wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Genie 3_Module 1 en 2

Total questions: 51

Worksheet time: 38mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de naam voor het chemisch element H?

a)

water

b)

waterstof

c)

hydro

d)

koolstof

2.

Wat is de naam voor het chemisch element O?

a)

zuurstof

b)

zuur

c)

oxide

d)

chloor

3.

Wat is een andere naam voor natriumchloride?

a)

zuurstof

b)

keukenzout

c)

oxide

d)

zwembadchloor

4.

Wat is de naam van deze stof?

a)

hydro-oxigen

b)

zuurstof

c)

koolstofdioxide

d)

water

5.

Wat is het atoomsymbool van zilver?

a)

Au

b)

Zn

c)

S

d)

Ag

6.

CH4 heeft: 

a)

1 Koolstof en 4 waterstof atomen

b)

4 Koolstof en 1 waterstof atomen

c)

4 Koolstof en 4 waterstof atomen

d)

4 rendieren en 1 Kerstman

7.

5 H2O
Hoeveel atoomsoorten?

a)

5

b)

2

c)

3

d)

15

8.

5 H2O
Hoeveel atomen?

a)

5

b)

2

c)

3

d)

15

9.

Match de begrippen met de juiste definitie.

a)

Bouwsteen van een molecuul.

1.

atoom

b)

Bevat moleculen van verschillende stoffen (dus verschillende soorten moleculen).

2.

mengsel

c)

Bevat één soort moleculen.

3.

zuivere stof

d)

molecuul

4.

Klein deeltje waaruit een stof bestaat.

10.

Het symbool voor het element goud is ...

a)

Au

b)

Ag

c)

Cu

d)

Ca

11.

Het symbool voor het element fosfor is ...

a)

F

b)

P

c)

Fo

d)

H

12.

Wat is de naam van het element B?

a)

Broom

b)

Tin

c)

Stikstof

d)

Boor

13.

Moleculen van samengestelde stoffen bestaan uit verschillende ...

a)

Atoomsoorten

b)

Elementen

c)

Beide zijn juist

14.

Scheiden en mengen zijn chemische reacties.

a)

Juist

b)

Fout

15.

Koper

a)

K

b)

Cp

c)

Cu

d)

foCo

16.

Helium

a)

He

b)

H

c)

Hl

d)

Hm

17.

N

a)

Natrium

b)

Stikstof

c)

Nikkel

d)

Neon

18.

Verf is een

a)

oplossing

b)

suspensie

c)

zuivere stof

19.

Thee is een:

a)

mengsel

b)

zuivere stof

20.

Koolstof is een ....

a)

Metaal

b)

Niet-metaal

c)

Edelgas

21.

Wat is waar voor de volgende stof:

chocolademelk

a)

Chocolademelk is een suspensie want als je het laat blijft er vaste stof en vloeistof in je beker zitten

b)

Chocolademelk is een oplossing omdat het chocoladepoeder oplost in de melk

c)

Chocolademelk is geen oplossing of suspensie maar een zuivere stof

d)

Chocolademelk is een suspensie want je maakt het met poeder in een vloeistof

e)

Chocolademelk is een suspensie omdat het geen heldere vloeistof is, er zit dus een heel fijn poeder nog in.

22.

Wat is waar voor de volgende stof:

cup-a-soup met croutons (stukjes brood)

a)

Cup-a-soup is een oplossing want het soeppoeder lost op in het water

b)

Cup-a-soup is een suspensie want de croutons lossen niet op en blijven een vaste stof in een vloeistof

c)

Cup-a-soup is een oplossing en een suspensie tegelijk, want de soep is een oplossing en de croutons zijn een suspensie

d)

Cup-a-soup is geen oplossing en geen suspensie, maar een mengsel

23.

Welke stoffen scheid je door filtreren?

a)

koffie en gemalen koffiebonen

b)

Theeblaadjes en thee

c)

Smaakstoffen en theeblaadjes

d)

Smaakstoffen en gemalen koffiebonen

24.

Op de afbeelding zie je een ...

a)

mengsel

b)

zuivere stof

c)

geen van beiden

25.

