

Elk koninkrijk en elke stad heeft een eigen munt, waardoor er veel gewisseld moet worden

c)

Het was niet handig om met heel veel munten te reizen

d)

De geldeconomie zorgde ervoor dat mensen sneller overvallen werden door rovers

36.

Welke voordelen had de geldeconomie in de late middeleeuwen?

a)

Het was makkelijker om de hofhouding en het leger te betalen

b)

De handel en nijverheid nam enorm toe

c)

Handelaren konden handelskapitaal gaan opbouwen

d)

Boeren konden hun pacht en belasting betalen met geld

37.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'brief waarin staat hoeveel geld een persoon heeft gestort op een bank. De wissel kan bij een andere bank worden uitbetaald in geld'

(a)  

38.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'stad waarin langeafstandshandel een belangrijk middel van bestaan is'

(a)  

39.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'Een handelsverbond van steden langs de Noordzee en de Oostzee, dat rond 1350 op zijn machtigst was'

(a)  

40.

Welke voordelen had de Hanze?

a)

Er was meer bescherming tegen piraten

b)

Handelaren hoefden minder tol te betalen

c)

Ze konden andere handelaren weg sturen.

d)

Leveranciers mochten niet samenwerken met concurrerende handelaren, waardoor de Hanze meer winst kon maken.

41.

Welke culturele veranderingen waren er in de late middeleeuwen?

a)

Er werd steeds meer versierd, bijvoorbeeld met glas-in-lood ramen

b)

Monniken maakten mooie miniaturen

c)

In de muziek ontstond er meerstemmige muziek

d)

Er kwamen kerken in de romaanse stijl

e)

Er kwamen kerken in de gotische stijl

42.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'Bouwstijl uit de 11e en 12e eeuw, die wordt gekenmerkt door betrekkelijke eenvoud, dikke muren, kleine vensters en ronde bogen'

(a)  

43.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'bouwstijl uit de 13e-15e eeuw die wordt gekenmerkt door het streven om in de hoogte te bouwen, met grote vensters, spitse bogen en een rijke versiering'

(a)  

44.

Uit welke lagen bestond de burgerij?

a)
  1. 1. rijke kooplieden

  2. 2. winkeliers

  3. 3. arbeiders

  4. 4. bedelaars

b)

1. winkeliers en belangrijke ambachtslieden

2. kooplieden en ambachtslieden

3. arbeiders

4. bedelaars en daklozen

c)
  1. 1. rijke kooplieden en belangrijke ambachtslieden

  2. 2. winkeliers en ambachtslieden

  3. 3. gewone (arme) arbeiders

  4. 4. bedelaars en daklozen

d)

1. gewone (arme) arbeiders

2. winkeliers en ambachtslieden

3. rijke kooplieden en belangrijke ambachtslieden

4. bedelaars en daklozen

45.

Wat zijn kenmerken van een gilde?

a)

Gilden wilden concurrentie voorkomen

b)

Alleen gildeleden mochten een ambacht uitoefenen

c)

Gildenleden steunden elkaar bij overlijden of ziekte

d)

Vrouwen konden ook lid worden van een gilde

e)

Mannen hadden de leiding over het gilde

46.

Welke twee soorten leden waren er bij het gilde?

a)

De gezel

b)

De meester

c)

De ambachtslieden

d)

De leerling

47.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'de groep van bewoners van een stad (in de middeleeuwen)'

(a)  

48.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'Een vereniging van mensen die in een stad hetzelfde beroep uitoefenden.'

(a)  

49.

Wat wilden de stedelingen zelf doen in plaats van dat hun heer het doet?

a)

Ze wilden zelf hun stad besturen

b)

Ze wilden zelf rechtspreken

c)

Ze wilden zelf hun eigen munt slaan

d)

Ze wilden zichzelf verdedigen met een stadsmuur

e)

Ze wilden zelf hun handel verrichten.

50.

Waarom gingen de heren akkoord met de eisen van de steden?

a)

De heren hadden geld nodig om hun leger en hofhouding te betalen

b)

De heren hadden geld nodig

c)

De heren waren bang voor een opstand in de steden als ze niet akkoord gingen

d)

De heren hadden medelijden met de steden en gaven daarom toe aan hun eisen

51.

