Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

5.2 vloeistofmengsels

Total questions: 23

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Een hydrofiele stof mengt .... met water

a)
goed
b)

slecht

c)

matig

2.

Een hydrofobe stof mengt goed met

a)

olie

b)

water

c)

een andere hydrofobe stof

d)

een andere hydrofiele stof

3.

Wat voor bindingen zijn aanwezig tussen moleculen in hydrofiele vloeistofmengsels die niet aanwezig zijn in hydrofobe vloeistofmengsels?

(a)  

4.

Wat voor bindingen zijn aanwezig tussen moleculen in hydrofobe vloeistofmengsels?

(a)  

5.

Welke groepen kunnen waterstofbruggen vormen?

a)

-OH

b)

-CH

c)

-NH

d)

-H2

6.

Teken 3 waterstofbruggen tussen de moleculen

7.

Waarom mengen water en olie niet?

4 lines
8.

Wat kan je doen om een hydrofobe en hydrofiele stof wel te laten mengen

a)

harder schudden

b)

een emulgator toevoegen

c)

meer hydrofiele stof toevoegen

d)

meer hydrofobe stof toevoegen

9.

Selecteer de juiste volgorde, van klein naar groot

a)

micro, meso, macro

b)

micro, macro, meso

c)

meso, micro, macro

d)

meso, macro, micro

10.

Wat is 'schiften' in kokstaal?

a)

goed mengen

b)

filtreren

c)

ontmengen

d)

garen

11.

Welke eigenschap van water maakt het mogelijk dat sommige insecten over water kunnen lopen?

a)

water is hydrofiel

b)

water kan waterstofbruggen vormen

c)

de oppervlaktespanning van het water.

12.

Hier zie je een zeepdeeltje. Is de kop hydrofoob of hydrofiel? en de steel?

a)

Kop: hydrofoob

Steel: Hydrofoob

b)

Kop: hydrofiel

steel: hydrofoob

c)

Kop: hydrofiel

Steel: hydrofiel

d)

Kop: hydrofoob

Steel: hydrofiel

13.

Wat is een polaire binding?

a)

Een binding waarin de elektronen volledig van het ene naar het andere atoom worden overgedragen.

b)

Een binding waarin de elektronen gelijk verdeeld zijn tussen de atomen.

c)

Een binding waarin de elektronen ongelijk verdeeld zijn, waardoor een gedeeltelijke lading op de atomen ontstaat.

d)

Een binding tussen twee identieke atomen zonder ladingsverschil.

14.

waar zijn vanderwaalsbindingen en polaire atoombindingen aanwezig?

a)

vanderwaalsbindingen en polaire atoombindingen beide tussen moleculen

b)

vanderwaalsbindingen en polaire atoombindingen beide binnen een molecuul

c)

vanderwaalsbinding tussen moleculen en polaire atoombindingen binnen een molecuul

d)

vanderwaalsbindingen binnen een molecuul en polaire atoombindingen tussen moleculen

15.

welke stelling(en) is waar over vanderwaalsbindingen?

a)

een vanderwaalsbinding is aanwezig tussen allerlei soorten moleculen.

b)

een vanderwaalsbinding wordt sterker naarmate de molecuulmassa kleiner wordt.

c)

een sterkere vanderwaalsbinding zorgt voor een hoger kookpunt.

d)

een vanderwaalsbinding is een relatief zwakke binding

16.

kies de goede woorden op de puntjes: een vanderwaalsbinding wordt zwakker bij een ...... molecuulmassa, dit zorgt voor een ..... kookpunt.

a)

hogere, hoger

b)

lagere, lager

c)

hogere, lager

d)

Lagere, hoger

17.

Welk atoom of welke atomen worden gedeeltelijk negatief in een polaire atoombinding

a)

zuurstof

b)

stikstof

c)

waterstof

18.

Vaker dit soort quizzen doen?

a)

Ja, en deze lengte

b)

Nee

c)

ja, maar korter

d)

ja, maar langer

19.

hydrofobe stoffen lossen goed op in ..... oplosmiddelen zoals ....

a)

hydrofobe, water

b)

hydrofobe, olie

c)

hydrofiele, water

d)

hydrofiele, olie

20.

wat voor soort bindingen worden verbroken bij het oplossen van een zout?

a)

normale atoombindingen

b)

polaire atoombindingen

c)

ionbindingen

21.

Wat is hydratatie?

4 lines
22.

wat voor bindingen ontstaan bij het oplossen van een hydrofiele moleculaire stof in water?

(a)  

23.

Welk plaatje van hydratatie is correct?

a)

b)

c)

d)