wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 14 4m

Total questions: 29

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Welke spieren spelen een grote rol bij de buikademhaling?

a)

Tussenribspieren

b)

Borstspieren

c)

Middenrif

d)

Buikspieren

2.

Welke spieren beïnvloeden de borstademhaling?

a)

Tussenribspieren

b)

Borstspieren

c)

Middenrif

d)

Buikspieren

3.

Bij de ademhaling ontspannen tussenribspieren en het middenrif. Wat gebeurt er hierdoor?

a)

Borstkas wordt groter (= inademen)

b)

Borstkas wordt groter (= uitademen)

c)

Borstkas wordt kleiner (= inademen)

d)

Borstkas wordt kleiner (= uitademen)

4.

Bij de inademing gaan de ribben en het middenrif omhoog?

a)

Waar

b)

Niet waar

5.

Bij de borstademhaling gebruik je de:

a)

Tussenribspieren

b)

Middenrif

c)

Buikspieren

d)

Spieren bij het sleutelbeen

6.

Bij de buikademhaling gebruik je de:

a)

Tussenribspieren

b)

Middenrif

c)

Buikspieren

d)

Spieren bij het sleutelbeen

7.

Wat is de juiste volgorde bij buikademhaling?

a)

Lucht gaat naar binnen - borstholte wordt groter - middenrif naar beneden

b)

middenrif naar beneden - lucht gaat naar binnen - borstholte wordt groter

c)

middenrif naar beneden - borstholte wordt groter - lucht gaat naar binnen

d)

binnenste tussenribspieren trekken samen - borstholte wordt groter - lucht gaat naar binnen

8.

Wat is de juiste volgorde bij borstademhaling?

a)

Lucht gaat naar binnen - borstholte wordt groter - middenrif naar beneden

b)

binnenste tussenribspieren trekken samen - lucht gaat naar binnen - borstholte wordt groter

c)

middenrif naar beneden - borstholte wordt groter - lucht gaat naar binnen

d)

binnenste tussenribspieren trekken samen - borstholte wordt groter - lucht gaat naar binnen

9.

Als je uitademt, dan gaan je ribben....

a)

naar beneden

b)

naar boven

10.

Welke organen behoren tot het ademhalingstelsel?

a)

longen

b)

bloedvaten

c)

mondholte

d)

luchtpijp

e)

zenuwen

11.

Als je uitademt, dan gaat je middenrif

a)

omhoog

b)

omlaag

12.

De ribben gaan omhoog en omlaag. Welk soort ademhaling is dit?

a)

borstademhaling

b)

buikademhaling

13.

Het middenrif ontspant en spant aan. Welk soort ademhaling is dit?

a)

borstademhaling

b)

buikademhaling

14.

In welke volgorde komt lucht de longen binnen?

a)

keelholte - luchtpijp - middenrif - luchtpijptakken - longblaasjes

b)

neusholte - luchtpijp - bronchien - longblaasjes

c)

neusholte - bronchien - luchtpijp - longblaasjes

d)

keelholte - middenrif - luchtpijp - luchtpijptak - longblaasjes

15.

De ribben gaan omlaag, het middenrif beweegt niet. Dit is de

a)

buikademhaling

b)

borstademhaling

16.
In de animatie zie je 
a)
de buik- of middenrifademhaling
b)
de borstademhaling
c)
allebei
d)
geen van beide
17.

Wat doen de nieren met je urine?

a)

Opslaan

b)

Uitscheiden

c)

Opnemen

18.

Wat hoort bij de beschrijving:

VAN inwendig milieu NAAR uitwendig milieu

a)

Uitscheiding

b)

Voedsel opnemen

c)

Reserves aanvullen

d)

Inademen

19.

Welke stof produceert de lever?

a)

Gal

b)

Maagzuur

c)

Bloedcellen

d)

Speeksel

20.

De onderdelen van de nier van buiten naar binnen zijn:

a)

Nierschors - niermerg - nierbekken

b)

Nierschors - nierbekken - niermerg

c)

Niermerg - nierbekken - nierschors

d)

Niermerg - nierschors - nierbekken

21.

Voedingsstoffen in je bloed horen bij...

a)

Inwendig mileu

b)

Uitwendig milieu

22.

Voedsel in je darmen horen bij...

a)

Inwendig milieu

b)

Uitwendig milieu

23.

Wat zijn de functies van de lever?

a)

Gal maken

b)

Gifstoffen afbreken

c)

Afvalstoffen afbreken

d)

Rode bloedcellen maken

24.

Waar hoort urine bij?

a)

Inwendig milieu

b)

Uitwendig milieu

25.

Waar hoort weefselvocht bij?

a)

Inwendig milieu

b)

Uitwendig milieu

26.

Via waar wordt urine uit ons lichaam vervoert?

a)

Urinebuis

b)

Urineleider

c)

Nierbekken

d)

Nierschors

27.

Wat is de functie van talg?

a)

De huid soepel houden

b)

Bacteriën onschadelijk maken

c)

Virussen onschadelijk maken

d)

Het heeft geen functie

28.

Wat gebeurt er wanneer je het warm hebt?

a)

Bloedvaten worden wijder

b)

Bloedvaten worden nauwer

c)

Je krijgt kippenvel

d)

Je gaat zweten

29.

Welke drie delen kan je onderscheiden in de nier?

a)

Nierschors, niermerg en nierbekken

b)

Nierschors, nierpiramiden en nierbekken

c)

Nierschors, nierbuisje en niermerg