Wat zijn twee gevolgen van het verkrijgen van stadsrechten?

a)

De adel kreeg meer macht

b)

De burgers kregen meer macht

c)

De burgers kregen minder macht

d)

De adel kreeg minder macht

52.

Welke twee taken had de schutterij?

a)

Verdedigen van de stad tegen vijanden van buiten

b)

Kanonnen maken

c)

Herstellen van orde binnen de stadsmuren

d)

Oorlog voeren met vijanden

53.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'het recht van de inwoners om hun stad zelf te besturen en zelf recht te spreken'

(a)  

54.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'een stadsleger van bewapende burgers, dat de stad verdedigde tegen vijanden van buitenaf en optrad bij rellen'

(a)  

55.

Waar waren de schout en de schepenen verantwoordelijk voor?

a)

Misdrijven oplossen

b)

Recht spreken

c)

Zorgen voor veiligheid en verdediging

d)

Bepalen aan welke regels de burgerij zich moest houden

e)

Zorgen dat straffen worden uitgevoerd

56.

Waar of niet waar?

Het bestuur van de middeleeuwse stad was heel democratisch

a)

Waar

b)

Niet waar

57.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'voorzitter van de stedelijke rechtbank, die benoemd werd door de heer van een gebied'

(a)  

58.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'mensen die onder leiding van de schout zorgden voor de rechtspraak'

(a)  

59.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'De christelijke kerk die werd geleid door de paus in Rome'

(a)  

60.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'een overtreding van een regel van de kerk, bijvoorbeeld van het christelijke gebod dat je niet mag doden'

(a)  

61.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'Een reis naar een heilige plek om te gaan bidden'

(a)  

62.

Waarom was het heel erg als je een zonde beging?

a)

Als je een zonde begaat ga je dood

b)

Als je een zonde begaat kom je na de dood in het vagevuur

c)

Als je een zonde begaat kom je na de dood in de hel

d)

Als je een zonde begaat kom je na de dood in de hemel

63.

Waarom gaven mensen zoveel geld aan de kerk?

a)

Ze vonden het geloof heel belangrijk

b)

Ze hadden geld over

c)

De kerk had heel veel geld nodig

d)

Door de mooiste kerk te hebben, lieten mensen zien dat ze trouw zijn aan God

64.

Waarom ontstond er verzet tegen de katholieke kerk vanaf de 11e eeuw?

a)

De katholieke kerk werd steeds rijker en machtiger

b)

De katholieke kerk werd steeds rijker

c)

De katholieke kerk werd steeds machtiger

d)

De katholieke kerk kreeg te veel macht

65.

Waarom werd de inquisitie opgericht?

a)

Om niet-gelovigen te berechten

b)

Om mensen te vervolgen die niet in de officiële kerksleer geloofden

c)

Om mensen te vervolgen

d)

Om er voor te zorgen dat iedereen in het katholieke geloof ging geloven

66.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'rechtbank van de katholieke kerk om ketters op te sporen en te berechten'

(a)  

67.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'afwijken van de officiële leer van de katholieke kerk'

(a)  

68.

Waar of niet waar?

De katholieke kerk zag joden en moslims als vijanden

a)

Waar

b)

Niet waar

69.

Waarom zag de katholieke kerk de moslims als bedreiging?

a)

Zij waren de baas in het Oost-Romeinse Rijk

b)

Zij waren de baas in Palestina (= Jeruzalem en omstreken) en waren daarom een bedreiging.

c)

Ze geloofden niet in het christendom

70.

Wat was de oorzaak van de eerste kruistocht?

a)

De paus wilde graag laten zien dat hij het machtigst was

b)

De paus deed een oproep om Palestina te bevrijden van de moslims

c)

De ridders hadden niks te doen in Europa, dus ze moesten ergens anders heen

d)

De paus wilde graag alle moslims bekeren

71.