Op de afbeelding zie je een ...

a)

mengsel

b)

zuivere stof

c)

geen van beiden

26.

Goud is een

a)

Zuivere stof

b)

Mengsel

27.

Om de massadichtheid van een stof te berekenen moet je

a)

de massa delen door het volume.

b)

het volume delen door de massa.

c)

het volume vermenigvuldigen met de massa.

d)

de massa vermenigvuldigen met het volume.

28.

Wat is de SI-eenheid van massadichtheid?

a)

kgcm3\frac{kg}{cm^3}

b)

gcm3\frac{g}{cm^3}

c)

kgm3\frac{kg}{m^3}

d)

gm3\frac{g}{m^3}

29.

Welke formule is juist omgevormd

a)

A

b)

B

c)

C

30.

Wat is/zijn de index/indices in de volgende stof: 5 N2O4

a)

5

b)

4

c)

2

d)

N

e)

O

31.

Geef de brutoformule van koolstoftetrafluoride

(a)  

32.

Geef het symbool van dit element:

Lood


(a)  

33.

Geef de afkorting van dit element:

Chloor

(a)  

34.

Wat is de formule van de stof waterstof?

a)

H2(g)

b)

H(g)

c)

Hg

d)

O2(g)

35.

Wat is het elementsymbool van ijzer

a)

Fe2

b)

IJ

c)

Fe

36.

Een mengsel van twee vloeistoffen kun je scheiden met

a)

filtreren

b)

extraheren

c)

destilleren

d)

indampen

37.

Hoeveel atomen heeft deze molecule? H2O

a)

1

b)

3

c)

4

38.

Dit laat een mengsel zien.

a)

Waar

b)

Niet Waar

39.

Dit is een deeltjesmodel van een ...?

a)

zuivere stof

b)

mengsel

40.

Wat is het symbool van element zwavel?

(a)  

41.

Wat is het symbool van element argon?

(a)  

42.

Wat zijn de bestanddelen of componenten van een mengsel?

a)

De verschillende zuivere stoffen en chemische verbindingen waaruit het mengsel bestaat

b)

De verschillende chemische verbindingen waaruit het mengsel bestaat

c)

De verschillende zuivere stoffen waaruit het mengsel bestaat

d)

De verschillende oplosmiddelen waaruit het mengsel bestaat

43.

Wat is het principe van indampen?

a)

Het scheiden van vloeistoffen op basis van dichtheid

b)

Het scheiden van mengsels op basis van chemische reacties

c)

Het scheiden van vaste deeltjes op basis van grootte

d)

Het scheiden van opgeloste stoffen op basis van oplosbaarheid

44.

Wat is het principe van filtreren?

a)

Het scheiden van vloeistoffen op basis van dichtheid

b)

Het scheiden van opgeloste stoffen op basis van oplosbaarheid

c)

Het scheiden van vaste deeltjes op basis van grootte

d)

Het scheiden van mengsels op basis van chemische reacties

45.

Wat is waar voor de volgende stof:

ijswater

a)

Ijskristallen zijn een suspensie omdat ze in het water drijven

b)

Ijskristallen zijn geen oplossing of suspensie maar een mengsel

c)

Ijskristallen zijn een oplossing omdat ze oplossen in het water

d)

Ijskristallen zijn een suspensie omdat ze niet volledig oplossen in het water

46.

Wat is de naam voor het chemisch element Na?

a)

Calcium

b)

Magnesium

c)

Kalium

d)

Natrium

47.

Wat is de formule van de stof koolstofdioxide?

a)

C2O2

b)

CO

c)

C2O

d)

CO2

48.

Wat is de triviale naam van trizuurstof?

(a)  

49.

Welk model herken je hier?

a)

bolstaafmodel

b)

bolschilmodel

c)

geen van beide

50.

Wat is de SI-eenheid van massa?

a)

milligram

b)

ton

c)

gram

d)

kilogram

51.

Wat is de naam van het element met het symbool 'Fe'?

a)

Fluor

b)

Fosfor

c)

Ijzer

d)

Francium