Wat zijn de gevolgen van de kruistochten?

a)

Er vielen heel veel doden

b)

West-Europeanen en moslims leerden elkaar beter kennen

c)

De handel bloeide op

d)

De Europeanen kregen meer kennis (wetenschap)

e)

De Europeanen konden Jeruzalem niet veroveren

72.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'een poging van christelijke legers uit West-Europa om moslims in het Midden-Oosten te bestrijden'

(a)  

73.

Waarom ontstaat juist in Italië een nieuwe cultuur?

a)

Er waren veel rijke handelaren die hun rijkdom wilden laten zien

b)

De Italianen verveelden zich

c)

In Italië waren veel slimme mensen die Romeinse gebouwen na konden maken

d)

In Italië waren nog allemaal Romeinse ruïnes, dus ze hadden veel voorbeelden

74.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'De cultuur in de overgangsperiode van middeleeuwen naar vroegmoderne tijd. Het betekent letterlijk 'wedergeboorte' (van de oudheid).

(a)  

75.

Wat zijn voorbeelden van dingen die mensen in de renaissance anders deden dan in de middeleeuwen?

a)

Bouwkunst

b)

Schilderkunst

c)

Schrijven en dichten

d)

Beeldhouwen

e)

Zingen

76.

Waar of niet waar?

De mensen in de renaissance waren geen fan van de middeleeuwen

a)

Waar

b)

Niet waar

77.

Wat zijn kenmerken van de kunst uit de renaissance?

a)

Er was aandacht voor anatomie

b)

Er was aandacht voor perspectief

c)

Er was meer aandacht voor de kunstenaar

d)

Er was meer aandacht voor kleurgebruik

78.

Welk begrip past bij deze beschrijving?

'Latijn voor 'besef dat je zult sterven': het middeleeuwse idee dat het leven op aarde een voorbereiding is op het leven na de dood.'

(a)  

79.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'Latijn voor 'pluk de dag': het humanistische idee dat mensen zich niet moeten richten op het leven na de dood, maar actief moeten deelnemen aan de samenleving.'

(a)  

80.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'de leer van de bouw van het (menselijk) lichaam

(a)  

81.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'een techniek waardoor de indruk kunt wekken dat er diepte zit in een (plat) schilderij'

(a)  

82.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'de ideeën die mensen hebben over zichzelf en de mensen om hen heen.'

(a)  

83.

Welke Griekse en Latijnse geschriften gingen de geleerden weer lezen in de renaissance?

a)

Muziekstukken

b)

Literatuur

c)

Wetenschap

d)

Toneelstukken

84.

Waarom gingen geleerden weer zelf op zoek naar geschriften uit de oudheid?

a)

Veel oorspronkelijke boeken waren vergaan

b)

Ze wilden nieuwe teksten ontdekken, omdat ze het oneens waren met de middeleeuwse teksten

c)

Veel geschriften waren niet betrouwbaar, omdat de monniken fouten hadden gemaakt met het overschrijven

d)

Ze konden veel geschriften niet lezen

85.

Waar of niet waar?

Veel van de Grieks-Romeinse cultuur werd herontdekt doordat geleerden op zoek gingen naar nieuwe geschriften.

a)

Waar

b)

Niet waar

86.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'Geleerde uit de tijd van de renaissance, die teksten uit de oudheid bestudeerde en vertaalde'

(a)  

87.

Waarom vonden humanisten onderwijs zo belangrijk?

a)

Ze vonden het heel belangrijk dat iedereen zelfstandig kon nadenken

b)

Ze vonden het leuk om kinderen verplichten om op school te zitten

c)

Ze vonden het belangrijk dat iedereen kon lezen en schrijven

d)

Ze vonden het heel belangrijk dat iemand zelf een oordeel kon vormen

88.

Met welke punten van de katholieke kerk waren de humanisten het oneens?

a)

De kerk bepaalde wat mensen wel en niet mochten lezen

b)

Als een tekst het oneens was met de christelijke leer, dan werd deze tekst verboden

c)

De kerk mocht als enige zeggen wat de schrijvers van de Bijbel hadden bedoeld.

d)

De paus die aan het hoofd stond van de katholieke kerk en alle beslissingen mocht nemen

89.

Waarom maakte Erasmus een nieuwe vertaling van de bijbel?

a)

Erasmus verveelde zich

b)

De katholieke kerk maakte gebruik van een onbetrouwbare middeleeuwse vertaling

c)

De katholieke kerk had hem gevraagd om een makkelijke vertaling te maken

d)

Erasmus wilde graag een nieuwe vertaling maken, omdat hij dan heel beroemd zou worden

90.

Waar of niet waar?

Door de boekdrukkunst konden de ideeën van de humanisten makkelijk en snel verspreid worden

a)

Waar

b)

Niet waar

91.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'De manier waarop mensen denken'

(a)  

92.

Hoe veranderde de mentaliteit van mensen rond 1450?

a)

Mensen vonden nu dat de middeleeuwen hele mooie kunst had en die probeerden ze na te maken

b)

Mensen gingen onderwijs volgen, waardoor ze klakkeloos gingen overnemen wat de kerk zei

c)

Mensen gingen zelfstandig nadenken en zichzelf ontwikkelen in plaats van klakkeloos geloven wat de kerk zei

d)

Mensen gingen zelfstandig nadenken

93.

Hoe had het humanisme invloed op de natuurwetenschappen?

a)

Er werden veel meer wetenschappers opgeleid

b)

Het humanisme zorgde ervoor dat de natuurwetenschappen veel populairder worden, waardoor er meer nieuwe ontdekkingen gedaan werden

c)

Het humanisme zorgde ervoor dat de Bijbel allemaal nieuwe verklaringen gaf voor natuurverschijnselen

d)

Wetenschappers gingen nu zelf onderzoek doen in plaats van verschijnselen verklaren met de Bijbel

94.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'De middeleeuwse opvatting dat de aarde het onbeweeglijke middelpunt van het heelal is'

(a)  

95.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'de opvatting in de vroegmoderne tijd dat de zon het onbeweeglijke middelpunt van het heelal is'

(a)  

96.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'De ideeën die mensen hebben over de hun bekende wereld'

(a)  

97.

Waar of niet waar?

De katholieke kerk was niet blij met de ontdekking van het heliocentrische wereldbeeld

a)

Waar

b)

Niet waar

98.

Welke gebieden kenden de Europeanen in de middeleeuwen?

a)

Noordkust van Afrika

b)

Midden-Oosten

c)

China en 'Indië'

d)

Europa

e)

Amerika

99.

Hoe kwamen de Europeanen aan producten uit Azië?

a)

Ze gingen naar Indië en China om deze producten te kopen

b)

Kooplieden kochten deze producten op markten in Marokko en Egypte

c)

Kooplieden kochten deze producten op markten in Egypte en Constantinopel

d)

Ze gingen naar het Midden-Oosten toe om deze producten te kopen

100.

Waarom moesten de Europeanen op zoek gaan naar andere mogelijkheden om aan Aziatische producten te komen?

a)

Doordat Constantinopel viel, waardoor de nieuwe Turkse heersers hoge belasting gingen heffen op de handel

b)

Doordat ze ruzie hadden met de Turken, waardoor ze niet meer naar Constantinopel mochten.

c)

Ze moesten een goedkopere manier vinden, omdat ze geen geld meer hadden

101.

Waarom gingen Europeanen de rest van de wereld verkennen?

a)

Ze wilden het christendom verspreiden

b)

Ze verveelden zich

c)

Ze wilden geld verdienen met de handel

d)

Ze wilden een groter land krijgen door gebieden te veroveren

102.

Waarom gingen de Europeanen pas in de 15e eeuw aan de ontdekkingsreizen beginnen?

a)

Schepen waren nu pas stevig en groot genoeg

b)

Het kompas was uitgevonden

c)

Ze hadden nu pas betere kaarten

d)

Door de val van Constantinopel was het noodzakelijk dat de Europeanen een nieuwe manier vonden om te handelen in Aziatische producten

103.

Waar of niet waar?

De Portugezen waren de eerste die om Afrika heen vaarden om in Indië te bereiken

a)

Waar

b)

Niet waar

104.

Wat was het doel van Christoffel Columbus?

a)

Hij wil Azië bereiken door naar het noorden te varen

b)

Hij wil Azië bereiken door naar het zuiden te varen

c)

Hij wil Azië bereiken door naar het westen te varen

d)

Hij wil Azië bereiken door naar het oosten te varen

105.

Welk werelddeel heeft Columbus ontdekt?

a)

Amerika

b)

Afrika

c)

Azië

d)

Antarctica

106.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'de uitbreiding van een gebied of van invloed'

(a)  

107.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'een fort met een haven, pakhuizen en woningen langs de nieuw ontdekte kusten van Azië, Afrika en Zuid-Amerika'

(a)  

108.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'gebied buiten het eigen land dat is veroverd en wordt bestuurd door het moederland'

(a)  

109.

Waarom gingen de Europeanen in tot slaafgemaakte mensen handelen?

a)

De Europeanen hadden arbeiders nodig voor op de handelsposten

b)

De Europeanen wilden geld verdienen

c)

De Europeanen hadden arbeiders nodig voor op hun plantages.

110.

Waar of niet waar?

De Europeanen haalden tot slaafgemaakte mensen uit Afrika, omdat de meeste indianen waren overleden door dwangarbeid

a)

Waar

b)

Niet waar

111.

Welke economische gevolgen hadden de ontdekkingsreizen?

a)

De slavenhandel ontstaat

b)

Er ontstonden plantages

c)

Er ontstonden handelsposten

d)

Het christendom wordt verspreid

112.

Wat zijn de politiek-bestuurlijk en culturele gevolgen van de ontdekkingsreizen?

a)

Overal op de wereld vestigen Europeanen zich

b)

Er ontstaan nieuwe koninkrijken in Zuid-Amerika

c)

Het christendom wordt verspreid

d)

De lokale godsdiensten verdwenen in Zuid- en Midden-Amerika

113.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'Volk dat tussen ca 1200 en 1521 in het huidige Mexico (Midden-Amerika) een groot rijk had

(a)  

114.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'Volk dat tussen ca 1440 en 1536 in het huidige Peru (Zuid-Amerika) een groot rijk had

(a)  

115.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'Volk dat tussen ca 250 en 990 in Midden-Amerika in verschillende stadstaten leefde'

(a)  

116.

Waar of niet waar?

Columbus noemde de oorspronkelijke bewoners van Amerika 'indianen' omdat hij dacht dat hij India was

a)

Waar

b)

Niet waar

117.

Welke gevolgen had de komst van de Europeanen voor de oorspronkelijke bevolking in Midden- en Zuid-Amerika?

a)

De indianenrijken werden veroverd door de Europeanen

b)

De plaatselijke culturen verdwenen bijna helemaal

c)

De Europeanen verdienden enorm veel geld

d)

Er was een enorme sterfte onder de bevolking

e)

De Europeanen kregen een heel groot koloniaal rijk

118.

Waardoor konden de rijken van de Azteken, Inca's en Maya's zo snel veroverd worden door de Europeanen?

a)

De inheemse bevolking was militair kansloos omdat ze geen zwaarden, geweren en kanonnen hadden

b)

De Europeanen hadden veel meer soldaten

c)

De Europeanen hadden veel betere strijdplannen

d)

De inheemse bevolking had geen zin om te vechten

119.

Welke gevolgen had de ontdekking van Amerika voor de Europeanen?

a)

De Europeanen leerden nieuw voedsel kennen

b)

Het wereldbeeld van de Europeanen veranderde

c)

Het mensbeeld van de Europeanen veranderde

d)

De Europeanen veroverde de indianenrijken

e)

De Europeanen verspreiden het christendom

120.

Hoe veranderde het Europese mensbeeld door de ontdekkingsreizen?

a)

De Europeanen vonden dat de indianenvolken wetenschappelijk een stuk verder waren

b)

De Europeanen vonden het christendom de beste godsdienst op aarde

c)

De Europeanen dachten dat ze beter waren dan andere volken

d)

De Europeanen dachten dat andere volken beter waren